Moestuin jaaroverzicht 2021

Het is nu precies een jaar sinds we een paradijsje aan de Vecht in beheer kregen, onder de rook van Slot Zuylen. Ik heb het afgelopen jaar veel foto’s gemaakt, genoeg voor een jaaroverzicht per maand. Zo weinig mogelijk close ups van oogst of van avonden met vuur en vrienden (want de tuin werd mijn favoriete afspreekplek), zoveel mogelijk overzichtsfoto’s. Zodat je het ziet: een zwarte lap die in april en mei maar niet echt wat wil worden. Kleine groene plantjes met veel zand ertussen. Wat in de lucht schiet is vooral heermoes en paardenbloem. Maar dan, ergens in juni, gebeurt het. Het wachten eindigt en het kijken begint. Eerst de lilakleurige phacelia, die de tuin in een zoemende zee verandert. Vanaf juli ook andere bloemen en vanaf augustus is de tuin een oerwoud van groenten en bloemen, waartussen je zelf steeds kleiner wordt. En dan het langzame verval, heel langzaam, tot diep in december. In november bloeien zonnehoed en goudsbloem door, als kleine herfstlichtjes onder een grijze hemel en wintergewassen als knoflook en rammenas komen goed op gang.

Afgelopen nacht was het wormmaan, zoals de volle maan in maart ook wel wordt genoemd, naar de tijd dat de zon de regenwormen naar boven lokt. Ze waren er volop vandaag, de pieren, en ik moest moeite doen ze bij het spitten niet in tweeën te hakken. Uien, bieten, bloemen en dille heb ik gezaaid. Op een zwarte lap waarop het de komende maanden weer een race wordt tussen de ontkiemde groenteplantjes en minder gewenste planten. Ik zal proberen de strijd in het voordeel van de groenteplantjes te beslechten, maar heel veel wieden ga ik niet. Als ik het eerste jaar íets geleerd heb, is het: veel zaaien en veel geduld hebben, voor de rest een beetje aanmoedigen. Niet meer dan 20% ‘terugduwen’. En typisch Nederlandse gewoontes proberen af te leren, zoals constant snoeien, opruimen en rare dingen met de grond doen. Die rivierklei is vruchtbaar zat van zichzelf. Maar toch was het vandaag even slikken toen ik in de tuin kwam. Ik begin écht weer van voor af aan. Elke meter met een klein schepje loswoelen. Er zijn vast efficiëntere methodes, maar het voordeel is dat je zo alle regenwormen persoonlijk kan begroeten. Je moet er toch opnieuw weer een beetje een relatie mee opbouwen, met die grond. Dit jaaroverzicht geeft me vertrouwen: de tijd van overvloed komt terug. Heus.

Maart

De grond was keurig voor ons gefreesd toen we de tuin kregen, maar omdat het zaaigoed in de vensterbank zo langzaam ging, hebben we te lang gewacht en was het eind april weer dicht gegroeid.

Begin mei

Hulp van twee lieve moestuinpro’s (Dirk en Heike): rekken voor de bonen en pootaardappels in de grond. Ook hebben we de tuin (met loeizware tuintegels die mijn zus nog over had) verdeeld in twee delen: Alexis links van de tegels, ik rechts. Kunnen we zonder overleg onze eigen landbouwfilosofietjes praktiseren. Werkt uitstekend.

Eind mei

Het begint langzaam wat te worden, maar nog lang niet overal. Op de voorgrond meiraap, op de achtergrond de appelboom in de bloesem. De thuis gekweekte kolenplantjes gaan in de tunnel, maar een deel plant ik erbuiten om het verschil te onderzoeken.

Juni

De oost-indische kers en de phacelia beginnen te bloeien. De bonenplanten klimmen.

Nog een tweede foto van juni: mediteren in een wolk van phacelia tussen de zoemende bijtjes.

Juli

De phacelia is grotendeels uitgebloeid, maar andere bloemen schieten de lucht in.

De kolenplanten beginnen de tunnel goed op te vullen. Die erbuiten gaan langzamer. Waarschijnlijk houdt het worteldoek meer warmte vast. Het groene net heeft niet zoveel invloed. Beestjes nemen af en toe een hapje buitenblad en dat vind ik prima.

Hangmat tussen appelboom en walnotenboom gespannen. Precies tien minuten in gelegen.

Eind augustus

Augustus was toch wel de mooist maand. Er viel veel te oogsten, van bonen tot aardappels en van komkommers tot koolrabi. En de roze cosmea groeide tot de hemel. Memorabel was het guerilla kampeerfeestje in de boomgaard. In slaap vallen in een hangmat (de rest in tenten op het gras) terwijl de bosuilen roepen en je nagloeit van vuur en whisky.

Oké sorry toch een oogstfoto dan: spitskool! Een mooi moment om dank uit te spreken, want zonder ‘a little help from my friends’ had het moestuinjaar er anders uitgezien. Bij overplanten van vensterbank naar volle grond ging er in die koude april- en meimaand veel verloren. Regelmatig kwamen vrienden en kennissen met leuke stekjes aanzetten, zoals courgette en komkommer. Spitskool en rodekool kreeg ik van een b&b-eigenaar.

Eind september

In september is de tuin nog steeds mooi, maar lonkt een en ander al naar de grond. Neefje en nichtje helpen met het uitgraven van de wortels die zich hebben vastgezogen in de klei. Kleigrond en wortels blijken geen goede combinatie.

We ontdekken zo’n 40 kilo druiven langs de schutting, aan het zicht onttrokken door blad. Sap en jam gemaakt. Wat een gedoe, wat een bende. Alles door een vergiet gedrukt. De jam was wel de moeite waard.

November

We kijken naar het roestkleurige verval onder dat vreemde novemberlicht. De knoflook en de winterrammenas groeien goed (zwarte radijs). We eten er nu nog van.

December

Bijna alles is nu dood, maar we ruimen zo min mogelijk op om de grond een beetje bedekt te houden.

Januari

We doen gewoon alsof het zomer is en vieren het nieuwe jaar met bladerdeeg op een stokkie, yuleblokken verbranden (en in Gina’s geval ook kerstkaarten) en een duik in de Vecht.

Maart 2022

Ennn alles begint weer opnieuw! Hier en daar fleuren narcissen de boel wat op. Het was vandaag zo warm dat ik in een t-shirtje zat te werken. Vorig jaar was de lente koud, dit jaar begint hij al warm. 2022 zou weleens een heel ander moestuinjaar kunnen worden. Ik ben benieuwd. In de vensterbank staan cosmea en koolrabi al te trappelen. Dit jaar ga ik ook wat meerjarige planten proberen, zoals kardoen (een hoge distelachtige plant die lijkt op artisjok). En ik ben bezig met de aanleg van een kruidentuin.

Van oude dingen (de schubdieren die voorbijgaan)

Het is op World Pangolin Day misschien logischer aandacht te vragen voor de schubdieren die nog onder ons zijn. Toch laten juist de uitgestorven schubdiersoorten zien hoe absurd het is: een zoogdierenorde die al tientallen miljoenen jaren lang de aarde bewoont, die sinds een jaar of tien opeens richting uitsterving wordt geduwd. Vele fauna’s kwamen en vele fauna’s gingen, maar de Orde der Pholidota bleef in vrij ongewijzigde vorm bestaan. Hoe de evolutie van deze orde precies is verlopen, weten we niet. Het beschrijven van een paar fossielen is niet meer dan het tonen van wat foto’s op een onzichtbare eeuwigheid. En het fossielenbestand van schubdieren is ook nog eens beperkt. Opgravingen van oude zoogdiersoorten moeten het vaak hebben van tanden; die blijven goed bewaard. Laten schubdieren die nu niet hebben. Dat er in de twintigste en eenentwintigste eeuw überhaupt nog wat mooie fossielen uit de aarde omhoog zijn gekomen, mag een wonder heten.

Ik ga mijn best doen beknopt te blijven. Als je meer wilt weten over de evolutie van schubdieren, kun je straks ‘Een verhaal met schubben’ lezen. Dat boek bevat mijn jarenlange zoektocht naar schubdieren in het wild en in verhalen. Het is een duik in de zoölogie, geschiedenis, antropologie en illegale wildhandel, gedreven door een liefde voor het vreemdste en meest bedreigde dier op aarde. Afijn, ik presenteer u: mijn favoriete schubdieren die ooit waren. Met op het eind twee schubdieren die ‘zouden kunnen’, omdat cryptozoölogie en science fiction te leuk is om achterwege te laten. We beginnen bij het oudste fossiel.

Interpretatie van Eomanis waldi, bron: Wiki. Informatie over Eomanis waldi en het Messelmeer op basis van interviews die ik afnam bij het Senckenberg Instituut in Frankfurt, waar paleontologen nog altijd werken aan het ontsluiten en interpreteren van de Messelfossielen.

1. Eomanis waldi: gevallen in een meertje in een Duits oerwoud
Dit ‘dageraad-schubdier’ liep zo’n 47 miljoen jaar geleden rond door een oerwoud in het midden van Duitsland, in de buurt van waar nu de stad Frankfurt ligt. Daar dronk het uit een klein bosmeer. En terwijl het schubdier dronk, zochten verderop langs de oever verre verwanten van de moderne egel naar dode vissen. Aan de overkant van het meer sprongen op maki’s lijken halfapen van tak naar tak en plukten pluizige eekhoornachtige diertjes noten uit bomen. Het dageraad-schubdier keerde niet terug naar zijn hol, maar kwam in de jaren zeventig van de twintigste eeuw weer boven de grond, op een plek waar het inmiddels gemiddeld tien graden kouder was en waar geen oerwoud meer groeide.

Als iemand met een tijdmachine tegen me zegt dat ik nu (nú!) een tijd moet roepen, hoop ik dat ik niet ‘middeleeuwen’ zeg (ook een kanshebber), maar ‘Midden-Eoceen’. De wereld was toen één groot dampend oerwoud vol toffe zoogdieren. Het verdwijnen van de grote landdino’s had ruimte gegeven aan een ware boom van levendbarende dieren, waarvan de meeste wel wat lijken op de dieren van nu, maar ook weer niet. Alsof een schepper met een andere artistieke visie dezelfde opdracht had gekregen. Een van de uitzonderingen vormt het dageraad-schubdier. Dat lijkt qua omvang behoorlijk op de boomschubdieren van nu, maar met een kleinere staart; een aanwijzing dat het waarschijnlijk niet in bomen klom.

Bijna alles wat we weten over de flora en fauna van Europa in die periode, is met dank aan dat oerwoudmeertje waar Eomanis uit dronk. Wat later een steengroeve werd bij Messel, was ooit een vulkanisch meer, dat dieren prachtig heeft toegedekt met een conserverende laag CO2. Vraag niet aan een paleontoloog hoe die dieren precies in dat meer terecht zijn gekomen, want van dat vraagstuk ligt die beroepsgroep nog altijd wakker. Ondertussen zijn wij dankbaar voor de schatten van Messel. Voor bladeren etende oerpaardjes, aasetende egels, aapje Ida (één van de meest complete primatenfossielen ooit gevonden) en het Schubdier van de Dageraad.

Interpretatie van Patriomanis americana door Julia Morgan Scott.

2. Patriomanis americana: ‘schubdiervader’ uit Amerika
Het oudste schubdierfossiel dat werd gevonden in Noord-Amerika, kwam in 1970 boven de grond in Montana. Het is zo’n 34 miljoen jaar oud en er werden zes exemplaren gevonden. Het Amerikaanse schubdier is ietsje groter dan Eomanis en heeft een langere staart. Anders dan Eomanis klom Patriomanis dus mogelijk wel in bomen. Klinkt wel heel erg als het Javaanse schubdier. Niets meer aan doen, evolutie. Alleen nog even met genetisch materiaal knoeien en herintroduceren in Montana.

3. Cryptomanis gobiensis: verborgen steppebeest
Uit ongeveer dezelfde periode stamt het oudst bekende Aziatische schubdierfossiel, uit het gebied dat nu Mongolië is: Cryptomanis gobiensis. Dit ‘verborgen schubdier’ dankt zijn naam niet aan het feit dat het tientallen miljoenen jaren na zijn dood pas weer tevoorschijn kwam. Nee, het lag negentig jaar lang verstopt in een lade van het American Museum of Natural History in New York, mogelijk zoekgeraakt tussen de andere natuurwonderen. Dat kun je ook een manier van opgraven noemen. In 2006 werd het alsnog benoemd en beschreven. Cryptomanis is weer wat groter dan Patriomanis, maar met een kortere staart en juist grotere klauwen. Hij echoot daarmee de bredere bouw en de graafkunst van het huidige Chinese en Indiase schubdier.

Manis paleojavanica, bron: TroodonVet op Twitter.

4. Manis paleonjavanica: een schubdier om tegenop te kijken
Ik maak nu een sprong van 40 miljoen jaar geleden naar 40.000 jaar geleden. Daar heb ik een goede reden voor. Ik kan niet alle schubdierfossielen bespreken en dit is toch wel het coolste schubdierfossiel ooit gevonden. Op Java werden in 1926 de resten van een schubdier gevonden dat 47 a 42.000 jaar oud is en zo’n 2,5 meter groot! Manis paleojavanica was dus groter dan de mensen die daar toen rondliepen. Het is verleidelijk gelijk aan reuzen- en dwerggroei op eilanden te denken, zoals de reuzenvaranen en de inmiddels uitgestorven dwergolifantjes in diezelfde contreien. Maar tot aan de laatste ijstijd waren Sumatra, Java en Bali met elkaar verbonden. Dit reuzenschubdier liep dus niet rond op een eiland. Intussen vraag ik me af hoeveel mieren en termieten Manis paleojavanica per nacht moest oplikken om in leven te blijven. Extra leuk: in de Javaanse kunst- en literatuurgeschiedenis duiken regelmatig schubdieren op. Zo komt er een schubdier voor in Kakawin Ramayana; de Oud-Javaanse versie van het populaire epische hindoe-gedicht. Het schubdier is koning Rama steeds te slim af en kan uitstekend slangen verjagen.

De Veo via thecreaturecodex.tumblr.com.

5. Veo: mythe gestoeld in werkelijkheid?
We blijven nog even in Indonesië. Misschien is de Manis paleojavanica pas veel later uitgestorven dan we dachten. Cryptozoöloog Karl Shuker schrijft in zijn vermakelijke encyclopedie ‘The beasts that hide from man’ over de Veo. De Veo is een soort schubdier, nog groter dan een paard, en leeft op het eilandje Rinca naast Flores. Het dier komt ‘s nachts vanuit het binnenland naar de kust om te baden en hoewel hij er gevaarlijk uitziet, voedt hij zich met insecten. Is deze mythe het resultaat van een orale traditie die herinneringen tot duizenden jaren terug in zich draagt, tot aan de tijd van Manis Paleojavanica? Hoewel schubdieren graag een modderbad nemen en soms een rivier oversteken, zijn er geen schubdieren bekend die in zee zwemmen. Bovendien liggen Flores, Komodo en Rinca aan de oostkant van de diepe zeestraat bij Lombok, waardoor die eilanden nooit verbonden waren met het Euraziatische continent en dus meer een ‘pacifische’ fauna en flora kennen. Ook in deze tijd komen er geen schubdieren voor op Rinca. Het maakt me nog nieuwsgieriger naar de oorsprong van deze mythe.

Geweldige tekening van Angela Liu via x-breeder.com, het erbij bedachte verhaal hieronder door moi.

6. Gevleugeld reuzenschubdier: de schrik van elke virusjager
Dit schubdier werd pas in het voorjaar van 2020 ontdekt, toen virusjagers op zoek gingen naar de natuurlijke oorsprong van SARS-CoV-2. De ontdekking leidde wereldwijd tot grote paniek. Met dit ‘superreservoir’ voor coronavirussen zouden vleermuizen niet eens meer een ‘tussendier’ nodig hebben voor de overdracht van nieuwe pathogenen op mensen. Als dit dier geen rol gespeeld zou hebben in het ontstaan van de pandemie, dan was het in ieder geval een kwestie van tijd voor dit dier SARS-CoV-3 of SARS-CoV-4 de mensenwereld in zou brengen. Na vergeefse pogingen een exemplaar te vangen en te testen op de aanwezigheid van coronavirussen, werd door de presidenten Xi Jinping en Donald Trump gezamenlijk opgeroepen tot uitroeiing van de soort. Wat er zou gebeuren als de dieren met rust gelaten zouden worden, vroeg niemand zich af. Aangezien gevleugelde reuzenschubdieren het grootste deel van hun tijd doorbrengen in grotten, slopen een paar dappere individuen uit het Chinese team naar binnen en ontstoken daar vuren, om ze naar buiten te jagen en te vangen in grote netten. Het eerste deel van de operatie verliep volgens plan, maar de netten konden niet op tijd op de juiste plek in positie worden gebracht, omdat het Chinese team het niet eens kon worden met het Amerikaanse team over de beste vangtechniek. De gevleugelde reuzenschubdieren ontsnapten en vlogen richting het noordoosten. Sindsdien houden ze zich schuil op het dak van het Wuhan Institute of Virology en zinnen ze op wraak.

///

Hier lees je mijn blog van vorig jaar op World Pangolin Day, over de eerste westerse beschrijvingen van schubdieren.

Choreografie met een gevlamde fijnstraal

Of: Een nacht achter de Dom

Afgelopen herfst schreef ik voor het Monumentenfonds van het K.F. Hein Fonds een verhaal geïnspireerd door het pand Achter de Dom 14, dat in hun beheer is en waar ooit o.m. het hoofdpostkantoor van Utrecht en drie musea gevestigd zaten. Omdat het pand toen nog leeg stond (nu zit Het Literatuurhuis er) besloten Alexis en ik er een nachtje te kamperen. Het werd een essay over de fysieke vs. de literaire ruimte, met een belangrijke bijrol voor postkantorenarchitectuur. Ons avontuur leverde ook een dansvideo op, die ik ertussen heb geplakt. Het nummer waarop ik dans in de lokettenzaal is Little Blue Mailbox van Fink.

///

Luide stemmen stapelen zich op tussen toren en gevels. Het is vrijdagavond en ik loop langs de terrassen die in een halve cirkel rond de Domtoren liggen. Op driehoog zie ik iemand vanuit zijn vissenkom naar beneden staren. Ik hoop maar dat de ramen dubbel glas hebben. Hele weekenden torent hij boven het lawaai uit, als een koning boven een feestende menigte. Het hoort bij deze plek. Sinds de elfde eeuw worden hier kermissen gehouden.

Voorbij het plein duik ik de straat achter de Domkerk in en sta voor de grijze, hardstenen gevel van nummer 14. De stilte die hier hangt is weldadig, nog geen dertig stappen bij de kermis vandaan. In 1924 verzuchtte een journalist dat het nu zo stil was, waar eerst de halve stad had gelopen. Voordat het iconische pand op de Neude verrees, zat hier het hoofdpostkantoor van Utrecht. Later zaten er onder meer drie musea en een instituut voor architectuur. Nu staat het grootste deel van de begane grond leeg. Dat is precies de reden waarom ik gevraagd heb of ik hier een nacht mag kamperen. Ik wil weten of er iets van al die duizenden handgeschreven brieven, al die opgehangen en weer afgevoerde kunst, al die begeestering, is blijven hangen in de muren. Bovendien heb ik een chronisch tekort aan lege ruimtes in mijn leven. Ruimtes waarin je op een grote kale vloer kunt gaan zitten, waarin je kunt denken en dansen zonder obstakels.

Als ik de brede voordeur voorzichtig openduw, tref ik het pand stil en schemerig. Via de hal loop ik naar het leegstaande deel van de begane grond. Ik passeer de deur naar designbureau Kummer & Herrman, waar de lichtzoete geur van water met komkommer hangt. Verzin ik die geur vanwege de naam of hangt de geur er echt? Pas als ik de volgende deur open, een deur van glas, kom ik in mijn domein voor de nacht.

Nadat ik alle lichtknoppen heb gevonden en ingedrukt, doe ik de helft weer uit. Onder tl-balken heb ik te veel jaren moeten doorbrengen en straks als het donker wordt ontsteek ik kaarsen. De ruimte bestaat uit de voormalige lokettenzaal, twee grotere zalen, twee zijkamers en een leeg keukentje. Witte luiken voor de ramen, daarachter een verwilderd binnentuintje. Ik baken mijn territorium af door een rondje langs de muren te maken. Alexis, mijn geliefde, komt pas later. De binnentuin roept.

Vingers van klimop tasten over de tegels en de hoeken zijn volledig overwoekerd. Mijn app stelt me voor aan de Canadese of gevlamde fijnstraal. Lange, onopvallende stengels met wat mottige pluisjes bovenop. Veelvoorkomend stadsonkruid met een magische naam. Ik vind het prettig om precies even lang te zijn als een bloem of plant. Doodstil ga ik op drie centimeter afstand van een fijnstraal staan die precies mijn lengte heeft. In tegenstelling tot de fijnstraal wieg ik niet zachtjes mee op de wind. De tuin is ommuurd, erachter loopt een ijzeren brandtrap langs andere ommuurde tuinen. Een duif vliegt op.

Binnen draai ik een paar rondjes om mijn as, mijn armen afwisselend gebogen voor me en gestrekt. Waarom vind ik het zo fijn om door lege ruimtes te bewegen? Misschien is het omdat er geen materie aan me trekt, geen objecten erom smeken gebruikt te worden. Hier kan ik zelf mijn houding bepalen, kent mijn lijf nog geen uitgesleten routes.

Deze ruimte, die ooit de lokettenzaal voor heel Utrecht was, is nauwelijks groter dan een studentenkamer. Toch schijnt men hier tien rijen dik te hebben gestaan, wachtend met enveloppen. Met mijn ogen gesloten probeer ik me honderd jaar terug in de tijd te denken. Mijn voeten laat ik over de diepst uitgesleten plekken van de zwart-witte marmeren vloer glijden, voel het gewicht van de stad. In de consoles van de gele balken zijn een posthoorn, een stempel en een treinwiel met vleugels uitgesneden.

Geen wonder dat dit pand in de jaren twintig te krap werd. De komst van telefonie vroeg om grotere ruimtes. In de steden verrezen modernistische hallen met art deco-elementen. Ware communicatiekathedralen, waarvan Utrecht de mooiste had. Eindeloos veel kabels moesten erin passen en mensen aan lange tafels, die de gesprekken over die kabels verdeelden.

Heathcliff, it’s me, I’m Cathy, I’ve come home
I’m so co-ho-ho-hold, let me in your windoho-hoooow!

Alexis springt op en neer in de ruimte met de luiken. De fijnstralen in de donkere binnentuin erachter worden groen beschenen door het brandganglicht. Hij gooit zijn armen omhoog en zijn spiegelbeeld danst mee in het raam. De soepelheid van Kate Bush ontbreekt, maar de intentie is er. In alle hoeken van de ruimtes wakkert nu een vlammetje van een waxinelichtje. Zelf zit ik hijgend op de grond, in kleermakerszit bij te komen van deze energetische opleving. Vóór het Kate Bush-uur, dansten we op liedjes over brieven en postbodes. ‘Signed, sealed delivered (I’m yours)’ van Stevie Wonder natuurlijk, maar ook ‘Little Blue Mailbox’ van Fink bleek goed dansbaar.

Als ik een maand niet heb gedanst, gaan mijn schoudervleugels zeuren, alsof ik te lang aan de grond heb gestaan. Dansen voelt soms als meer dan bewegen, als communiceren in een andere taal. Misschien dat postkantoren en dansen daarom zo goed samengaan. Om goed te kunnen dansen heb je grote lege ruimtes nodig, maar wie kan zo’n ruimte betalen met een grondprijs van 4000 euro per vierkante meter? Er zou een club moeten zijn die ruimtes tijdelijk beschikbaar stelt aan inwoners van de stad. Kerkzalen, archieven en magazijnen. Zelfs kantoren in monumenten zouden na sluitingstijd een oogje dicht kunnen knijpen. En oude postkantoren natuurlijk. Geen discotheeksfeer, geen drank, geen gepraat; zwijgend dansen en weer naar huis.



Het postkantoor dat hier heeft gezeten, was nog van de bescheiden, geïmproviseerde soort. Daarna pakten architecten pas echt uit, met art deco-paleizen vol pompeuze sculpturen die de vooruitgang en verbroedering der gehele wereld moesten uitstralen. Naast de indrukwekkende bakstenen bogen zie je in het oude postkantoor op de Neude nog steeds het hardstenen beeldhouwwerk van Hendrik van den Eijnde, met figuren die verschillende continenten en handel en welvaart verbeelden.

Maar ook eind negentiende eeuw werden er al extravagante postkantoren gebouwd, die doen vermoeden dat de architect de opdracht verkeerd begrepen had. De vele postkantoren van Rijksbouwmeester Cornelis Peters, met torens, pinakels en sierbogen, werden soms smalend ‘postkantorengotiek’ genoemd en de vrouwen van postdirecteuren klaagden dat ze hun reusachtige ambtswoning nauwelijks schoon konden houden. De gebouwen mochten best mooi worden, maar het bleven wel de posterijen; het bleef wel Nederland. Er kwamen richtlijnen voor de bouw, die architecten als Peters vervolgens aan hun laars lapten. Veelzeggend is het dat Peters een telefoontoren ontwierp voor het postkantoor in Uitgeest, toen de telefonie daar nog geen intrede had gedaan. De architectuur liep enthousiast op de technologische ontwikkelingen vooruit.

Charlotte Van den Broeck schrijft in Waagstukken, een essaybundel over tragische architectenlevens, over Gaston Eysselinck, die rond 1950 de Grote Post in Oostende mocht ontwerpen en eindeloos veel beelden en reliëfs liet maken. Hoewel het gebouw van buiten Le Corbusier-achtig oogt, leidde ook deze opdracht tot overdaad. Op het laatst lag hij zo in de clinch met zijn opdrachtgevers, dat hem de toegang tot de bouwwerf werd ontzegd. Het werd zijn laatste gebouw. Een postkantoor wordt nu eenmaal nooit een paleis, een schouwburg of een museum. Behalve dan Achter de Dom in Utrecht. Hoewel het nooit als postkantoor is ontworpen, heeft hier later Museum Speelklok en het Museum voor Hedendaagse Kunst gezeten, dat eind jaren tachtig is opgegaan in het Centraal Museum.

We zijn gestopt met dansen en draaien nu klassieke muziek. Ik ga op de vloer zitten en klap mijn laptop open. Op de website van het Utrechts Archief zoek ik op het gebouw, om een indruk te krijgen van andere periodes. Ik scrol door de foto’s. Onderuitgezakte studenten met lang haar op een bankje omringd door draaiorgels. Doeken met abstracte kunst, doeken met een soort popart. Een foto van de vijftigduizendste bezoeker van het Museum voor Hedendaagse Kunst. Bloemen, bubbels, opening na opening. Lachende mensen voor steeds weer andere doeken tegen steeds dezelfde wanden. Een spandoek met Casper het vriendelijke spookje als onderdeel van een tentoonstelling halverwege de jaren tachtig. Ik vraag me af binnen welk kunsttheoretisch kader dit ooit perfect paste. En of het doek nog ergens bij iemand op zolder ligt. Schilderijen hebben muren nodig om te bestaan, of op z’n minst een digitaal archief, terwijl architectonische versieringen mee mogen naar een nieuwe tijd, ook als de functie van het gebouw allang is veranderd.

Dan vinden we het tijd om de twintigste eeuw achter ons te laten en af te dalen naar de middeleeuwen, toen dit pand uit kloostermoppen werd opgetrokken. We openen een deur en stappen in het donkere gat van de kelder. Het is een heel complex van ruimtes, met een laag plafond en smalle doorgangen naar volgende ruimtes. Beneden is wel licht, maar het knippert en zoemt onaangenaam. In een van de ruimtes staat een stoel, op het zitvlak zie ik vaag de vorm van een kruis. Op de grond ervoor ligt iets wat op gereedschap lijkt. Zie ik wat ik wil zien, of zijn hier de ingrediënten voor een horrorfilm aanwezig? Alexis is al twee ruimtes verder, maar mijn claustrofobie maakt mijn lijf onrustig, fixeert mijn ogen op het rennende witte poppetje op het groene brandganglicht, dat net als in de binnentuin de vluchtroute markeert. Voorzichtig en licht gebogen loop ik verder.

‘Het spookt daar niet hoor!’ De man van het K.F. Hein Fonds was stellig toen ik vanmiddag de sleutel kwam ophalen. Waarom zei hij dat? Nu ik hier ben, weet ik vooral dat ik hier niet te lang wil blijven. Zware stenen trappen lopen dood tegen het kelderdak. Ik vraag me af welke ruimtes de trappen ooit verbonden. Bij terugkeer blijkt de houten trap van waaraf we zijn afgedaald niet opeens te stoppen bij het kelderdak. Er is nog een weg naar boven.

De schrijver en architectuurcriticus Christophe van Gerrewey beschrijft architectuur als denkobject, omdat ons lichaam zich er onafgebroken door ingesloten weet. Architectuur en literatuur ziet hij daarom als tweelingkunsten, omdat ze sferen kunnen oproepen waarin je kunt verblijven. Ook zijn de bouwmaterialen van beide kunsten alledaags – taal of steen, maar bieden ze ook de kans om van hun functionaliteit te worden ontdaan.

Waar de postkantoorarchitecten van de twintigste eeuw volgens hun opdrachtgevers soms de functionaliteit vergaten, leven we nu in een wereld met generieke gebouwen zonder versieringen. We zullen het wel laten om een gestileerd winkelwagentje uit te hakken in de gevel of draagbalk van een supermarkt. Teksten en symbolen moeten elk moment weer losgeschroefd kunnen worden. Bij elke functie moet een gebouw opnieuw beginnen, alsof het zich moet schamen voor de eigen geschiedenis.

Maar hoe goed die geschiedenis soms ook wordt verborgen; wie door een oud gebouw loopt, loopt door een verhaal. En wie een verhaal schrijft, schept ruimtes in hoofden. Een lezer voegt daar de eigen herinneringen aan toe. Dat maakt de gefantaseerde ruimte zo fysiek en particulier; we kunnen alleen uit ruimtes in onze herinneringen putten. Zo zag ik het huis van de oom en tante van Harry Potter altijd voor me als de bungalow waarin ik opgroeide, in een doodlopend hofje in Tubbergen. Ik zag zielzuigende demonische wezens zweven boven de stenen waar nooit wat gebeurde en waar ik al jaren weg was.

Dromen zijn opgebouwd uit hetzelfde materiaal: herinneringen aan fysieke ruimtes. Dromen en gedichten lenen zich bij uitstek voor grote mentale reizen, in weinig woorden of beelden. Ze maken het flitsen van ruimte naar ruimte mogelijk, zonder belemmering door triviale zaken als tijd, wildernissen of infrastructuur. Van de gedroomde ruimte wordt bovendien verwacht dat deze vol zit met symbolen, van de poëtische ruimte eveneens.

In het eerste grote dichtwerk van de veertiende-eeuwse Engelse poëet Geoffrey Chaucer ontwaakt de verteller in een droom, nadat hij met een boek in bed in slaap is gevallen. Hij hoort kleine vogels rinkelend zingen als de mooiste muziek en de ruimte waarin hij wakker wordt heeft wanden vol glas-in-loodramen. Naakt stapt hij uit bed en bekijkt de ramen, die bekende scenes uit de klassieke en Franse literatuur laten zien. Dan voelt hij de zon door de ramen op zijn gezicht vallen, hoort buiten een jachthoorn blazen en besluit de ruimte te verlaten, nog altijd naakt. Buiten komt hij terecht in een locus amoenus; een lieflijke plek waar bloemen groeien. Van daaruit voegt hij zich bij de drijfjacht die gaande is, waarna het verhaal – dat geschreven is om een graaf te troosten die zijn jonge gravin aan de builenpest verloor – eigenlijk pas begint. Het naakt verlaten van de ruimte vol klassieke verhalen wordt in verband gebracht met Chaucers gewaagde keus om literatuur niet in het Frans of Latijn, zoals honderden jaren gebruikelijk was, maar in het Engels te schrijven Zijn naaktheid benadrukt de sprong in het diepe.

Rechtop in mijn slaapzak zit ik. Opgeschrikt door keihard klokkenspel. Hoewel het een vrolijk deuntje is, vraag ik me geërgerd af waarom de Domtoren ’s nachts hele albums moet afspelen. Mijn telefoon zegt dat het vijf uur in de ochtend is. Ooit had ik een vogelklok, die om vijf uur met de wielewaal begon. Na precies één nacht verwijderde ik het geluidsbatterijtje.

Een paar uur later worden we wakker van de zon op onze gezichten. Niet alle ramen hebben hier een luik, dus duister konden we het niet krijgen. Ik kijk de lege ruimte rond, die nu vertrouwder voelt dan gisteren. Je kent een plek pas als je er ontwaakt. Liggend met je hoofd bij de grond, heb je gezien waar het stof zich ophoopt en waar de stopcontacten zitten. Je kent de dominante geluiden, want je bent erdoor in slaap gesust of wakker gehouden. Vaag gezoem uit de stoppenkast hoorden we vannacht, of kwam het uit de kelder?

In tegenstelling tot Chaucer kleden we ons aan, om niet naakt de ruimte te verlaten. We rapen de kaarsen in de hoeken, proppen onze spullen weer in rugzakken en wissen onze sporen alsof we hier nooit zijn geweest.

Nog één keer loop ik een rondje door de lokettenzaal. De communicatierevolutie waardoor dit pand als hoofdpostkantoor veel te klein werd, heeft inmiddels haar voltooiing bereikt, maar postkantoren overbodig gemaakt. Honderd jaar na de grote postkathedralen, zijn ze nu helemaal verdwenen. Wat ooit kantoren waren, zijn nu servicepunten in supermarkten. In 2018 sloot het laatste postkantoor aan het Kerkplein in Den Haag. Dat dit nauwelijks is opgemerkt, zegt genoeg.

Inmiddels zijn we voor het uitwisselen van informatie niet meer afhankelijk van de posterijen. Met telefoon op zak sta ik voortdurend in contact met iedereen die ik ken, maar ook met iedereen die ik niet ken. Mensen waarvan ik geen adres heb, kan ik toch een bericht sturen. Een roodgloeiende centrale ben ik, een wandelend postkantoor. Waarom is mijn gevoel van ruimte en mobiliteit dan niet toegenomen? Een groot deel van mijn tijd breng ik door in een virtuele tussenruimte, gebogen richting beeldschermen. Verwarrende uren, waarin ik vaag iets aan het doen ben, op meerdere plekken in de wereld tegelijk. Elk gesprek is mogelijk en we roepen allemaal door elkaar heen, waardoor er geen gesprek ontstaat. Om mijn gebrek aan verbinding te compenseren, druk ik op hartjes bij opdoemende hoofden, huisdieren en maaltijden. Ik weet niet of er een woord bestaat voor de ruimte tussen het versturen en ontvangen van een brief, maar ik geloof dat ik die ruimte soms mis.

Met enige tegenzin doen we de glazen deur achter ons dicht. De deur naar ruimte om te dansen en de deur naar het verleden. Althans, aanknopingspunten richting het verleden; broodkruimels naar verhalen die soms alleen zijlings iets met dit pand te maken hebben.
De zaterdagochtend schijnt ons lieflijk tegemoet, met zon en gedempt stadsrumoer. Als we richting Domplein lopen, zien we dat ook de nissen in de kerkmuur vol met fijnstralen staan. Met die gietijzeren hekken ervoor tegen wildplassers, lijkt het wel alsof ze speciaal zijn tentoongesteld om het alledaagse bijzonder te maken.

Net als de verteller in het droomgedicht van Chaucer voegen we ons bij een jacht; de jacht op een goed ontbijt. Maar waar hij de oude wereld achter zich laat en kiest voor een nieuw begin in een nieuwe taal, gaan wij schoorvoetend terug naar het heden, naar onze levens als wandelende postkantoren. Waar we onze zielen weer moeten opvouwen, om ze passend te maken voor de kleinere ruimtes waardoor ze worden omringd. Even overweeg ik het Nederlands achter me te laten, terug te grijpen op ouder bouwmateriaal. Anima vagari debet.

Watou

Ik ga op pad om Watou te verkennen. Gele bomen wakkeren als kaarsen in de late middagzon. In iemands tuin eten grote zwarte eenden het onkruid weg. Het is een tuin die in de middeleeuwen ligt, met overal etensresten, gescharrel. Ongeduldig zoek ik naar het varken, maar vind er geen. Dit West-Vlaamse dorp met 1.900 inwoners op de grens met Frankrijk heeft zes restaurants, maar niet één blijkt er doordeweeks geopend. Alleen in het weekend en vooral in het zomerseizoen kun je hier de toerist uithangen. Verlangend kijk ik naar de borden ‘Hommelbier’, die prijken op elk gesloten restaurant.

Misschien is het beter zo. We zijn hier om een paar dagen te schrijven in het Huis van de Dichter. Een groot vrijstaand huis aan de rand van het dorp, dat ooit als onderpastorie dienst deed. Daarna werd het de woning van dichter Gwij Mandelinck, die hier tot 2008 de illustere poëziezomers organiseerde. Alexis en ik waren bij de laatste editie en ik heb goede herinneringen aan de nachtelijke zit onder leiding van Gerrit Komrij in de brouwerij van St. Bernardus. Tegenwoordig is de woning een vakantieverblijf en doordeweeks een schrijfresidentie. Het ligt op nog geen tien stappen van het centrale plein, toch hoor je hier ‘s nachts alleen bosuilen.

De entree naar het Huis van de Dichter in Watou.

Ik verken de zijstraten rond het plein. Eén ervan brengt me langs een opvallende gele deur, waarachter je vanaf eind november volgens het opschrift zelfgemaakte zaken kunt kopen, zoals kerstkaarten. De schoonheid van handenarbeid, seizoenswerk. Het dorp op je stoep omdat je iets moois hebt gemaakt. Verderop staat achter een raam een klein heiligenbeeld met wit gewaad. Boek in de hand, hand bij het hart. In het raam weerspiegelt een geparkeerde witte auto, waardoor het lijkt of de heilige zijn wijsheden deelt met zijn kleurgenoot.

De verhalen van dit dorp geven zich niet gemakkelijk prijs. Overal hoop ik kleine hints te vinden. Beelden en affiches achter de ramen, een buurthuis vol opgestapeld speelgoed en de opsomming van vele soorten vlees in verband met een winterbarbecue. Slagers heten hier beenhouwers en ik heb diepe bewondering voor de vegetariërs in de streek. De vegaschijf lijkt nog niet ontdekt.

De plek net buiten het dorp waar je absoluut geen kippen mag voeren. (Foto genomen op een minder zonnige dag).

Richting Frankrijk loop ik nu, over een asfaltweg die weg van het dorp leidt. De kippen niet meer voeren / Plus nourrir les poules!!! staat er op een houten bord bij een hek waaraan geheimzinnige touwtjes bungelen. Het leed dat hierachter moet schuilen. Een man staat op een ladder en verft zijn keurige witte dakrand nog witter. Het huis ernaast is totaal afgebladderd. De diversiteit van Belgische huizen is fijn. Het eindresultaat is niet altijd even prettig voor het oog, maar de huizen weerspiegelen tenminste de persoonlijkheden van de bewoners. Of in ieder geval de manier waarop ze dingen aanpakken of juist niet aanpakken. In Nederland lees je alleen de smaak van projectontwikkelaars af en zie je elk huis honderden keren opnieuw.

Vanuit een ooghoek zie ik iets vliegen, het lijkt op een parkiet. Dat moet wel een nazaat van een ontsnapte zijn, of misschien wel het voormalige huisdier zelf. Frankrijk ligt onaantrekkelijk in de verte. Een boze bunker in het veld, mestgeur, meeuwen die opvliegen achter een trekker en nog geen dorpskern in zicht. Ik draai weer om en kom langs het schattige grenscafé dat ik op de heenweg ook al passeerde. Ooit moet hier een grens met een café zijn geweest, nu is het café de enige markering die er nog is.

Het grenscafé. Ongeveer voorbij het bruggetje ligt Frankrijk.

Eigenlijk was ik van plan om een heel stuk Frankrijk in te lopen, maar ik vind de vensterbanken in Watou interessanter dan de verdwaalde boerderijen in de verte. Ik loop terug en spiek over de heg van de begraafplaats. 23 jaar, 1921, misschien Spaanse Griep? Vallen ons op eenzelfde manier de coronadoden op als we over honderd jaar een begraafplaats bekijken? Van links komt een klas Vlaamse kindjes me tegemoet, twee aan twee, druk babbelend. Ik wandel de andere kant op, langs de pastorie, de twaalfde-eeuwse kerk en uiteindelijk bereik ik weer de onderpastorie, waar we verblijven.

De oranje zon piept nog precies boven het veld uit in de verte, waar Frankrijk ligt. Het gele blad van de bomen naast het huis lijkt nog feller dan toen ik vertrok. Ik denk na over wat ik heb gezien. Hoe je in het buitenland vooral let op alles wat anders is. Verschil van bouwstijl, verschil van tuinen. Misschien dat die focus mij belet dit dorp werkelijk te lezen. Of misschien heeft een dorp niet één gezicht. Kunnen we niet meer doen dan fragmenten verzamelen en die op een rij zetten. Dat lezen als verhaal.

De ondergaande zon en het Huis van de Dichter rechts.

Tuindagboek (III)

Hoewel het al november is, moet ik toch nog even schrijven over de druiven in september. We waren de druif totaal vergeten. Toen ik half september in de moestuin was – een schitterende dag met 21 graden en zon, zag ik een gelig, drilpudding-achtig dingetje naast de waterpomp liggen. Wat op een slakje leek, bleek de binnenkant van een druif. Ik spiekte achter de groene wand van blad die toen de volledige schutting achterin de moestuin bedekte. Overal bleken doffe, diepblauwe trossen te hangen, door het blad totaal aan het zicht onttrokken. Hoe vaak was ik hier de afgelopen maanden wel niet langs gelopen zonder druiven te zien?

Alexis kwam een paar dagen later terug met een wasmand en oogstte zo’n dertig a veertig kilo, terwijl ik in de keuken klaar stond met gigantische kookpannen, flessen en potten. Wijn leek ons wat ingewikkeld, dus werd het sap en jam. Ik schrijf dit beslist niet als tutorial, want het was nogal een worsteling. Sterker; alle tips voor volgend jaar zijn welkom. Overal las ik over het uitlekken van druiven door een zeef nadat de boel gekookt is, maar zelfs met hard duwen kwam er vrij weinig sap doorheen. In totaal konden we vier literflessen vullen, terwijl ik er op basis van mijn optimistische berekening twintig had gekocht. (Die komen nu van pas voor de kombucha van Alexis). Het werd wel zeer eh, intens sap. Kilo’s en kilo’s aan druiven samen in één fles, zonder toevoegingen. Ik vond het lekker, zowel puur als verdund. Elke slok voelde als een vitamineboost (en het wonderstofje resveratrol schijnt in de schil van blauwe druiven te zitten). Maar na ongeveer een maand begon er een beetje prik in het sap te komen. Ook in de ongeopende flessen. Geen idee hoe je die gisting op fles voorkomt.

De weg naar jam bleek nog hobbeliger. Het liefst had ik de boel langzaam laten inkoken en klaar, maar hoe kom je dan van die pitten af? Het ontpitten van zoveel kleine druifjes leek me langdurig en stuntelig werk. Uiteindelijk maakte ik jam van de druiven die in de eerste fase richting sap zaten en die dus alleen nog door een grove zeef waren geperst. Met een lepel probeerde ik zoveel mogelijk pitten er alsnog uit te vissen. Even had ik nog de ijdele hoop dat die vanzelf kwamen bovendrijven tijdens het kookproces, maar dat bleek tijdens het maken van het sap al niet het geval. Ik begrijp eigenlijk nog steeds niet hoe je druivenjam zonder pitten kunt maken, op een efficiënte manier. De volgende dag bleek de jam bovendien nog vloeibaar. Ik kon geen agar agar in de supermarkt vinden, wat volgens blogs met verstand van dit soort dingen een plantaardig verdikkingsmiddel is, en heb de jam toen verdikt met schandalig veel gelatine-bladen, gemaakt van uh…varkenscollageen. Geen goede zet voor een vegetariër.

Toch ben ik blij dat ik heb doorgezet, want het werd de lekkerste jam tot nu toe. Eerder maakte ik bramenjam (lekker door een Italiaanse jamtaart) en pruimenjam van eigen pruimen (die vrij generiek ‘gewoon zoet’ smaakte, ondanks het uitgekiende recept), maar deze druivenjam is mijn favoriet. Het is vooral met dank aan de druiven zelf, die vrij aromatisch smaken. Ook daar begrijp ik niets van, want geen straaltje zon heeft erop kunnen vallen. Ons oog gelukkig wel. Nog net op tijd. Misschien volgend jaar toch eens wijn zonder pitten proberen.

Stuifheuvel

Nu ik aan het bos woon, duik ik er toch vaker in. Vijf stappen en ik ben op weg door het Zeisterbos. Ook op weg is de herfst. Het begint al wat scherper naar schimmel te ruiken, naar verdroogde bessen en naar eeuwigheid. Hier en daar begint blad geel te kleuren. Juist nu de zomer volop weglekt uit tuinen, velden en bossen, valt de helderheid op. Sterrenmos is even groen als de afgelopen maanden en de kleur bruin zit alleen in de stammen. Maar de zon voelt anders, niet meer als een nabije ster die hier iets uit kan richten.

Via heuveltjes met kruisende paden loop ik richting Stuifheuvel; waar het oude loofbos overgaat in het begin van de Heuvelrug. Het is de wissel waarlangs ik altijd loop om bij de heide te komen. Even ben ik omsingeld door honden. Ze springen tegen elkaar op, bijten in elkaars oren. In mijn hoofd speelt zich een sketch af waarin mensen zich als honden gedragen, op elke soortgenoot afrennen, gewoon op twee benen, ertegenop springen, snuffelen, bijten. Hun baasjes, de honden, lopen met een milde glimlach verder.

Lang loop ik langs een hek, over een recht pad, terwijl rechts van mij een veel aanlokkelijker slingerpad loopt. Die mountainbikers krijgen altijd de mooiste paden, maar ze hebben het niet eens door. Het hek snijdt dwars door het bos, maar het is niet duidelijk waarvoor het dient. Een hek maakt wat erachter zit meteen interessant, omdat je er niet kunt komen. Ik speur naar een eenzaam kauwende geit aan een touw. In mijn relatie met hekken is Jurassic Park nooit ver weg. Het enige onheil in de verte is een schuurmachine in Kerkebosch. Nog nooit ben ik om de wijk Kerkebosch heen gelopen zonder een schuurmachine te horen. Het schijnt typisch Nederlands te zijn. Geluid dat opstijgt uit wijken is hier altijd schuurmachine. Klaagzang van de klusser.

Ik nader een jong bos met smalle paadjes, waar ik een beetje probeer te verdwalen. Bij elke nieuwe groene tunnel, wordt mijn hoofd stiller. De laatste dagen leek het wel een op hol geslagen paard, nu raken mijn gedachten uitgeraasd, gaat het paard grazen. Lopen brengt alles in beweging en daardoor tot stilstand. Of eigenlijk: in een rustiger ritme.

De voorheide doemt op in de verte, althans dat noem ik zo. Heide die nog geen heide is maar wel een semi-zandvlakte met hier en daar uitgebloeide heideplantjes en heuvels. Het luchtalarm gaat af. Steeds als het gebeurt vraag ik me af of er dieren en mensen zijn die in paniek schieten, omdat ze het niet kunnen begrijpen. Misschien brengen ze dat geluid dan ook niet in verband met gevaar. Ik vind het best bijzonder, dat de overheid zelfs hier, op de voorheide, mij met harde geluiden om de oren kan slaan. Waar staan die palen dan? Voorheide, overheid, slechts één o en het zijn precies dezelfde letters. Misschien houdt de overheid zich hier wel schuil, op deze zandvlakte bij Zeist. In Den Haag is het orgaan lange tijd niet gezien. Na het alarm sta ik even stil en kijk om me heen voor ik omdraai. De heide ga ik vandaag niet bereiken, want ik ben al lang aan de loop en wil terug via het centrum. Een cappuccino en wat vitamine D opslurpen, met mijn kop in de zon.

Drie kwartier lopen en ik zit op een terras omringd door jaren zestig architectuur. Een smal plein met winkels en woningen erboven. Het doet me denken aan Almelo en aan Almere, maar dankzij het weer, de rustige sfeer en de fontein, is het uitzicht niet louter treurig. Ik verdwaal in een verhaal in een literair tijdschrift dat toevallig in mijn tas zit, doe een sjaal om en sjok een uur later weer naar huis. Niets galoppeert er meer.

Tuindagboek (II)

21 juli 2021

Ik zit op het bankje in de boomgaard en neem de schade van een week op. Duifkruid heeft haar kleur verloren. Een volledige peulenplant hangt geel in het rek. Het gras heeft kale plekken. Precies op de plek waar ik mijn hangmat wil ophangen, zweven mugjes met lange poten. Het zijn geen hooiwagens en ook geen gewone steekmuggen. Ik weet niet wat het zijn. Als ik in de wolk ga staan, verplaatst de wolk zich. Ik had zoveel zin om naar de tuin te gaan, maar nu voel ik mij op de een of andere manier niet welkom.

Alsof ik de tuin betrap op haar werkelijke leven zodra ik het tuinpad oploop. Haar leven buiten mij. Het sluit niet aan bij het Disneyplaatje dat ik er soms in mijn hoofd van maak. Alleen de mooie dingen blijven dan hangen. Bloeiende bloemen hier, glimmende rijpe groentes daar. Maar afhankelijk van dag, uur, wind, licht en geluiden is de tuin. Zelfstandig en onder invloed en altijd veranderend is de tuin. Misschien wied ik daarom wel onkruid. Gewoon, om mee te blijven doen, te laten zien dat ik er ben. Want echt storend vind ik het niet. Het bloeit vaak mooi en er zijn hier geen tuinschouwingen. Als ik iets wil zaaien, kan ik altijd nog ruimte maken.

Want dat is wat ik kan doen: dingen weghalen. Omdat ik een hand-georiënteerd zoogdier ben dat een schepje vast kan houden, kan ik wroeten, trekken, maaien. Water geven in droge periodes kan ik ook. Maar elk uur, elke dag, elke week dat ik weg ben, kruipt er leven uit alle hoeken. Ik kan dat leven een beetje regisseren, specifieke plantjes aanmoedigen: “Hier heb je een handje compost, groei maar! En daarna pakken we je vruchten af, gooien we je op de composthoop – of pakken eerst nog snel je zaden mee en gooien je dan op de composthoop.”

Dat groenten vaak in de knop gebroken bloemen en struiken zijn, ontdekte ik voor het eerst toen Alexis een krop sla niet oogste. Een prachtige plant van een halve meter hoog is het geworden. Stengels met kraalvormige opbouw en gele bloemetjes, wiegend in de wind. Een woeste eilandstruik. Sla.

Sowieso is moestuinieren een slachtpartij. Veel van de zaailingen die in april trappelend in mijn vensterbank stonden, hebben de selectie voor de volle grond niet gehaald. Of stierven van schrik tijdens de transitie. Daarom zaai ik het liefst rechtstreeks, maar ook dan moet ik soms uitdunnen. Bij de verste braamstruik aan het hek, ligt mijn kerkhof van in de knop gebroken babygroente. Het is een wrede hobby, maar dat zie je niet terug op de websites vol lachende jongens en meisjes met hun stappenplannen.

Bij gebrek aan een foto van doorgeschoten sla, een foto van de gele bloemetjes van doorgeschoten broccoli (31 augustus). Bijen zijn er gek op.

Tuindagboek (I)

Ons Oud-Zuylense paradijsje op 5 september

Opeens was er een tuindagboek. Ik probeerde het nog te voorkomen, de moestuin gewoon als hobby te zien. Beetje aanklooien, proberen, niet documenteren. Maar het heeft zichzelf groot gemaakt. Want ik kan niet meer zonder dat landje en dat landje… dat kan voor het grootste deel van het jaar prima zonder mij. En gedurende twee seizoenen moet ik wat zaaien, aanmoedigen en terugduwen. Maximaal 20% mensenhand in de wildernis. Dat is de verhouding die spontaan ontstond en die me wel bevalt. Ik wil faciliteren, niet regeren. (Toegegeven: als een manager dit roept ben ik gelijk op mijn hoede). Het kan hier ook. Het geluk wil dat ons een moestuin is toegewezen (voor een jaar, hopelijk langer) op het enige anarchistische volkstuinencomplex rond Utrecht. Braam, brandnetel, heermoes en haagwinde tiert welig, hoge coniferen en populieren onttrekken rommelparadijzen aan het zicht en bijna niemand tuiniert er ‘regulier’, dat wil zeggen: met meters zwarte grond en af en toe wat kroppen in rechte rijen. De 20% regel lijkt hier normaal en dat is uniek.

Oké, zoveel werk hoeft het dus niet te zijn, een moestuin. En toch ben ik er, nu het nazomer is, twee keer per week te vinden. Op mijn knieën in de rivierklei, uithijgend met een nul procentbiertje op een stoeltje in de schaduw van de hoogstam appelbomen. Terwijl ooievaars overvliegen en avondmist vanuit de velden langzaam de tuinen in sijpelt. Aan de overkant van het weiland wordt de verlichte poort van Slot Zuylen dan goed zichtbaar. Zwetend onder de zon als een horige boer, heimelijk vuurtjes stokend in een donkere uithoek. Wat is de aantrekkingskracht? Waarom ga ik tintelend van plantkracht weer naar huis? Het geheime leven van planten, misschien. Het zal me niets verbazen wanneer blijkt dat het schimmelnetwerk onder dit complex reusachtig is en honderden jaren oud. De twee historische begraafplaatsen hier vlakbij zullen het ongetwijfeld hebben gevoed. Niet alleen is dit complex anarchistisch; het ligt ook aan een natuurrijke vechtoever, tussen dorp Oud-Zuilen (oud) en dorp Op Buuren (nieuw). Voldoende vogels eten de slakken op, want niet weggejaagd door katten. En het complex wordt niet – zoals meestal – gesmoord in gesuis van ringwegen en treinsporen. Jan Wolkers maakte daar op Amstelglorie een ruisende zee van, maar het is ontzettend fijn om op een zomeravond vooral krekels te horen. En ’s nachts – toen ik er in een hangmat sliep – de bosuilen.

Wat ga ik doen? Op onregelmatige basis stukjes tikken over zaken rond de tuin. Over de planten, de dieren, de mensen. Over wat ik leer. Waar ik me aan stoor. Wat ik bewonder. Ook zal ik af en toe stukjes delen van eerder deze zomer. Want de papieren tuin is net zo onverwacht gaan bloeien als de levende tuin. Vóór april aanbrak en we deze plek in beheer kregen, had ik nog nooit een zaadje laten ontkiemen. Toen de eerste zaailing van koolrabi haar allereerste babyblaadje door het zand duwde in mijn vensterbank, sprong ik een gat in de lucht. Dat mijn bijnaam jarenlang Kamerplant was, had niets te maken met groene vingers. Ik had dan ook niet durven hopen dat de tuin in een paar maanden tijd al zo’n groenten- en bloemenparadijs zou worden. Ik werd ontmoedigd door verschijnsels als moestuinvloggers en de Makkelijke Moestuin-app, die een delicate relatie met een stuk grond en alles wat erin leeft willen reduceren tot werktuiglijke stappen om te volgen. Daarover later meer. Hoe dan ook: sinds er dingen in mijn moestuin groeien is er in mij ook iets gaan groeien en ik ben benieuwd wat het wordt. Daarvan zal ik hier af en toe verslag doen. De titel van deze blog dekt hiervoor wonderwel de lading.

De geschubde Indische hagedis

Wie ‘schubdier’ intikt op Google, komt nog steeds een berg artikelen tegen in de categorie ‘het dier waarvan je niet wist dat het bestond’. Inmiddels, we schrijven begin 2021, is dat wat achterhaald. Sinds ongeveer 2016 wordt er wereldwijd volop bericht over dit ‘meest gestroopte dier ter wereld’ en de pogingen het voor uitsterving te behoeden. Zelf deed ik tussen 2018 en 2020 een paar duiten in het zakje, samen met Alexis de Roode. Toen schubdieren in maart 2020 na vleermuizen ook op de lijst met mogelijke overbrengers van SARS-CoV-2 terecht kwamen, ging het helemaal los. Er bestaat inmiddels een South Park-aflevering met Randy en een schubdier, die ik niet zonder handen voor mijn ogen kan kijken. Wie nu nog niet weet wat schubdieren zijn, leeft onder een steen. Of woont net als schubdieren diep in een vochtig oerwoud en komt alleen ‘s nachts een paar uur naar buiten.

Voor ze bekend werden als het meest gestroopte dier ter wereld, was dat anders. Toen hadden ze nog geen eigen pagina op de website van het WWF, geen Jackie Chan en Leonardo Dicaprio als ambassadeurs en geen eigen dag (vandaag!). Waren ze hooguit ‘een soort gordeldier’, meer een categorie dan een soort, of een weetje voor de echte dierenfreaks. En dat is vreemd. Want tussen de zestiende en achttiende eeuw kwamen er via de bloeiende intercontinentale plunderroutes volop schubdieren naar Europa. Geen rariteitenkabinet zonder schubdier. En toch moest het dier bijna uitsterven om via een omweg toch nog ons collectieve geheugen te bereiken. Hoe kan dat?

Toen de Nederlandse tropenarts Jacobus Bontius (coole geleerde naam voor Jacobus de Bondt) een schubdier cadeau kreeg op Java rond 1630, stopte hij het vreemd uitziende dier met een ‘koude natuur’ in een badje. Hij doopte het een geschubde schildpad en classificeerde het als amfibie. Van de schenker had hij gehoord dat het holen groef in rivierbanken, waardoor hij vermoedde dat het zowel op het land als in het water leefde. Na een paar dagen stierf zijn geschubde amfibische schildpad. De ‘huid’ ging in zijn collectie Indische dieren en hij beschreef het in zijn Historiae naturalis et medicae Indiae Orientalis (1631), een werk over natuur en tropenziekten in Indonesië. Hij maakte ook een tekening van het dier, waarop het inderdaad op een schildpad lijkt, met een enorm rond lichaam en een piepklein schildpaddenkopje.

Jacobus Bontius’ ‘geschubde schildpad’ (1631)

In de catalogus van de schatrijke Amsterdamse apotheker Albertus Seba (1734), zien we juist een wat langgerekt schubdier, afgebeeld tussen de slangen. Misschien zag hij op basis van de tong aanknopingspunten met de slangen die hij al in zijn collectie had.

Plaat met ‘geschubde dingen’, uit Albertus Seba’s Locuplettisimi rerum naturalium (1734)

Wie de westerse beschrijvingen en tekeningen van schubdieren uit de zeventiende en achttiende eeuw vergelijkt, kan nauwelijks geloven dat het om hetzelfde beest gaat. De een heeft het over een ‘Taywansche Duyvel’, die met zijn gegraaf de funderingen van huizen ondermijnt, de ander noemt het een schuwe schildpad, of onschuldig snuivend ‘visvarken’. De angsten en verlangens van kolonisten schemerden door in de beschrijvingen, waardoor ze een politieke lading krijgen. De ‘Taywansche Duyvel’ ondermijnde ook de onzichtbare funderingen van de Nederlandse handelsmissie op Taiwan vanaf 1620. Het onschuldige, opgerolde dier met ondoordringbaar pantser echode het mysterieuze, onkenbare volk dat onder de duim gehouden moest worden. In catalogi van collecties bleken ze te plooien naar welke groep van schubachtige beesten dan ook. Ze komen voorbij tussen de slangen, vissen, schildpadden en hagedissen. Tussen alles behalve zoogdieren. Een Portugees in Thailand had het in de zeventiende eeuw zelfs over ‘een schaamtevol insect’.

Dit heeft ten eerste te maken met de manier waarop ze in Europa arriveerden: als ‘huiden’, ontdaan van vlees en botten. En een enkele keer op sterk water. Schubdieren zijn notoir moeilijk in gevangenschap te houden, laat staan in de zeventiende eeuw via een schip levend in Europa te krijgen. Zelfs diersoorten die het nu goed doen in dierentuinen, stierven toen vaker wel dan niet aan een dieet van scheepsbiscuits. Dat er vóór de twintigste eeuw ooit een schubdier levend in Europa is gearriveerd, is vrij onwaarschijnlijk. Ook nu nog is de dierentuin van Leipzig – als ik het goed heb – de enige plek in Europa waar je schubdieren levend kunt aanschouwen. En dat is met dank aan een specialistenteam van de Taipei Zoo.

Ook gordeldieren kwamen in de vroegmoderne tijd volop terecht in naturaliëncollecties door heel Europa, maar dan vanuit de westelijke plunderroutes. De verwisseling van gordeldieren en schubdieren die in de zeventiende eeuw ontstond, is eigenlijk nooit helemaal verdwenen. Nog steeds krijg ik af en toe gordeldierenfoto’s en -filmpjes doorgestuurd van vrienden aan wie ik drie keer het verschil heb laten zien.

Dr. Natalie Lawrence (Cambridge) deed uitgebreid onderzoek naar emblematische biogeografieën van -onder meer- geschubde dieren in de vroegmoderne tijd en staat stil bij de verwisseling van gordeldieren en schubdieren. Ze benadrukt dat gordels en schubben op papier al snel een uitwisselbaar ‘pantser’ worden. Nog zo’n factor. Men moest het niet alleen doen met huiden; meestal had men slechts een tekening of beschrijving daarvan. Als we zelfs in het videotijdperk schubdieren en gordeldieren niet uit elkaar kunnen houden, kunnen we dat van een zeventiende-eeuwer al helemaal niet verwachten.

Tekening van Jan Luyken met links de ‘West-Indische’ en rechts de ‘Oost-Indische geschubde hagedis’. Onscherpe foto door mij.

Uiteindelijk vloeiden het gordeldier uit West-Indië (de Cariben) en het schubdier uit Oost-Indië (India en Zuidoost-Azië) in de loop van de achttiende eeuw samen tot één ‘geschubde Indische hagedis’. Waarbij gordeldieren soms worden aangeduid als ‘West-Indische geschubde hagedis’ en schubdieren als ‘Oost-Indische geschubde hagedis’. Het duurde tot het einde van die eeuw voor deze constructie weer ontrafeld werd en de dieren een eigen identiteit begonnen te krijgen in collecties. In reisliteratuur duurde dat nog veel langer, omdat elke wetenschapper of verzamelaar het liefst een nieuw dier had ontdekt, om het ook zelf te kunnen beschrijven en benoemen. Dat ‘het schubdier’ niet bestaat omdat er acht uiteenlopende soorten door heel Azië en Afrika leven, laten we hier nog buiten beschouwing.

Het is overigens niet zo dat men zich destijds druk maakte over de precieze identiteit van het schubdier. Vóór Darwin en Wallace met hun evolutietheorieën kwamen, werd er vooral gekeken naar nut voor mensen en de plekken die nog opgevuld moesten worden binnen de Grote Kosmologie van het leven op aard. Een juiste classificatie op basis van morfologische, en nu zelfs genetische kenmerken, vond men later pas interessant. De ‘geschubde Indische hagedis’ was soms een schildpad, soms een slang en paste volgens de achttiende eeuwse naturalist Comte de Buffon in zijn Histoire Naturelle ‘uiteindelijk prachtig op de traptrede tussen de reptielen en de zoogdieren.’ Aan Gods grootheid was het te danken, dat hij uitgerekend het traagste, tandeloze dier had uitgerust met een pantser. Hierbij verklaar ik dat mijn vrienden me gewoon gordeldierenfilmpjes mogen blijven sturen. De idee van beide dieren is hetzelfde: schattige tankwagens, gepantserde aardgravers, wandelende dennenappels.

~

Bronnen

Tekst

*Proefschrift van dr. Natalie Lawrence (Cambridge University), over o.m. emblematische biogeografieën van geschubde dieren in de vroegmoderne tijd.
*Penguins, pineapples and pangolins: First encounters with the exotic, boek van Claire Cock-Starkey. Pagina 69.
*Histoire Naturelle, Générale et particulière, avec la description du Cabinet du Roi, door Comte de Buffon (1707-1788).

Afbeeldingen

*Jacobus Bontius’ ‘geschubde schildpad’. Manuscript: Oxford University Library. Foto door Natalie Lawrence.
*Plaat met ‘geschubde dingen’, uit Albertus Seba’s Locuplettisimi rerum naturalium (1734).
*Tekening van Jan Luyken (17e eeuw) met links de ‘West-Indische geschubde hagedis’ en rechts de ‘Oost-Indische geschubde hagedis’. Ik ben vergeten in welk boek ik deze tekening heb gevonden. Foto door mij.

Vandaag verschenen: Vesper

Even geen verhaal, maar een nieuwsflash:

Vandaag is mijn nieuwe poëziebundel Vesper verschenen bij Uitgeverij Atlas Contact. Best een beetje gek om een boek uit te brengen wanneer de boekhandels gesloten zijn, maar ik denk dat dit een goede tijd is om poëzie te lezen. En je lokale boekhandel te steunen! Bovendien is de bundel een reis. Door achtertuinen, vergeten rafelranden, verre oerwouden, boven- en onderwerelden. Een verplaatsing door zeeën aan ruimte en tijd, nu we allemaal in ons mandje liggen.

Nog even over het steunen van die lokale boekhandel. Als je Vesper of een andere bundel koopt in de Poëzieweek van 28 januari tot en met 3 februari, krijg je één, soms twee cadeaubundels erbij. De meeste boekhandels hebben zowel fietskoeriers als postzegels. Ga naar de website van je favoriete winkel om het uit te zoeken.

Meer info en een voorproefje lees je HIER.