Toendra

Mijn fiets zet ik tegen het hek bij de Kerkdijk en al snel sta ik midden in de Westbroekse Zodden. Hier kun je 360 graden in de rondte draaien en alleen twee verre torenspitsen als teken van beschaving zien. Verliefd op alle tinten bruin en geel waarin het riet vervalt, loop ik langs de petgaten. Hier werden in de middeleeuwen dikke pakketten veen afgegraven en nu houden natuurbeheerders de boel opnieuw open. Eindeloze stroken land likken als uitgerolde tongen aan de horizon, worden opgesneden door de watergaten. Waar planten elkaar opnieuw wisten te vinden ontstond er een tussenvorm; het trilveen. Ik zet er één voet op, om te ontdekken of het mij kan dragen. Mijn schoen staat voor de helft onder water. Nog een paar stappen en ik verdwijn uit deze tijd. Goed geconserveerd kom ik als veenlijk de musea van de toekomst ingevlogen.

Het gesluierde zonnetje, de hoge temperatuur en de ijstijdachtige vlakte. En dan die rafelige bruine waterranden met vervallend riet. Het geeft me een vreemd gevoel; apocalyptisch en knus tegelijk. Ook mensenlevens verglijden soms het hardst achter kant omrande ramen boven een kruiswoordpuzzel. Wat je ziet zijn de stoffen, de franjes, de aardetinten. De thermostaat geeft 22 graden aan, de leegte begint vanbinnen. De herfst als lappenpop, meegevoerd op verwarrend warme winden. Als alle lappen op de grond liggen, is er geen pop meer over.

2019-10-14 16.03.10 (2)

Westbroekse Zodden, c Anne Broeksma

Dat ik loop is ook een noodzaak. Twee dagen terug leerde ik houthakken, met een bijl van een meter lang. Het was verslavend om een stuk boom in haardklare blokken uiteen te zien vallen. Bijl recht boven je hoofd tillen en op het hout laten vallen. Gewicht en snelheid zijn werk laten doen. Niet elke zwiep was raak, maar het ging best goed. Zo goed dat ik die avond niet meer op een stoel kon zitten. Lopen is de enige pijnloze modus die ik heb.

Het is hier zo weids, dat mijn oog pas kilometers verder op een donkere sliert bosrand botst. Naast de torenspitsen zijn de enige tekenen van beschaving hier de geluiden in de verte. Zonder onderbreking kunnen ze over de toendra van legakkers schallen. Gerommel van vliegtuigen, helikopters en vrachtwagens; geluiden uit een wereld waaraan ik ben ontsnapt. Wanneer er een helikopter dichterbij komt denk ik: nu komen ze me halen.

Aan het einde van het petgat draai ik me om en kijk uit over de eindeloze strook water. Op zoek naar een teken ben ik, om te bepalen of ik dit landschap moet koesteren of vrezen. Alles wat ik zie is wuivend riet en breed uitlopende ribbels op het water, veroorzaakt door de wind. Misschien komt het door de soundtrack van mijn wandeling. De voertuigen in de verte, het onrustige gegak van een onzichtbare groep ganzen; in combinatie met de warme wind suggereert het een opbouw naar iets wat, vermoed ik, niet zal arriveren.

Misschien is het beter dat ik geen tekenen vind. Een jaar geleden was ik met Alexis en I-ting, onze vriendin uit Taiwan die we in de schubdierenopvang hebben ontmoet, op de Hoge Veluwe. ‘The Dutch wilderness’. We hadden net de moeflons bekeken door onze verrekijkers, die speciaal uit Spanje hier naartoe waren gehaald om het landschap open te houden. Eigenlijk een groep saaie schapen, maar omdat er geen hek of sloot omheen lag, maakte het indruk. Het was een warme zondag in september en we gingen op onze jassen liggen, in een open eikenbosje naast de heide. We doezelden kort weg. Toen ik wakker werd, lag er op mijn buik een klein groen rupsje. Tot mijn verschrikking zag ik dat het twee koppen had, één aan elk uiteinde. Het ding probeerde in twee richtingen aan zichzelf te ontsnappen. Wriemelend bleef het op z’n plek. Vol afschuw slingerde ik het ver bij mij vandaan. De rest van de dag kon ik alleen maar aan dat duivelsgedrocht denken. Als het nog een vlinder moest worden, zou het opstijgen uit de doos van Pandora en hysterisch overal tegenaan fladderen. Hoe is het mogelijk dat op de mooiste plekken op de mooiste dagen nog zoveel klein leed te vinden is.

2019-10-14 16.20.24 (2)

Petgat bij de Westbroekse Zodden, c Anne Broeksma

Met een boog loop ik terug naar waar ik vandaan ben gekomen, via de andere kant van het petgat. Het grenst aan een weiland met een sloot ervoor, waarlangs lisdodden groeien. Vroeger noemde ik die ‘bullenpezen’, omdat ik die bijnaam had onthouden uit een kinderboek over een kikker. Niet zo lang geleden kwam ik erachter dat bullenpees eigenlijk ‘stierenlul’ betekent, en dat die als ‘bullenpezen’ in gedroogde vorm in de dierenwinkel liggen, voor honden om op te kauwen. Het opschrift ‘stierenpenissen’ verkoopt wellicht minder goed. Ik betast een bruine kolf, het voelt aan als het zachtste velours. Achter mij zie ik iemand naderen. Snel laat ik de kolf los en loop door. Hoewel de wandelaar nooit kan weten dat ik iets smerigs aan het doen was, schaam ik me toch.

Een vliegtuigspoor loopt dwars door de zon, waardoor die iets weg heeft van een vallende ster. Vanuit mijn linker ooghoek zie ik iets uit het water van een petgat steken. Wat is dat? Het lijkt wel een hand. Een bruine, gerimpelde hand. Komt hier een verongelukte veengraver uit de middeleeuwen bovendrijven? Misschien is dit dan de apocalyptische wending waarop ik zat te wachten. Als ik een paar stappen richting de zombiehand heb gezet en mijn ogen scherp stel, zie ik dat het een blad is. Een lelieblad, dat door rotting in een vreemde kromme vorm is getrokken.

Het laatste stuk loop ik door een moerasbos en meteen bevind ik me in een andere, meer lieflijke wereld. Het is net of kabouters vanuit de kruinen van de elzen en wilgen geelgroene lichtjes naar beneden hebben gestrooid. Het zijn klimplanten, die hun kans grijpen nu de bomen het eigen blad loslaten. Ze hullen alles in een fris geel licht, het lijkt wel lente. Laag boven de grond hangen rode en zwarte bramen, wat de verwarring over het seizoen compleet maakt. Tijdloos en betoverd loop ik verder. Alleen de verdorde bladeren op de bosvloer tonen de bestemming van dit lichtpaleis.

2019-10-14 15.54.42 (2)

Het moerasbos naast het veengebied, c Anne Broeksma.

Achter de varens naast het pad hoor ik iets hoppen, misschien wel een kikker, of een klein zoogdier. Ik kniel erbij neer, maar het geluid komt niet terug. Dan kijk ik achter me. Er nadert een grote zwarte kat over het pad, haar ogen van hetzelfde oplichtende geel als de klimplanten waarmee dit bos is versierd. De kat nadert met een monter drafje en omdat ik grijs en gehurkt in een bocht zit, ziet ze mij niet meteen. Bewonderend kijk ik naar dat soepele zwarte lijf en voel me een oude eik. Zodra de kat mij ziet draait ze zich om en verdwijnt met hetzelfde drafje uit het zicht. Dit is geen apocalyptische kat, maar een montere poes met plannen. Plannen waar ze mij niet bij wil betrekken.

Als ik het toverbos verlaat en mijn fiets weer bij het hek tref, trap ik mezelf langs lome boerderijen en ritselende knotwilgen weer terug richting stad. Hier geen vreemd geelpaars licht of bruine rafelranden, maar Hollandse blauwheid en koppig groen gras. Alsof er hier nog niets aan het vervallen is. De natuur niet van plan is haar binnenste te tonen. Elke diersoort heeft hier een eigen strook land. Een strook koe, een strook schaap, en ook de ganzen en zwanen zitten keurig in groepjes. Alleen de zilverreigers en blauwe reigers houden zich niet aan de spelregels, staan als ranke observators midden tussen de andere beesten. Eenzame jagers hebben veel loertijd nodig.

Langzaam bereik ik de geluiden die eerst alleen in de verte bestonden. Onzichtbaar ga ik op in het spitsverkeer op de noorderring, voeg ik in op de strook van mijn soort. Alsof ik nooit naar een toendra uit de middeleeuwen ben geweest. Alsof ik nooit het gele licht uit de elzen heb zien vallen.

Voor meer verhalen uit de serie ‘Ontdekkingsreis NL’, zie hier

Advertenties

Geplukt

Zwedendagboek – 12 september

Zit ik al maanden onder de rode kralen van de lijsterbes aan een kampvuurtje, kom ik er nu pas achter dat ze eetbaar zijn. Een beetje bitter, maar met wat vanille of appel schijn je er geweldige jam van te kunnen maken. Als de vorst eroverheen is geweest, neemt het bittere iets af. Maar als je te lang wacht, roven langstrekkende pestvogels de takken leeg. Een nachtje vriezer is een alternatief.

Had ik me maar eerder in de bessen verdiept, want morgen is de laatste dag van ons verblijf in Midden-Zweden. Natuurlijk plukten we zo nu en dan bosbessen. Dit jaar voor het eerst met echte ‘kammen’, die we gewoon in de supermarkt vonden. Winkels die hun klanten zelfvoorzienend maken; ik hou ervan. Met zo’n zeef roetsj je door de struiken en vallen alleen de bessen in de bak eronder. Bosbessen zijn niet moeilijk te vinden, het gerucht gaat dat 17% van Zweden ermee is bedekt. In Värmland moet dat hoger liggen, want er staat in vergelijking met het zuiden nog meer bos. En letterlijk de hele bosvloer bestaat hier uit bosbessenstruiken. We gooien ze door de havermout en een vriendin maakte een bossenbessentaart van amandelmeel.

Sinds een paar weken is ook de vossenbes rijp. Twee uur plukken, met vijf potten intense jam als resultaat. Hij is hier iets minder talrijk dan de bosbes, maar je komt hem nog steeds op elke wandeling tegen. Vaak groeien bosbes en vossenbes gewoon door elkaar. Allebei heideplantjes die van zure bodems houden. In Zweden heet hij ‘lingonbär’ en is het de meest gangbare bes in jams, sauzen en limonade. In het noorden van Europa iets gewoons, waar mensen hun vriezers in september mee volgooien. Voor mij een ontdekking. Als je het zoete van suiker tegenover het bittere van de bes plaatst, krijg je een rijke, licht dramatische smaak die aan kerstmis doet denken. En die geweldig combineert op een donker broodje met roomkaas of geitenkaas.

2019-09-12 13.15.30

Gebukte vossenbessenplukker tussen ’t groen. © Anne Broeksma

Veel bessen dragen namen van dieren. Vossenbessen worden ook wel ‘cowberries’ genoemd, en dan heb je nog de ‘bearberries’ die erop lijken. En de cranberry of veenbes, is in het Engels en Zweeds naar de kraanvogel vernoemd. In de zomer zie je hier af en toe een paartje, maar nu verzamelen grote groepen zich in mistige weilanden, om zich klaar te maken voor de trek naar Azië. Een prachtig gezicht, die grote grijze vogels op hoge poten. Kraanvogels houden net als de veenbes van moerassige gebieden, waar ze naast vissen en kikkers vast ook weleens een zure bes achterover slaan. Ergens anders lees ik weer dat de bloem, die later in de bes verandert, op de kop van een kraanvogel lijkt.

Een aantal weken geleden waren er vrienden op bezoek. We bedachten Zweedse spreekwoorden: Wie bessen koopt, plukt zichzelf. Iets waar we op kwamen door het bord in de tuin van de overburen: Bär köp alla dagar! / Elke dag bessen te koop!. Verlokkelijk, maar nee. We hebben die kammen niet voor niets. Door mijn duik in de wondere wereld van bessen, heb ik er nog een nieuw Zweeds spreekwoord bij. Eentje die echt bestaat: “De är sura”, sa räven om rönnbären. / “Die zijn zuur”, zei de vos over de lijsterbessen. Een mooie allegorie voor de neiging af te kraken wat je niet kunt krijgen. Het is bekend dat vossen soms bessen eten, maar lijsterbessen hangen te hoog.

Het plukken van bessen met zo’n kam is een bevredigende bezigheid, maar je hebt daarna wel een flinke tekencheck nodig. Ik heb al heel wat miniscule vampiertjes van me af moeten trekken. Misschien kan er nog een Zweeds spreekwoord bij: Wie bessen plukt, moet uit de kleren.

Taalmonster

In ben gaan lopen omdat er in mijn hoofd twee slangen zitten: eentje van licht en eentje van letters. De lichtslang is mijn bewustzijn en de letterslang mijn taal. De letterslang is driftig, snakt naar herhaling, botst tegen de wanden van mijn schedel, kronkelt om mijn lichtslang. Het is oppassen geblazen, met dat taalmonster. Maar wanneer ik, zoals nu, zeg dat het oppassen is geblazen met dat taalmonster, spuwt hij die zin uit en komen de woorden tot leven. Dan moet ik pas écht gaan oppassen. Hoemf, klekki, manajeg. Nieuwe woorden zijn vrije woorden, omdat ze geen betekenis dragen.

Opeens krijg ik zin om de bosjes in te duiken, weg van dit uitgesleten pad onder mijn voeten, van de kluwen in mijn hoofd. Maar de eerste paar honderd meter is altijd moeilijk, het gaat erom dat je doorloopt. Je lichaam op gang brengen, de golven in je hoofd laten uitrollen. Tot je een prachtig bosvijvertje bent waar een eland uit kan drinken.

Taal en tijd zijn de afgoden waar ik als dier-plus voor neerkniel. Dat taal een eigen wil heeft vergeet ik regelmatig. Alsof ik dagelijks met vuur speel maar vergeten ben dat het vuur is. Taal is duivels; het vermeerdert zichzelf, gebruikt ons bewustzijn als zuurstof.  Facebook is een grimmige put zonder echo. Iedereen gilt tegen iedereen dat de wereld in brand staat en dat mensen klootzakken zijn. Natuurlijk luistert er niemand. Agressie tegen de eigen soort werkt verlammend.

K9N0B2

The Tower of Babel, Cassell’s History of England, 1898.

Ik probeer elke dag even stil te staan bij de erbarmelijke toestanden waarin mijn voorouders geleefd hebben en waaraan zij zich ontworsteld hebben. Terug willen naar een eenvoudig leven ‘in harmonie met de natuur’, waarbij alle verworvenheden van de afgelopen twee eeuwen worden afgedaan als overbodige luxe, is behoorlijk ondankbaar. Hun zwoegbaantjes in de staal- en textielindustrie hebben veel mogelijk gemaakt. Van knecht tot meesterknecht. Jaar in jaar uit tussen de rondvliegende vonken. Ik wil hier niet licht over doen.

Woorden vreten zich een weg door onze hoofden, nestelen zich. Crisis. Vernietiging. Verdwijnen. Uitsterven. Te Laat. Vijf over Twaalf. Te laat! Maar in alle tijd die ik nodig heb om wekkers kapot te slaan (want dat is de impuls die ik voel na deze woorden), had ik ook iets nuttigs kunnen doen. Iets met waterstofmoleculen in een laboratoriumpje. Ja, ik ben een optimist. Een onhandige eigenschap als je wilt schrijven. Beter wend ik mijn dramatische instincten aan om elke crisis te verzilveren tot literatuur.

Natuurlijk is er actie nodig. De geschiedenis heeft uitgewezen dat we altijd een klein groepje gekken nodig hebben om de wereld te verbeteren. Laten we milieuactivisten dan ook aanzien voor wat ze zijn: gekken. Wat wil een mens? Vreten en veiligheid. Dat we ons nu druk kunnen maken om ongeboren kleinkinderen en leven op andere aardplaten, is fantastisch. Een wonder van empathie, een wonder van welvaart. Iets wat we nooit als vanzelfsprekend moeten zien, maar als iets wat best een beetje gek is. Op een goede manier. Zeker als je erbij stilstaat dat de gemiddelde poolvos zich, vermoed ik, weinig aantrekt van óns lot. Ik wil de letterslang omdraaien en erkennen dat ik gek ben. Dat ik een dier-plus ben. Dat ik iets héél bijzonders kan: geven om de wereld buiten mijn eigen familie- en vriendenkring. Misschien ga ik het dan steeds vaker doen.

Industrieterrein

Als een baan in de natuur er niet van komt, wil ik graag op een industrieterrein werken. Natuurlijke en menselijke wildernissen zijn niet zo verschillend. Ze geven me hetzelfde weidse, verlaten gevoel. In beide wil ik in mijn eentje na zonsondergang niet ronddwalen zonder zaklamp. Of juist wel.

Laatst moesten we gekookte lijnolie kopen bij een verfwinkel in Göteborg. Die verfwinkel bleek midden op een reusachtig industrieterrein te liggen, dat deels nog in aanbouw was. Het was zondag, de wind woei en alle graafmachines waren bevroren in actie. Groepjes zilvermeeuwen stoven voor ons op. Hekken, graffiti en zand. Bijna misten we een afslag en reden we de modder in. Een industrieterrein in aanbouw is een slechte plek om jezelf vast te rijden. Vooral op zondag in Zweden. Van vrijdagmiddag tot maandagmiddag ligt het land op z’n gat. Hulp die snel ter plaatse is, is trouwens ook verdacht. Het bestaat hoor, modderpoelen die niet gedempt worden omdat het lokale sleepbedrijf ervan moet leven. In België maakten we dit mee, naast de snelweg. Lachend kwamen ze aanrijden. Routineklusje.

Een industrieterrein is werkelijkheid. Een centrum is leuk en pittoresk, maar wordt aangevuld vanuit magazijnen en die magazijnen moeten ergens staan. En de producten die de magazijnen vullen moeten ergens worden gemaakt. Vroeg of laat moet iemand met aanleggers en steekkarretjes in de weer om dat allemaal in goede banen te leiden. Veel materie, weinig zielen. Werk achter de schermen. Ik moet denken aan het gedicht ‘Liebherr’ van Koenraad Goudeseune: “Zware industrie geeft me vrede.” Hij postte het laatst op Facebook en het raakte me. Wat ik er precies ga doen weet ik nog niet. Het moet een baan zijn waarbij ik af en toe naar buiten moet, maar niet de hele tijd. Er moet minstens één voertuig bij betrokken zijn dat niet de openbare weg op mag. En reflecterende werkkleding.

Ringön

Het industriegebied Ringön bij Göteborg, waar we bijna vast in de modder kwamen te zitten.

Freek

Dat hij varanen en roofvogels naar poparena’s brengt. Soit. De meeste kritiek op Freek Vonk gaat over dierenwelzijn, maar gejank om een beestje dat wat lichtprikkels krijgt vind ik makkelijk. En ja, veel wilde dieren zijn in compromitterende houding met Nederlands bekendste bioloog op de foto geweest. Daar hebben ze geen toestemming voor gegeven, maar we mogen er vanuit gaan dat hij weet wat hij doet. Meestal. En daarnaast: een nieuw lievelingsdier voor een hele generatie is ook wat waard. De anti-speciesisten zullen het wel niet met me eens zijn.

Waarom krijg ik dan toch kramp? Het heeft met mijn eigen helden te maken. De afgelopen jaren volgde ik een aantal veldbiologen. Vaak jonge mensen, die maanden achtereen witbrood met jam eten in een vervallen gebouwtje in de jungle van Borneo. Die elke dag op pad moeten voor data, maar hun onderzoeksobject zelden van dichtbij te zien krijgen. Laat staan dat ze er selfies mee nemen. Of ze liggen nachtenlang wakker in een hangmat bij de rivier, om neusapen te bestuderen. Het klinkt gaaf, maar na een paar weken kun je die apen niet meer zien. Kan het je niets meer schelen om welke tijd ze nu precies beginnen te roepen en waarom. Maar je noteert het. Maandenlang zonder Netflix, wijn of vrienden. Freek arriveert elke week op een ander continent, zo lijkt het. Roept ‘oeh!’ en ‘ah!’ en verdwijnt weer uit beeld. Zeker, hij deelt feitjes. Maar het zijn oude feitjes.

Omdat ik graag gave filmpjes met dieren wil maken.” Amber (9) zit aan tafel bij De Wereld Draait Door, haar held heeft net gevraagd waarom ze graag bioloog wil worden. Als ze wint, wordt ze zijn assistent in de nieuwe liveshow. Het had zo mooi kunnen zijn: “Omdat ik wil begrijpen hoe de natuur in elkaar steekt.” Of, als je een filosoofje in de dop hebt: “Omdat ik, door dieren te bestuderen, wil ontdekken wat het betekent om mens te zijn.”

Vonkfoto2

Ach, wie houd ik voor de gek. Mijn tienjarige ik wilde graag stropers in de boeien slaan. Ik had er nog een brief over geschreven naar Geef Nooit Op. Maar wilde ik dat omdat ik geen onrecht kon verdragen, of omdat het me heel erg stoer leek? Waarschijnlijk beide. Natuurlijk wilde ik gave filmpjes maken met dieren. En nog steeds. Het sluit alleen zo slecht aan bij de praktijk.

In Taiwan ontmoette ik een man die een miljoen mieren en termieten heeft geteld en op soort gesorteerd. Om iets over het voedingspatroon van schubdieren te kunnen zeggen en hun rol in het ecosysteem. Vier jaar lang moest hij dagelijks in het donker achter schubdieren aanvangen, daarna was hij vier jaar bezig met het uitpluizen van de drollen in zijn vriezer. Nooit mocht hij een keertje op reis. Of zich met een ander dier bezighouden.

Het zijn de langeafstandslopers van de wetenschap die ik bewonder. Volgens mij is het niet moeilijk om aan een mensenkind dat nog geen acht jaar op deze planeet rondloopt, uit te leggen wat het betekent. Een man die zolang als jij leeft een dier onderzoekt. Dat moet wel een héél interessant beest zijn! Heb je gelijk een mooi aanknopingspunt om het over wetenschap in actie te hebben. Kijken, nadenken, nog meer kijken. Verzamelen, kijken, nadenken. Nog meer verzamelen. Op den duur misschien iets schrijven. En helemaal op het eind: een leuk filmpje opnemen. Meestal dat zelfs niet. Maar uiteindelijk kunnen die mensen wél Freeks Wikipediafeitjes updaten. Tuurlijk, Freek is een echte slangendoctor en heeft serieuzere teksten geproduceerd dan de columns op zijn website (‘toen ik het beest zag, vloog ik meteen in de boom om hem te pakken!’). We merken er alleen zo weinig van.

Sinds kort staat hij wat vaker zonder glimlach op de foto. Hij heeft een stichting tegen wildlife crime opgericht. Netjes vermeldt hij zijn methode. Dat hij niet zelf met knuppels over de savanne rent om stropers in te rekenen, maar dappere mensen heeft ontmoet op zijn reizen. Heel veel komt er nog niet binnen, maar we mogen erop vertrouwen dat zijn hoofd de doneerknop op den duur vanzelf laat rammelen. Het is precies het juiste onderwerp. Als de illegale wildhandel niet stopt, is het bewonderen ook gauw afgelopen. Kinderen bakken cakejes tegen de ieliegel wildlijf krijm, ik vind het fantastisch. Maar wat me echt over de streep trekt: het schubdier staat in de line-up van bedreigde dieren. Hij heeft zelfs een eigen pagina: “Schubdieren zijn de meest bizarre zoogdieren die ik ooit heb gezien.” Oké, ik ben om. Doet u mij maar één ticket Freek Vonk Live: Dwars Door De Wildernis.

Walhalla

De eerste wandeling door de Zweedse zomer. Benen die krakend op gang komen, als een machine die te lang heeft uitgestaan. Bij elke stap, elke ritselende boom, elk bloemenveld, komen er geluksstoffen vrij in mijn hoofd. Het heeft de afgelopen twee dagen niet geregend, toch ligt er modder. Vorig jaar, toen drie maanden droogte alle velden in woestijn had veranderd, was alleen de mosvloer van het bos nog vochtig. Wat een briljante klimaatbeheersing. Als de rest van de wereld op apegapen ligt door droogtes en overstromingen, kunnen de vinkjes in het bos nog drinken.

Ik kom langs een open plek vol hoge distels en fluitenkruid. Volgens een Noorse boer, waarbij we in 2010 een maand verbleven, geloofde men vroeger dat op dit soort plekken het Valhöll is; het Walhalla. De hemel waar de zielen van helden bij Odin mogen komen. Bloemen zo hoog als mensen; dat moet inderdaad het paradijs wel zijn.

Walhalla1

Een ‘Valhöll’, oud-Noors voor Walhalla. © Anne Broeksma

De kerstbomenheuvel heeft er varens bij gekregen. Meestal stop ik hier even, maar nu ik alleen ben wil ik doorlopen. Wanneer ik afdaal, zie ik een grote bruine gestalte tussen de dennen staan, zo’n vijftig meter verderop. De gestalte kijkt me een paar seconden aan en rent dan wat onhandig weg. Een vrouwtjeseland, op klaarlichte dag. Omdat ik over een heuveltje kwam kon ze me niet ruiken. Hier in Värmland wonen ook een paar witte elanden. In 2017 ging er een filmpje de hele wereld over. Het lijkt me magisch er eentje tegen te komen. De associatie van wit met iets heiligs of in ieder geval met de geestenwereld, is zo oud als de mensheid. En toch; als alle elanden wit zouden zijn, zouden we op zoek gaan naar bruine.

Bos wordt afgewisseld met glooiende vergezichten. Een buizerd vliegt heen en weer en krijst doordringend. Er komt hier nooit iemand wandelen, zelfs niet in juli. Zweden wandelen niet. Die rijden auto of quad. Een vrouwelijke ruiter komt uit een zijpad schieten, roept ‘stå till!’ Het is een kleintje, ik denk een IJslander van de manege verderop. Oké, Zweden rijden ook weleens paard.

Walhalla2.jpg

Verlaten veldje tijdens de wandeling. © Anne Broeksma

Ik blijf staan op een splitsing van paden en zie koolmeesjes zenuwachtig heen en weer wippen in het berkenbosje naast me. Dan zie ik waarom. Een klein en pluizig exemplaar zit naar me te piepen vanaf een tak, op nog geen twee meter bij mijn hoofd vandaan. Volgens mij denkt het domme beest dat ik hem ga voeren. De familie is in rep en roer. Ik grinnik.

Wat is het heerlijk om alleen te lopen. Je hoort meer en beleeft alles intenser. Ik eet wat klaverzuring en loop langs grote keien die bedekt zijn met rendiermos. Dan ligt er opeens een akker aan mijn voeten. Als de kleurstrepen op de bomen stoppen en er ligt een veld aan je voeten; gewoon doorlopen. In Zweden is de richting bij twijfel altijd rechtdoor. De bloemen komen tot boven mijn middel. Knoppen en insecten tikken tegen mijn benen en romp, met mijn armen bescherm ik mijn gezicht. Dit Walhalla is wat vol. De hommels en bijen vinden het niet leuk dat ik hun maaltijd verstoor.

Walhalla3

Akkerdistels (Cirsium arvense). © Anne Broeksma

Na een afdaling door het bos kom ik langs een rivierdalletje, over een begroeide wal met veel gekwetter. Dit stuk is anders dan de rest: natter en dichter. Een Zweedse versie van jungle. Als ik twee uur later weer bij het beginbord sta, loop ik door de volle zon over het zandpad naar huis. Dat ik in een bed slaap en toch zomaar door een bos kan dwalen wanneer ik zin heb. Wat een wereld.  Morgen ga ik weer.

Vleermuis versus kunst

Ooit woonden er 2 miljoen vleermuizen in het Nationale Museum van Cambodja. Toen Pol Pot in 1975 Phnom Penh ontruimde, werd de bevolking op voetreis naar werkkampen op het platteland gestuurd. De stad bleef leeg achter. Toen kwamen de vleermuizen. De zolders van het statige oranje gebouw bleken een perfecte broedplaats voor een bepaald soort ‘kreukellipvleermuis’ (Chaerephon plicatus). In de jaren tachtig groeide de kolonie uit tot de grootste vleermuizenkolonie in een door mensen gemaakt gebouw. Voor inwoners en toeristen een mooi gezicht; de zwarte wolk waar ‘s avonds, wanneer de dieren terugkwamen van hun insectenjacht, geen einde aan kwam. Ook het olympisch stadion had een grote kolonie. Voor medewerkers en bezoekers van het museum was het minder leuk. Bij droog weer woei de verbrokkelde poep door ramen deuren. In het regenseizoen was de stank niet te harden en stroomde er een zwarte cocktail van uitwerpselen en urine langs de muren en over de duizend jaar oude beelden.

national museum

Het dak van het museum bood ruimte aan 2 miljoen vleermuizen. (batcon.org)

Bij gebrek aan een oplossing bleef men boenen op de Boeddha’s, Vishnu’s en Ganesha’s. Het personeel werd ingeënt tegen hondsdolheid en de pest. Want naast luizen en teken, sprongen er ook vlooien van de vachten af. Er was maar één voordeel. Guano, de gestapelde stront van vleermuizen, bevat veel nitrogeen, fosfaat en kalium, wat het zeer geschikt maakt als bodemverrijker. Met de guano kon het museum op een gegeven moment een derde van de draaikosten van het museum betalen. Ongeveer een ton in gewicht werd er per maand bij elkaar geveegd.

Ondertussen liepen de bezoekers met Vietnamese punthoeden op, tegen de teken en vlooien. “In het Nationale Museum van Cambodja is zulk gedrag onacceptabel!” riep museumdirecteur Khun Samen in één van de krantenberichten uit die tijd. Uiteindelijk bouwde de Australische regering in 1995 voor 500.000 Amerikaanse dollars een houten ‘vleermuizenvloer’, die alle troep moest tegenhouden. Het werd een fiasco. In het regenseizoen stroomde de zwarte drap nog steeds door gaten langs de muren. Stank en ongedierte bleven. Rond die tijd begon Samen echt wanhopig te worden. “Dit is niet het vleermuizenmuseum, dit is het museum van Cambodja! Als jullie vleermuizen willen zien ga je maar naar Battambang!” (In Battambang zitten vleermuisgrotten die veel toeristen trekken). Natuurbeschermers wilden de vleermuizen behouden, want zo’n kolonie eet ongeveer 4000 personenauto’s aan insecten per jaar. Veel van die insecten zijn gewas bedreigende soorten. En dan leveren ze ook nog eens meststof. Een zegen voor de boeren, die geen gif hoeven te gebruiken.

nationalmuseumbats

Een deel van de vleermuizenkolonie in het dak van het Nationale Museum van Cambodja. (batcon.org)

Veel organisaties kwamen langs en hadden plannen, maar fondsen bleven uit en niemand kwam over de brug om museum en vleermuizen te helpen. Uiteindelijk nam Samen het heft in eigen handen. Zijn medewerkers plaatsten in het holst van de nacht kippengaas over alle openingen. Op papier had het museum de vleermuizen niets aangedaan, maar zonder grote schuilplaats kunnen ze niet overleven. Deze soort heeft een systeem van groepszorg, waarbij de jongen in kinderdagverblijven zitten.

Het schrikbewind van Pol Pot, waaronder een kwart van de bevolking werd uitgemoord, duurde tot 1979. Daarna kwam Cambodja in handen van de Vietnamezen. De vleermuizen hebben nog tot 2002 als een schaduw boven de mooiste kunst uit het rijk van Angkor gehangen. Ongeveer zolang als het land nodig had om de brokstukken bij elkaar te vegen. In 2003 werd er een tribunaal opgericht om de leiders van de Khmer Rouge te vervolgen.

chaerephonplicatus

De Chaerephon plicatus of ‘wrinkle-lipped free-tailed bat’

Onder het oppervlak

Het is een warme zomeravond in juli, aan een meer in Midden-Zweden. Wilgenroosjes tegen de blauwe lucht, de bosbessenheuvel die heldergroen oplicht in de late zon. Ik word afgeleid door iets kleins en grijzigs, naast mijn slippers in het gras. Een soort kever? Als ik buk maakt het een sprong. Een minuscuul kikkertje. Dan zie ik het pas goed. Overal om me heen springen minuscule bruingrijze kikkertjes. Klein, maar compleet. Het staartje is er al af. Froglets, heten die in het Engels. Een perfecte naam. Je hoort het Kermit liefkozend tegen zijn neefje Robin zeggen: “Come here, you little froglet!” Zijn het bruine kikkers, of heikikkers? Die zijn zelfs in volwassen vorm al nauwelijks te onderscheiden. Af en toe lopen ze een stukje, alsof ze uitvogelen welke manier van verplaatsing het beste werkt. Ze komen uit het water en trekken schuin over het gras richting het bos, in verschillende richtingen. Achter me ligt er eentje op z’n rug, het bolle witte buikje zichtbaar. Oeps. Hij trekt nog één keer z’n knietjes op. Ik durf geen stap meer te verzetten.

Middenin een triomftocht sta ik. Wie heeft het ooit verzonnen. Een stipje in de blubber, aan de rand van een meer. En dat wordt dan een visje. En als het een visje is, moet dat visje alles wat het vis maakt weer kwijtraken. Zijn zuigsnoet, zijn kieuwen, zijn staart. Er zou net zo goed een nieuw ei gedropt kunnen worden. Maar na die transformatie heb je ook wat: het leukste koelbloedige dier op de Ark. Glimogige, teerspringende, kwakende ademhuiden. Hoe dat kikkervisje weet dat het geboren is voor een leven in een andere, groenere dimensie, weet niemand. Nouja; het is een hormoon dat zijn lijf transformeert. En als je de vorm hebt, volgt het gedrag vanzelf. Maar dat is de feitelijke, de gruwelijke uitleg van metamorfose. Van ledematen die plotseling uit buiken groeien en longen die zich uitklappen als parachutes. Alles wat je kunt doen is wachten tot het ophoudt en de schade opnemen. Ik hou het liever bij het kikkervisje dat droomt van een leven op het mos.

Een uur geleden lag ik zelf nog in het water, toen ik uit de sauna kwam. Ik voelde me toen duidelijk zoogdier. Een warm, dampend beest dat net iets teveel lawaai en rimpelingen maakt. Een bezoeker van het meer, hoogstens. Maar mensen groeien ook in het water en weten instinctief dat ze in een andere dimensie horen. De weg wordt altijd gevonden, hoe smal de doorgang ook kan zijn. Worden kikkers eigenlijk twee keer geboren? Stel je voor dat een baby in het eerste of tweede levensjaar opeens in een ander wezen verandert. Iets met kieuwen en een staart. En dat het vóór de transformatie compleet is, het water bereikt moet hebben. Baby’s die ‘s nachts wegkruipen door achtertuinen, plotseling in sloten en vijvers verdwijnen.

frogletcommonfrog

Froglet van een bruine kikker, © Marianne Taylor