Tuindagboek (II)

21 juli 2021

Ik zit op het bankje in de boomgaard en neem de schade van een week op. Duifkruid heeft haar kleur verloren. Een volledige peulenplant hangt geel in het rek. Het gras heeft kale plekken. Precies op de plek waar ik mijn hangmat wil ophangen, zweven mugjes met lange poten. Het zijn geen hooiwagens en ook geen gewone steekmuggen. Ik weet niet wat het zijn. Als ik in de wolk ga staan, verplaatst de wolk zich. Ik had zoveel zin om naar de tuin te gaan, maar nu voel ik mij op de een of andere manier niet welkom.

Alsof ik de tuin betrap op haar werkelijke leven zodra ik het tuinpad oploop. Haar leven buiten mij. Het sluit niet aan bij het Disneyplaatje dat ik er soms in mijn hoofd van maak. Alleen de mooie dingen blijven dan hangen. Bloeiende bloemen hier, glimmende rijpe groentes daar. Maar afhankelijk van dag, uur, wind, licht en geluiden is de tuin. Zelfstandig en onder invloed en altijd veranderend is de tuin. Misschien wied ik daarom wel onkruid. Gewoon, om mee te blijven doen, te laten zien dat ik er ben. Want echt storend vind ik het niet. Het bloeit vaak mooi en er zijn hier geen tuinschouwingen. Als ik iets wil zaaien, kan ik altijd nog ruimte maken.

Want dat is wat ik kan doen: dingen weghalen. Omdat ik een hand-georiënteerd zoogdier ben dat een schepje vast kan houden, kan ik wroeten, trekken, maaien. Water geven in droge periodes kan ik ook. Maar elk uur, elke dag, elke week dat ik weg ben, kruipt er leven uit alle hoeken. Ik kan dat leven een beetje regisseren, specifieke plantjes aanmoedigen: “Hier heb je een handje compost, groei maar! En daarna pakken we je vruchten af, gooien we je op de composthoop – of pakken eerst nog snel je zaden mee en gooien je dan op de composthoop.”

Dat groenten vaak in de knop gebroken bloemen en struiken zijn, ontdekte ik voor het eerst toen Alexis een krop sla niet oogste. Een prachtige plant van een halve meter hoog is het geworden. Stengels met kraalvormige opbouw en gele bloemetjes, wiegend in de wind. Een woeste eilandstruik. Sla.

Sowieso is moestuinieren een slachtpartij. Veel van de zaailingen die in april trappelend in mijn vensterbank stonden, hebben de selectie voor de volle grond niet gehaald. Of stierven van schrik tijdens de transitie. Daarom zaai ik het liefst rechtstreeks, maar ook dan moet ik soms uitdunnen. Bij de verste braamstruik aan het hek, ligt mijn kerkhof van in de knop gebroken babygroente. Het is een wrede hobby, maar dat zie je niet terug op de websites vol lachende jongens en meisjes met hun stappenplannen.

Bij gebrek aan een foto van doorgeschoten sla, een foto van de gele bloemetjes van doorgeschoten broccoli (31 augustus). Bijen zijn er gek op.

Tuindagboek (I)

Ons Oud-Zuylense paradijsje op 5 september

Opeens was er een tuindagboek. Ik probeerde het nog te voorkomen, de moestuin gewoon als hobby te zien. Beetje aanklooien, proberen, niet documenteren. Maar het heeft zichzelf groot gemaakt. Want ik kan niet meer zonder dat landje en dat landje… dat kan voor het grootste deel van het jaar prima zonder mij. En gedurende twee seizoenen moet ik wat zaaien, aanmoedigen en terugduwen. Maximaal 20% mensenhand in de wildernis. Dat is de verhouding die spontaan ontstond en die me wel bevalt. Ik wil faciliteren, niet regeren. (Toegegeven: als een manager dit roept ben ik gelijk op mijn hoede). Het kan hier ook. Het geluk wil dat ons een moestuin is toegewezen (voor een jaar, hopelijk langer) op het enige anarchistische volkstuinencomplex rond Utrecht. Braam, brandnetel, heermoes en haagwinde tiert welig, hoge coniferen en populieren onttrekken rommelparadijzen aan het zicht en bijna niemand tuiniert er ‘regulier’, dat wil zeggen: met meters zwarte grond en af en toe wat kroppen in rechte rijen. De 20% regel lijkt hier normaal en dat is uniek.

Oké, zoveel werk hoeft het dus niet te zijn, een moestuin. En toch ben ik er, nu het nazomer is, twee keer per week te vinden. Op mijn knieën in de rivierklei, uithijgend met een nul procentbiertje op een stoeltje in de schaduw van de hoogstam appelbomen. Terwijl ooievaars overvliegen en avondmist vanuit de velden langzaam de tuinen in sijpelt. Aan de overkant van het weiland wordt de verlichte poort van Slot Zuylen dan goed zichtbaar. Zwetend onder de zon als een horige boer, heimelijk vuurtjes stokend in een donkere uithoek. Wat is de aantrekkingskracht? Waarom ga ik tintelend van plantkracht weer naar huis? Het geheime leven van planten, misschien. Het zal me niets verbazen wanneer blijkt dat het schimmelnetwerk onder dit complex reusachtig is en honderden jaren oud. De twee historische begraafplaatsen hier vlakbij zullen het ongetwijfeld hebben gevoed. Niet alleen is dit complex anarchistisch; het ligt ook aan een natuurrijke vechtoever, tussen dorp Oud-Zuilen (oud) en dorp Op Buuren (nieuw). Voldoende vogels eten de slakken op, want niet weggejaagd door katten. En het complex wordt niet – zoals meestal – gesmoord in gesuis van ringwegen en treinsporen. Jan Wolkers maakte daar op Amstelglorie een ruisende zee van, maar het is ontzettend fijn om op een zomeravond vooral krekels te horen. En ’s nachts – toen ik er in een hangmat sliep – de bosuilen.

Wat ga ik doen? Op onregelmatige basis stukjes tikken over zaken rond de tuin. Over de planten, de dieren, de mensen. Over wat ik leer. Waar ik me aan stoor. Wat ik bewonder. Ook zal ik af en toe stukjes delen van eerder deze zomer. Want de papieren tuin is net zo onverwacht gaan bloeien als de levende tuin. Vóór april aanbrak en we deze plek in beheer kregen, had ik nog nooit een zaadje laten ontkiemen. Toen de eerste zaailing van koolrabi haar allereerste babyblaadje door het zand duwde in mijn vensterbank, sprong ik een gat in de lucht. Dat mijn bijnaam jarenlang Kamerplant was, had niets te maken met groene vingers. Ik had dan ook niet durven hopen dat de tuin in een paar maanden tijd al zo’n groenten- en bloemenparadijs zou worden. Ik werd ontmoedigd door verschijnsels als moestuinvloggers en de Makkelijke Moestuin-app, die een delicate relatie met een stuk grond en alles wat erin leeft willen reduceren tot werktuiglijke stappen om te volgen. Daarover later meer. Hoe dan ook: sinds er dingen in mijn moestuin groeien is er in mij ook iets gaan groeien en ik ben benieuwd wat het wordt. Daarvan zal ik hier af en toe verslag doen. De titel van deze blog dekt hiervoor wonderwel de lading.

De geschubde Indische hagedis

Wie ‘schubdier’ intikt op Google, komt nog steeds een berg artikelen tegen in de categorie ‘het dier waarvan je niet wist dat het bestond’. Inmiddels, we schrijven begin 2021, is dat wat achterhaald. Sinds ongeveer 2016 wordt er wereldwijd volop bericht over dit ‘meest gestroopte dier ter wereld’ en de pogingen het voor uitsterving te behoeden. Zelf deed ik tussen 2018 en 2020 een paar duiten in het zakje, samen met Alexis de Roode. Toen schubdieren in maart 2020 na vleermuizen ook op de lijst met mogelijke overbrengers van SARS-CoV-2 terecht kwamen, ging het helemaal los. Er bestaat inmiddels een South Park-aflevering met Randy en een schubdier, die ik niet zonder handen voor mijn ogen kan kijken. Wie nu nog niet weet wat schubdieren zijn, leeft onder een steen. Of woont net als schubdieren diep in een vochtig oerwoud en komt alleen ‘s nachts een paar uur naar buiten.

Voor ze bekend werden als het meest gestroopte dier ter wereld, was dat anders. Toen hadden ze nog geen eigen pagina op de website van het WWF, geen Jackie Chan en Leonardo Dicaprio als ambassadeurs en geen eigen dag (vandaag!). Waren ze hooguit ‘een soort gordeldier’, meer een categorie dan een soort, of een weetje voor de echte dierenfreaks. En dat is vreemd. Want tussen de zestiende en achttiende eeuw kwamen er via de bloeiende intercontinentale plunderroutes volop schubdieren naar Europa. Geen rariteitenkabinet zonder schubdier. En toch moest het dier bijna uitsterven om via een omweg toch nog ons collectieve geheugen te bereiken. Hoe kan dat?

Toen de Nederlandse tropenarts Jacobus Bontius (coole geleerde naam voor Jacobus de Bondt) een schubdier cadeau kreeg op Java rond 1630, stopte hij het vreemd uitziende dier met een ‘koude natuur’ in een badje. Hij doopte het een geschubde schildpad en classificeerde het als amfibie. Van de schenker had hij gehoord dat het holen groef in rivierbanken, waardoor hij vermoedde dat het zowel op het land als in het water leefde. Na een paar dagen stierf zijn geschubde amfibische schildpad. De ‘huid’ ging in zijn collectie Indische dieren en hij beschreef het in zijn Historiae naturalis et medicae Indiae Orientalis (1631), een werk over natuur en tropenziekten in Indonesië. Hij maakte ook een tekening van het dier, waarop het inderdaad op een schildpad lijkt, met een enorm rond lichaam en een piepklein schildpaddenkopje.

Jacobus Bontius’ ‘geschubde schildpad’ (1631)

In de catalogus van de schatrijke Amsterdamse apotheker Albertus Seba (1734), zien we juist een wat langgerekt schubdier, afgebeeld tussen de slangen. Misschien zag hij op basis van de tong aanknopingspunten met de slangen die hij al in zijn collectie had.

Plaat met ‘geschubde dingen’, uit Albertus Seba’s Locuplettisimi rerum naturalium (1734)

Wie de westerse beschrijvingen en tekeningen van schubdieren uit de zeventiende en achttiende eeuw vergelijkt, kan nauwelijks geloven dat het om hetzelfde beest gaat. De een heeft het over een ‘Taywansche Duyvel’, die met zijn gegraaf de funderingen van huizen ondermijnt, de ander noemt het een schuwe schildpad, of onschuldig snuivend ‘visvarken’. De angsten en verlangens van kolonisten schemerden door in de beschrijvingen, waardoor ze een politieke lading krijgen. De ‘Taywansche Duyvel’ ondermijnde ook de onzichtbare funderingen van de Nederlandse handelsmissie op Taiwan vanaf 1620. Het onschuldige, opgerolde dier met ondoordringbaar pantser echode het mysterieuze, onkenbare volk dat onder de duim gehouden moest worden. In catalogi van collecties bleken ze te plooien naar welke groep van schubachtige beesten dan ook. Ze komen voorbij tussen de slangen, vissen, schildpadden en hagedissen. Tussen alles behalve zoogdieren. Een Portugees in Thailand had het in de zeventiende eeuw zelfs over ‘een schaamtevol insect’.

Dit heeft ten eerste te maken met de manier waarop ze in Europa arriveerden: als ‘huiden’, ontdaan van vlees en botten. En een enkele keer op sterk water. Schubdieren zijn notoir moeilijk in gevangenschap te houden, laat staan in de zeventiende eeuw via een schip levend in Europa te krijgen. Zelfs diersoorten die het nu goed doen in dierentuinen, stierven toen vaker wel dan niet aan een dieet van scheepsbiscuits. Dat er vóór de twintigste eeuw ooit een schubdier levend in Europa is gearriveerd, is vrij onwaarschijnlijk. Ook nu nog is de dierentuin van Leipzig – als ik het goed heb – de enige plek in Europa waar je schubdieren levend kunt aanschouwen. En dat is met dank aan een specialistenteam van de Taipei Zoo.

Ook gordeldieren kwamen in de vroegmoderne tijd volop terecht in naturaliëncollecties door heel Europa, maar dan vanuit de westelijke plunderroutes. De verwisseling van gordeldieren en schubdieren die in de zeventiende eeuw ontstond, is eigenlijk nooit helemaal verdwenen. Nog steeds krijg ik af en toe gordeldierenfoto’s en -filmpjes doorgestuurd van vrienden aan wie ik drie keer het verschil heb laten zien.

Dr. Natalie Lawrence (Cambridge) deed uitgebreid onderzoek naar emblematische biogeografieën van -onder meer- geschubde dieren in de vroegmoderne tijd en staat stil bij de verwisseling van gordeldieren en schubdieren. Ze benadrukt dat gordels en schubben op papier al snel een uitwisselbaar ‘pantser’ worden. Nog zo’n factor. Men moest het niet alleen doen met huiden; meestal had men slechts een tekening of beschrijving daarvan. Als we zelfs in het videotijdperk schubdieren en gordeldieren niet uit elkaar kunnen houden, kunnen we dat van een zeventiende-eeuwer al helemaal niet verwachten.

Tekening van Jan Luyken met links de ‘West-Indische’ en rechts de ‘Oost-Indische geschubde hagedis’. Onscherpe foto door mij.

Uiteindelijk vloeiden het gordeldier uit West-Indië (de Cariben) en het schubdier uit Oost-Indië (India en Zuidoost-Azië) in de loop van de achttiende eeuw samen tot één ‘geschubde Indische hagedis’. Waarbij gordeldieren soms worden aangeduid als ‘West-Indische geschubde hagedis’ en schubdieren als ‘Oost-Indische geschubde hagedis’. Het duurde tot het einde van die eeuw voor deze constructie weer ontrafeld werd en de dieren een eigen identiteit begonnen te krijgen in collecties. In reisliteratuur duurde dat nog veel langer, omdat elke wetenschapper of verzamelaar het liefst een nieuw dier had ontdekt, om het ook zelf te kunnen beschrijven en benoemen. Dat ‘het schubdier’ niet bestaat omdat er acht uiteenlopende soorten door heel Azië en Afrika leven, laten we hier nog buiten beschouwing.

Het is overigens niet zo dat men zich destijds druk maakte over de precieze identiteit van het schubdier. Vóór Darwin en Wallace met hun evolutietheorieën kwamen, werd er vooral gekeken naar nut voor mensen en de plekken die nog opgevuld moesten worden binnen de Grote Kosmologie van het leven op aard. Een juiste classificatie op basis van morfologische, en nu zelfs genetische kenmerken, vond men later pas interessant. De ‘geschubde Indische hagedis’ was soms een schildpad, soms een slang en paste volgens de achttiende eeuwse naturalist Comte de Buffon in zijn Histoire Naturelle ‘uiteindelijk prachtig op de traptrede tussen de reptielen en de zoogdieren.’ Aan Gods grootheid was het te danken, dat hij uitgerekend het traagste, tandeloze dier had uitgerust met een pantser. Hierbij verklaar ik dat mijn vrienden me gewoon gordeldierenfilmpjes mogen blijven sturen. De idee van beide dieren is hetzelfde: schattige tankwagens, gepantserde aardgravers, wandelende dennenappels.

~

Bronnen

Tekst

*Proefschrift van dr. Natalie Lawrence (Cambridge University), over o.m. emblematische biogeografieën van geschubde dieren in de vroegmoderne tijd.
*Penguins, pineapples and pangolins: First encounters with the exotic, boek van Claire Cock-Starkey. Pagina 69.
*Histoire Naturelle, Générale et particulière, avec la description du Cabinet du Roi, door Comte de Buffon (1707-1788).

Afbeeldingen

*Jacobus Bontius’ ‘geschubde schildpad’. Manuscript: Oxford University Library. Foto door Natalie Lawrence.
*Plaat met ‘geschubde dingen’, uit Albertus Seba’s Locuplettisimi rerum naturalium (1734).
*Tekening van Jan Luyken (17e eeuw) met links de ‘West-Indische geschubde hagedis’ en rechts de ‘Oost-Indische geschubde hagedis’. Ik ben vergeten in welk boek ik deze tekening heb gevonden. Foto door mij.

Vandaag verschenen: Vesper

Even geen verhaal, maar een nieuwsflash:

Vandaag is mijn nieuwe poëziebundel Vesper verschenen bij Uitgeverij Atlas Contact. Best een beetje gek om een boek uit te brengen wanneer de boekhandels gesloten zijn, maar ik denk dat dit een goede tijd is om poëzie te lezen. En je lokale boekhandel te steunen! Bovendien is de bundel een reis. Door achtertuinen, vergeten rafelranden, verre oerwouden, boven- en onderwerelden. Een verplaatsing door zeeën aan ruimte en tijd, nu we allemaal in ons mandje liggen.

Nog even over het steunen van die lokale boekhandel. Als je Vesper of een andere bundel koopt in de Poëzieweek van 28 januari tot en met 3 februari, krijg je één, soms twee cadeaubundels erbij. De meeste boekhandels hebben zowel fietskoeriers als postzegels. Ga naar de website van je favoriete winkel om het uit te zoeken.

Meer info en een voorproefje lees je HIER.

Oud-Zuilen

In mijn hoofd is het een volwaardig loofbos, met hoge eiken en een oude galm, maar in de winter schrik ik steeds opnieuw van het postzegelformaat. Een bij elkaar gedreven groepje bomen dat de overgang naar het landgoed inluidt. Van een afstand is het net een ribbenkast. Erdoorheen zie je de weilanden waarlangs je even later weer zult lopen.

Ook het landgoed erachter is postzegelachtig. Wat wandelpaden, weilanden afgewisseld met strookjes boom en hobbyboerderijtjes rond een popperig kasteel. Het is een postzegel die al eeuwen bestaat en een van de weinige stukken natuur die ik met een paar minuten fietsen kan bereiken. Ik klamp me eraan vast.

Sinds deze week is het weer wat drukker. Wandelende thuiskantoren passeren, bespreken luidkeels strategieën met andere thuiskantoren. Het probleem met corona is dat het zich nestelt: in cellen natuurlijk, maar ook in hoofden van ouders, en in mijn pen. Terwijl ik er niets bijzonders over te melden heb. Ik zit nog niet in een medische molen, behoor tot het onbezonnen deel van de bevolking dat ook veel vrijheid te verliezen heeft. De eigen sterfelijkheid ervaart als licht gerommel in de verte. Zonde om daarmee het hoofd dag in dag uit te vullen.

Opeens vraag ik me af hoe het met de onderwereld gaat. Is die ook in lockdown of zijn daar nog goede feesten? Waar kun je nog strooien met biljetten als je net een bank hebt beroofd? En zijn er wel banken open om te beroven?

Ik laat het plechtige postzegelbosje achter me. Boven het weiland naast me duikt een buizerd naar omlaag. In het gras bolt hij zijn vleugels wat naar achteren, waardoor hij wat weg heeft van een kerstengel. Zijn snavel en klauwen blijken leeg.

Een paar weken terug liep ik hier met een vriendin. Een groepje blauwe reigers stond zo mooi in een cirkel in het weiland, dat ze over een laag stuk prikkeldraad stapte en erop af liep. Gewoon, om te kijken wat er zou gebeuren. Ik volgde. Al voor we in de buurt kwamen werd het geheime verbond verbroken. Haar schijnbeweging leverde ons wel iets anders op. Bij onze voeten, tussen het felgroene gras, groeiden grijze madeliefjes. Even dacht ik dat dit heel oude, verdorde madeliefjes waren, maar mijn app leerde ons over het klein mestplooirokje, een piepklein paddenstoeltje dat op mest van herbivoren groeit.

Toen we het weiland beter inspecteerden, zagen we ook overal gaten in de grond. Ik boog me voor de grap naar een gat en tot mijn verbazing werd er terug gekeken door twee zwarte kraaloogjes. Veldmuizen! Ook in andere gaten zaten ze. Ze bleven gewoon zitten terwijl we onze hoofden als zonsverduisteringen langs de gaten bewogen. Sindsdien kan ik niet meer langs dat veld lopen zonder aan de wereld van klein zoogdier eronder te denken. Muisjes die wachten tot de seizoenen verschuiven. Hopen dat geen engel ze de lucht in komt tillen.

Het centrum van dit dorpje bestaat uit een kruispunt met een gesloten hotel, een gesloten restaurant en een gesloten kerk. Naast de deur van de kerk hangt een plakkaat: ‘voormalig hervormde kerk’. Ik vraag me af welke stroming er nu dan in het kerkje huist. Erachter ga ik zitten op een stenen plateau, met uitzicht op de slangenmuur rond het kasteel. Boven me steken takken fel af tegen een blauwe lucht. De winter trekt veel lijnen, maar vult weinig op.

Over de keien langs het kasteel passeert een roze koetsje met een groot zwart paard ervoor. De koets is niet veel meer dan een plastic zeil, gespannen over een rijtuig. Meestal vind ik dit suf, net als de roze limousines die je hier soms de parkeerplaats op ziet rijden. De materialisatie van iemands bijzonderheid. Even met wat erfgoed op de foto en weer terug in je hok. Maar nu is het anders. Nu kijk ik jaloers naar het glunderende gezin dat in het koetsje passeert. Een uitstapje!

Ik sta op en slinger een stukje langs de Vecht voor ik weer langs de velden loop. Aan de overkant van de Vecht, achter de boomgaarden, zie ik het licht van weer een winterdag uitdoven in een ietwat waterige, oranje vlek. Dan word ik weer opgenomen in het postzegelbos.

Hoog tegen de stammen heeft iemand zwarte kasten gespijkerd, met het silhouet van een vleermuis erop. Opeens hoop ik vurig dat ik ooit nog aan vleermuizen kan denken zonder ook aan corona te denken. Niet omdat ik bang voor ze ben, maar omdat hun wereld me interessant lijkt en veel meer omvat dan de virussen die ze dragen. Het ontroert me ergens ook wel, die kasten, hoog boven de hoofden van de coronawandelaars.

Net voor het echt donker wordt glip ik het bos weer uit. In de verte zie ik de flats van Overvecht al gloren. Het ziet er een beetje lachwekkend uit, zulke vierkante, massieve gebouwen, met eindeloos veel raampjes. Ieder zijn eigen lockdownhok. Het laatste stuk naar mijn fiets loop ik wat steviger door, er begint een ritme in te komen. Links van me hoor ik een sliert popmuziek opstijgen vanaf de ijsbaan. Voor me het ruisen van auto’s over de ringweg, als aanspoelende golven. Mijn ontsnapping is voorbij. Ik trap me de wijk in en verdwijn weer in mijn holletje.

Kakkerlak

Eigenlijk was ik me aan het verdiepen in mieren en termieten, om meer te weten te komen over de rol van schubdieren in het ecosysteem. Maar ik ben via de termieten per ongeluk in de wereld van de kakkerlak terecht gekomen (termieten zijn er een soort zusterorde van) en het verveelt niet. Opeens begrijp ik waarom de soort zo succesvol is en men denkt dat het straks kakkerlakken zijn, die zij aan zij met ratten als overwinnaars onder de ruïnes van onze beschaving tevoorschijn zullen kruipen. En ook waarom ze zoveel walging oproepen. Ik bekijk foto’s en stel vast: ook bij mij. Kakkerlakken zijn plat, waardoor ze overal onderdoor kunnen rennen. Als je dat zou doorrekenen naar een mens: met een snelheid van 330 kilometer per uur.

Platte, snelle insecten hebben een ongunstig uitpakkende walging/verweer-ratio: het rennen maakt ze onvoorspelbaar (=eng) en het sterke platte lijf maakt ze moeilijk te vermorzelen met oude kranten of instortende beschavingen. Daarnaast leven ze verstopt in het donker, alleen, maar blijven ze wel in kleine groepen bij elkaar in de buurt. Om dan als een speciale eenheid tegelijkertijd tevoorschijn te komen en ergens op af te rennen. Wat het signaal is weet niemand. Men vermoedt (zoals altijd als het over diercommunicatie gaat die nog niet door Homo sapiens werd onderschept) dat ze bepaalde chemicaliën uitscheiden met hun speeksel en op die manier communiceren. Ik houd het op telepathie.

Tekening van een Amerikaanse kakkerlak (Periplaneta americana)

De voortplanting is al even efficiënt: “Het mannetje schuift zijn achterlijf onder de kop van het vrouwtje door en maakt zo contact.” Tijdens de paring doet het vrouwtje zich tegoed aan ‘een eiwitrijk papje’ uit het achterlijf van het mannetje. Juist. En al die metamorfosen, dat theater van verstoppen en verpoppen en uitvliegen, waar veel andere insecten hun energie aan verspillen? Doen ze niet. Zoals de meest succesvolle soorten op aarde in termen van voortplanting, zijn ze levendbarend, wat bijzonder is voor een insect. Uit de eieren komt een kant en klaar nimfje. Sterven veel insecten al na een paar weken; een kakkerlak wordt rustig een paar jaar oud. Had ik al verteld dat sommige soorten hard kunnen sissen?

Maar hoe moet dat dan, je weet wel, straks, wanneer wij niet meer bestaan, de wereld een nucleaire afvalberg is geworden en nergens meer iets te eten is? Want ook rennende sissende geleedpotigen moeten toch eten? Kakkerlakken kunnen tot veertig dagen zonder. Een Bijbels getal, en dat voor de Apocalyps op stekelpootjes. En wat eten de meeste soorten dan? Alles. Gewoon, wat wij zoal eten. Plus boeken. Ik geloof dat ik me alvast gewonnen geef.

Vuurkonijn

Ik ben een vuurkonijn. Dat kan ik uitleggen. Ik ben een konijn in de Chinese dierenriem en het jaar 1987 brengt mij het element vuur. Niemand associeert knaagdieren met vurigheid en omdat ik een zwak heb voor tegenstrijdige dieren, ben ik zeer content met dit sterrenbeest. Ze durven meer dan andere konijnen, maar het vuur heeft ook een schaduwzijde. Het vuurkonijn heeft de neiging projecten niet af te maken, lees ik op fengshuiweb.com. Slik.

Ze bestaan trouwens ook echt, diep in een oerwoud op de grens van Laos en Vietnam. In 1996 treft de Britse bioloog Rob Timmins vreemde vachten op een markt in Laos. Roodbruin, met zwarte strepen. Korte pootjes, korte oren, maar overduidelijk Lagomorpha; lid van de orde der haasachtigen. Pas negen jaar later weet een westerse wetenschapper er eentje te vangen. Op een foto staat de Britse biologiestudente Sarah Woodfin, in grijswitte fleecetrui in een nachtelijk oerwoud, het vuurkonijn in haar armen. Als deze foto niet ‘s nachts was genomen en niet in een oerwoud, was dit gewoon een vrouw met een hobbydier. Maar ze maakte onderdeel uit van een bijzondere expeditie. Binnen drie maanden moest het konijn gevonden zijn. Op dag één houdt ze het dier al in haar armen. Omdat ze vroeger zelf konijnen had, wist ze precies hoe ze het dier moest oppakken.

De Britse Sarah Woodfin vangt als eerste westerse wetenschapper een Annamitisch gestreept konijn, in 2005.

Konijnen leven niet s’ nachts en al helemaal niet in oerwouden. Maar dit is het Annamitisch gestreept konijn, de Negolasus timminsi; een anomalie in de natuur. Althans, Sumatra heeft er ook eentje. Maar die heeft minder strepen op zijn snuit, waardoor hij er aanzienlijk minder gevaarlijk uitziet. Erger nog: de strepen zitten vooral op de rug, alsof hij in een tuigje zit. Niet het effect dat je zoekt als mysteriekonijn dat zich tot voor kort aan de mensheid wist te onttrekken. Het zijn de enige gestreepte wilde konijnen ter wereld, de enige ‘s nachts levende konijnen en de enige oerwoudkonijnen. Tussen de Annamitische en de Sumatraanse versie zit tweeduizend kilometer. Tussen nu en hun gemeenschappelijke voorouder vermoedelijk zo’n acht miljoen jaar.

Hoewel pas recent door westerse wetenschappers onderzocht en beschreven, zijn ze – verrassing – alweer bijna uitgestorven. Misschien is het tijd om in actie te komen. Wie wil er nu leven in een wereld zonder vuurkonijnen? Hun tijgerachtige vacht en rode ogen maakt ze tot een prachtig vonkje in de junglenacht. Als iedereen geboren in 1987 nu eens een donatie doet voor de vuurkonijnen. Dan kunnen andere mensen, die daar wél toe in staat zijn, hun projecten afmaken.

P.S. Als je de vuurkonijnen wilt helpen, kun je net als ik een donatie doen aan het Saola Conservation Fund, mede opgericht door Rob Timmins. De saola (‘de Vietnamese eenhoorn’) is een hertachtig hoefdier dat ook pas in de jaren negentig werd beschreven en ‘vlaggenschip’ is voor de bescherming van de bijzondere maar kwetsbare fauna van het Annamitisch gebergte. Over eenhoorns in het algemeen en de saola in het bijzonder een volgende keer.

Ademgaten

Als ik een pad zie, zie ik een wak in het marmer van de nacht. Het komt door Dick Hillenius, bioloog en dichter (29 mei 1927 – 4 mei 1987). Jaren geleden kwam ik bij een antiquair het boekje Ademgaten tegen, een greep uit zijn essays en gedichten. De ondertitel: Denken over dieren. Het was genoeg om het mee te nemen.

Het werd mijn eerste kennismaking met een schrijver die niet over dieren schreef alsof het Disneyfiguren waren. Of die ze tweedimensionaal door de achtergrond liet kruipen ter illustratie van de eigen zielenroerselen. Als kind al stoorde ik me aan die debilisering van niet-menselijke dieren. ‘De natuur’ leek me geen domein vol wezens die ik met een halve blik kon doorgronden. Eerder een mysterieus soort thuis waarvan ik ooit was afgesneden. De wil mijn relatie hiermee te doorgronden, houdt me nog altijd aan het lezen. Een positieve uitzondering op het guitige gedoe dat ik vroeger voor de kiezen kreeg, vormden de verhalen van Anton Koolhaas. En nu had ik de essays en gedichten van Dick Hillenius.

Wat me trof was zijn vermogen dwars door disciplinegrenzen heen te denken. En daar een helder geheel van te maken, waarbij kunst en wetenschap elkaar versterken. Hij werkte als conservator reptielen en amfibieën aan het Zoölogisch Museum van de UvA, maar schitterde vooral als schrijver. En als de eerste Nederlandse tv-bioloog. Op Youtube staat precies één filmpje, waarin hij met behulp van tekeningetjes laat zien hoe de mens door gebrek aan uitdagingen zal evolueren tot druppelvormige zak, zonder ogen of ledematen. Ongeveer zoals het krabbezakje, een rond soort parasiet aan de buik van krabben.

Hillenius1970

Dick Hillenius als conservator reptielen en amfibieën in het Zoölogisch Museum van de UvA, 1970.

Glimmende oogjes, brede mond. Op foto’s zie je zijn kikkerziel doorschemeren. Als een amfibie begaf hij zich in meerdere werelden tegelijk, met vrijheid en veranderlijkheid als grootste waarden. Natuurlijk was hij in de ban van amfibieën. Twee evolutionaire stadia in één dier. Ovidius voor gevorderden.

Daar zitten ze, met gouden ogen aan de waterkant. Probeer je er eentje op te pakken, dan springt ie zo een meter verder. Zonder een spier in z’n kop te vertrekken. Ook Dick verdween helaas nogal plotseling uit beeld. Vlak voor zijn zestigste verjaardag overleed hij, op weg naar zijn boerderij in Drenthe, waar hij in de weekenden werkte aan de perfecte paddenpoel. Een Spaanse vroedmeesterpad kreeg zijn naam: Alytes dickhilleni.

Een gedicht uit die verzamelbundel dat me altijd is bijgebleven:

Padden zijn de tanden van de tijd
zwarte tranen van stenen
nachtogen op zachte voeten
wakken in het marmer van de nacht
een pad is voor de aarde
wat een blad is voor de plant
een ademhand

 

Weerhuisje

Begin april, zomers warm, de vogels fluiten en ik verdwijn in de Heuvelrug. Wat heb ik dit gemist. Voor corona liep ik bijna elke maandag door een ander natuurgebied. Het bos is voor mij geen plek van recreatie, geen plek om bij te praten. Het is de plek waar ik weer een mens met benen en een ritme word. Bij elke stap vliegt er meer troep mijn hoofd uit, ontwaken mijn zintuigen, krijgt elke ritseling in een bladerkroon betekenis. Er zit iets tijdloos in, iets vrij van eeuwen. Ik ben iets op het spoor, al weet ik vaak niet wat.

Net als de rest van de wereld lijk ik de laatste weken op een poppetje in een weerhuisje van Tik Tak, dat Belgische peuterprogramma. Voordeurtje opent – vrouwtje doet boodschappen – achterdeurtje opent – mannetje met gieter komt naar buiten. Het debiele muziekje moet je er zelf bij bedenken. Maar meestal blijft het deurtje dicht. Nu ben ik eindelijk uit mijn weerhuisje gebroken.

Ik kom langs Huis te Maarn. Het heeft iets onheilspellends, zo’n spierwit neoclassicistisch bouwwerk aan de voet van een heideveld. Een verlaten landgoed ervoor, met in druppelvorm gesnoeide heggen onder een strakblauwe lucht. Alsof ik de set van de Wizard of Oz ben opgelopen en iemand op play heeft gedrukt voor de vogels. Snel verdwijn ik weer het grillige bos in, waar ik voor mijn gevoel meer invloed heb op het script.

2020-04-06 15.48.25

De route die ik van internet heb geplukt blijkt een schot in de roos. Ik ben geen mens tegengekomen, op twee kinderen na. Ze werden bestuurd door een grote zwarte hond, toen ik passeerde werd het jongetje bijna een arm uitgerukt. Er zijn hier ook geen routepaaltjes of paddenstoelen, ik heb alleen een papiertje en ik moet bij zandbulten rechts, bij puntvormige jonge sparrenbosjes links en zo navigeer ik mezelf weg van de wereld en ook juist naar de wereld toe.

Bij het volgende heideveldje blijf ik even staan. Iemand heeft hier het verhaal van de levendbarende hagedis op een boom geplakt. Een foto erboven van een monter reptiel tussen de roze bloemetjes, zijn kleine vingers gespreid. Mij ontroeren zulke dingen. Ze hebben een sympathieke foto uitgezocht. Ik lees dat de levendbarende hagedis zich via lijnvormige elementen door het landschap beweegt en ik begrijp dat wij niet zoveel van elkaar verschillen, de levendbarende hagedis en ik.

Tiektiektiek! Iets maakt zich druk. Komt mijn verrekijker toch nog van pas. In de top van een dode zomereik zit een zwart vogeltje met oranje borst. Google leert mij dat het een roodborsttapuit (m) is, die net is teruggekeerd van zijn verblijf aan de middellandse zee. Dat zijn geluid klinkt als ketsende kiezels. Dat hij vanaf hoge punten in droge gebieden zijn territorium overziet. Het klopt allemaal. En zo leer ik van elke wandeling wel iets.

20200406_172711

De warmte, het volle namiddaglicht; het voelt alsof ik door een reusachtige hand ben opgetild toen ik nog in winterslaap was en twee seizoenen verderop weer ben neergezet. De winter alleen nog een vage herinnering aan een periode die lang zou duren, maar plotseling voorbij was.

Via een houten klaphek val ik via een park weer een woonwijk binnen. Het allerlaatste stukje nu. Ook hier is het vreemd. Perfecte lentetuintjes, weinig mensen; zo anders dan een gewone zonnige maandag in de lente is het niet. En toch. Alsof ik hier niet mag lopen. Alsof er uit dat kitscherige raadhuis elk moment een boze vorst kan stormen. Alles doe ik in zijn ogen verkeerd, om te beginnen: bestaan. Het bos voelt een stuk normaler, misschien omdat elk mens je confronteert met jezelf. En waar huizen groeien, groeien ziektes en argwaan. Misschien ben ik in een vorig leven een golden retriever geweest. Het is niet de hondensoort die ik zelf zou hebben uitgekozen, maar soms sluit ik mijn ogen en kijk ik door de ogen van een grote goudkleurige hond. Ik ren door een tuin en kwijl alle bloemen onder.

Project Hildegard

Vorige week woonde ik vijf dagen in de woonwagen van Opium Atelier, pal naast de ingang van het AVROTROS-gebouw. Ik ging erin met een stapel boeken van (en over) Hildegard von Bingen, de twaalfde eeuwse mystica, met als doel er na vijf dagen uit te komen met een gedichtenreeks. Je leest het goed: Hildegard von Bingen op het Mediapark. Hoe dat verliep kun je in woord, beeld en radiofragmenten hier terugvinden. (De uiteindelijke voordracht vind je alleen in de Opium radio-uitzending van 21 februari op ongeveer 1/3).

opiumatelier2