De geschubde Indische hagedis

Wie ‘schubdier’ intikt op Google, komt nog steeds een berg artikelen tegen in de categorie ‘het dier waarvan je niet wist dat het bestond’. Inmiddels, we schrijven begin 2021, is dat wat achterhaald. Sinds ongeveer 2016 wordt er wereldwijd volop bericht over dit ‘meest gestroopte dier ter wereld’ en de pogingen het voor uitsterving te behoeden. Zelf deed ik tussen 2018 en 2020 een paar duiten in het zakje, samen met Alexis de Roode. Toen schubdieren in maart 2020 na vleermuizen ook op de lijst met mogelijke overbrengers van SARS-CoV-2 terecht kwamen, ging het helemaal los. Er bestaat inmiddels een South Park-aflevering met Randy en een schubdier, die ik niet zonder handen voor mijn ogen kan kijken. Wie nu nog niet weet wat schubdieren zijn, leeft onder een steen. Of woont net als schubdieren diep in een vochtig oerwoud en komt alleen ‘s nachts een paar uur naar buiten.

Voor ze bekend werden als het meest gestroopte dier ter wereld, was dat anders. Toen hadden ze nog geen eigen pagina op de website van het WWF, geen Jackie Chan en Leonardo Dicaprio als ambassadeurs en geen eigen dag (vandaag!). Waren ze hooguit ‘een soort gordeldier’, meer een categorie dan een soort, of een weetje voor de echte dierenfreaks. En dat is vreemd. Want tussen de zestiende en achttiende eeuw kwamen er via de bloeiende intercontinentale plunderroutes volop schubdieren naar Europa. Geen rariteitenkabinet zonder schubdier. En toch moest het dier bijna uitsterven om via een omweg toch nog ons collectieve geheugen te bereiken. Hoe kan dat?

Toen de Nederlandse tropenarts Jacobus Bontius (coole geleerde naam voor Jacobus de Bondt) een schubdier cadeau kreeg op Java rond 1630, stopte hij het vreemd uitziende dier met een ‘koude natuur’ in een badje. Hij doopte het een geschubde schildpad en classificeerde het als amfibie. Van de schenker had hij gehoord dat het holen groef in rivierbanken, waardoor hij vermoedde dat het zowel op het land als in het water leefde. Na een paar dagen stierf zijn geschubde amfibische schildpad. De ‘huid’ ging in zijn collectie Indische dieren en hij beschreef het in zijn Historiae naturalis et medicae Indiae Orientalis (1631), een werk over natuur en tropenziekten in Indonesië. Hij maakte ook een tekening van het dier, waarop het inderdaad op een schildpad lijkt, met een enorm rond lichaam en een piepklein schildpaddenkopje.

Jacobus Bontius’ ‘geschubde schildpad’ (1631)

In de catalogus van de schatrijke Amsterdamse apotheker Albertus Seba (1734), zien we juist een wat langgerekt schubdier, afgebeeld tussen de slangen. Misschien zag hij op basis van de tong aanknopingspunten met de slangen die hij al in zijn collectie had.

Plaat met ‘geschubde dingen’, uit Albertus Seba’s Locuplettisimi rerum naturalium (1734)

Wie de westerse beschrijvingen en tekeningen van schubdieren uit de zeventiende en achttiende eeuw vergelijkt, kan nauwelijks geloven dat het om hetzelfde beest gaat. De een heeft het over een ‘Taywansche Duyvel’, die met zijn gegraaf de funderingen van huizen ondermijnt, de ander noemt het een schuwe schildpad, of onschuldig snuivend ‘visvarken’. De angsten en verlangens van kolonisten schemerden door in de beschrijvingen, waardoor ze een politieke lading krijgen. De ‘Taywansche Duyvel’ ondermijnde ook de onzichtbare funderingen van de Nederlandse handelsmissie op Taiwan vanaf 1620. Het onschuldige, opgerolde dier met ondoordringbaar pantser echode het mysterieuze, onkenbare volk dat onder de duim gehouden moest worden. In catalogi van collecties bleken ze te plooien naar welke groep van schubachtige beesten dan ook. Ze komen voorbij tussen de slangen, vissen, schildpadden en hagedissen. Tussen alles behalve zoogdieren. Een Portugees in Thailand had het in de zeventiende eeuw zelfs over ‘een schaamtevol insect’.

Dit heeft ten eerste te maken met de manier waarop ze in Europa arriveerden: als ‘huiden’, ontdaan van vlees en botten. En een enkele keer op sterk water. Schubdieren zijn notoir moeilijk in gevangenschap te houden, laat staan in de zeventiende eeuw via een schip levend in Europa te krijgen. Zelfs diersoorten die het nu goed doen in dierentuinen, stierven toen vaker wel dan niet aan een dieet van scheepsbiscuits. Dat er vóór de twintigste eeuw ooit een schubdier levend in Europa is gearriveerd, is vrij onwaarschijnlijk. Ook nu nog is de dierentuin van Leipzig – als ik het goed heb – de enige plek in Europa waar je schubdieren levend kunt aanschouwen. En dat is met dank aan een specialistenteam van de Taipei Zoo.

Ook gordeldieren kwamen in de vroegmoderne tijd volop terecht in naturaliëncollecties door heel Europa, maar dan vanuit de westelijke plunderroutes. De verwisseling van gordeldieren en schubdieren die in de zeventiende eeuw ontstond, is eigenlijk nooit helemaal verdwenen. Nog steeds krijg ik af en toe gordeldierenfoto’s en -filmpjes doorgestuurd van vrienden aan wie ik drie keer het verschil heb laten zien.

Dr. Natalie Lawrence (Cambridge) deed uitgebreid onderzoek naar emblematische biogeografieën van -onder meer- geschubde dieren in de vroegmoderne tijd en staat stil bij de verwisseling van gordeldieren en schubdieren. Ze benadrukt dat gordels en schubben op papier al snel een uitwisselbaar ‘pantser’ worden. Nog zo’n factor. Men moest het niet alleen doen met huiden; meestal had men slechts een tekening of beschrijving daarvan. Als we zelfs in het videotijdperk schubdieren en gordeldieren niet uit elkaar kunnen houden, kunnen we dat van een zeventiende-eeuwer al helemaal niet verwachten.

Tekening van Jan Luyken met links de ‘West-Indische’ en rechts de ‘Oost-Indische geschubde hagedis’. Onscherpe foto door mij.

Uiteindelijk vloeiden het gordeldier uit West-Indië (de Cariben) en het schubdier uit Oost-Indië (India en Zuidoost-Azië) in de loop van de achttiende eeuw samen tot één ‘geschubde Indische hagedis’. Waarbij gordeldieren soms worden aangeduid als ‘West-Indische geschubde hagedis’ en schubdieren als ‘Oost-Indische geschubde hagedis’. Het duurde tot het einde van die eeuw voor deze constructie weer ontrafeld werd en de dieren een eigen identiteit begonnen te krijgen in collecties. In reisliteratuur duurde dat nog veel langer, omdat elke wetenschapper of verzamelaar het liefst een nieuw dier had ontdekt, om het ook zelf te kunnen beschrijven en benoemen. Dat ‘het schubdier’ niet bestaat omdat er acht uiteenlopende soorten door heel Azië en Afrika leven, laten we hier nog buiten beschouwing.

Het is overigens niet zo dat men zich destijds druk maakte over de precieze identiteit van het schubdier. Vóór Darwin en Wallace met hun evolutietheorieën kwamen, werd er vooral gekeken naar nut voor mensen en de plekken die nog opgevuld moesten worden binnen de Grote Kosmologie van het leven op aard. Een juiste classificatie op basis van morfologische, en nu zelfs genetische kenmerken, vond men later pas interessant. De ‘geschubde Indische hagedis’ was soms een schildpad, soms een slang en paste volgens de achttiende eeuwse naturalist Comte de Buffon in zijn Histoire Naturelle ‘uiteindelijk prachtig op de traptrede tussen de reptielen en de zoogdieren.’ Aan Gods grootheid was het te danken, dat hij uitgerekend het traagste, tandeloze dier had uitgerust met een pantser. Hierbij verklaar ik dat mijn vrienden me gewoon gordeldierenfilmpjes mogen blijven sturen. De idee van beide dieren is hetzelfde: schattige tankwagens, gepantserde aardgravers, wandelende dennenappels.

~

Bronnen

Tekst

*Proefschrift van dr. Natalie Lawrence (Cambridge University), over o.m. emblematische biogeografieën van geschubde dieren in de vroegmoderne tijd.
*Penguins, pineapples and pangolins: First encounters with the exotic, boek van Claire Cock-Starkey. Pagina 69.
*Histoire Naturelle, Générale et particulière, avec la description du Cabinet du Roi, door Comte de Buffon (1707-1788).

Afbeeldingen

*Jacobus Bontius’ ‘geschubde schildpad’. Manuscript: Oxford University Library. Foto door Natalie Lawrence.
*Plaat met ‘geschubde dingen’, uit Albertus Seba’s Locuplettisimi rerum naturalium (1734).
*Tekening van Jan Luyken (17e eeuw) met links de ‘West-Indische geschubde hagedis’ en rechts de ‘Oost-Indische geschubde hagedis’. Ik ben vergeten in welk boek ik deze tekening heb gevonden. Foto door mij.

Vandaag verschenen: Vesper

Even geen verhaal, maar een nieuwsflash:

Vandaag is mijn nieuwe poëziebundel Vesper verschenen bij Uitgeverij Atlas Contact. Best een beetje gek om een boek uit te brengen wanneer de boekhandels gesloten zijn, maar ik denk dat dit een goede tijd is om poëzie te lezen. En je lokale boekhandel te steunen! Bovendien is de bundel een reis. Door achtertuinen, vergeten rafelranden, verre oerwouden, boven- en onderwerelden. Een verplaatsing door zeeën aan ruimte en tijd, nu we allemaal in ons mandje liggen.

Nog even over het steunen van die lokale boekhandel. Als je Vesper of een andere bundel koopt in de Poëzieweek van 28 januari tot en met 3 februari, krijg je één, soms twee cadeaubundels erbij. De meeste boekhandels hebben zowel fietskoeriers als postzegels. Ga naar de website van je favoriete winkel om het uit te zoeken.

Meer info en een voorproefje lees je HIER.

Oud-Zuilen

In mijn hoofd is het een volwaardig loofbos, met hoge eiken en een oude galm, maar in de winter schrik ik steeds opnieuw van het postzegelformaat. Een bij elkaar gedreven groepje bomen dat de overgang naar het landgoed inluidt. Van een afstand is het net een ribbenkast. Erdoorheen zie je de weilanden waarlangs je even later weer zult lopen.

Ook het landgoed erachter is postzegelachtig. Wat wandelpaden, weilanden afgewisseld met strookjes boom en hobbyboerderijtjes rond een popperig kasteel. Het is een postzegel die al eeuwen bestaat en een van de weinige stukken natuur die ik met een paar minuten fietsen kan bereiken. Ik klamp me eraan vast.

Sinds deze week is het weer wat drukker. Wandelende thuiskantoren passeren, bespreken luidkeels strategieën met andere thuiskantoren. Het probleem met corona is dat het zich nestelt: in cellen natuurlijk, maar ook in hoofden van ouders, en in mijn pen. Terwijl ik er niets bijzonders over te melden heb. Ik zit nog niet in een medische molen, behoor tot het onbezonnen deel van de bevolking dat ook veel vrijheid te verliezen heeft. De eigen sterfelijkheid ervaart als licht gerommel in de verte. Zonde om daarmee het hoofd dag in dag uit te vullen.

Opeens vraag ik me af hoe het met de onderwereld gaat. Is die ook in lockdown of zijn daar nog goede feesten? Waar kun je nog strooien met biljetten als je net een bank hebt beroofd? En zijn er wel banken open om te beroven?

Ik laat het plechtige postzegelbosje achter me. Boven het weiland naast me duikt een buizerd naar omlaag. In het gras bolt hij zijn vleugels wat naar achteren, waardoor hij wat weg heeft van een kerstengel. Zijn snavel en klauwen blijken leeg.

Een paar weken terug liep ik hier met een vriendin. Een groepje blauwe reigers stond zo mooi in een cirkel in het weiland, dat ze over een laag stuk prikkeldraad stapte en erop af liep. Gewoon, om te kijken wat er zou gebeuren. Ik volgde. Al voor we in de buurt kwamen werd het geheime verbond verbroken. Haar schijnbeweging leverde ons wel iets anders op. Bij onze voeten, tussen het felgroene gras, groeiden grijze madeliefjes. Even dacht ik dat dit heel oude, verdorde madeliefjes waren, maar mijn app leerde ons over het klein mestplooirokje, een piepklein paddenstoeltje dat op mest van herbivoren groeit.

Toen we het weiland beter inspecteerden, zagen we ook overal gaten in de grond. Ik boog me voor de grap naar een gat en tot mijn verbazing werd er terug gekeken door twee zwarte kraaloogjes. Veldmuizen! Ook in andere gaten zaten ze. Ze bleven gewoon zitten terwijl we onze hoofden als zonsverduisteringen langs de gaten bewogen. Sindsdien kan ik niet meer langs dat veld lopen zonder aan de wereld van klein zoogdier eronder te denken. Muisjes die wachten tot de seizoenen verschuiven. Hopen dat geen engel ze de lucht in komt tillen.

Het centrum van dit dorpje bestaat uit een kruispunt met een gesloten hotel, een gesloten restaurant en een gesloten kerk. Naast de deur van de kerk hangt een plakkaat: ‘voormalig hervormde kerk’. Ik vraag me af welke stroming er nu dan in het kerkje huist. Erachter ga ik zitten op een stenen plateau, met uitzicht op de slangenmuur rond het kasteel. Boven me steken takken fel af tegen een blauwe lucht. De winter trekt veel lijnen, maar vult weinig op.

Over de keien langs het kasteel passeert een roze koetsje met een groot zwart paard ervoor. De koets is niet veel meer dan een plastic zeil, gespannen over een rijtuig. Meestal vind ik dit suf, net als de roze limousines die je hier soms de parkeerplaats op ziet rijden. De materialisatie van iemands bijzonderheid. Even met wat erfgoed op de foto en weer terug in je hok. Maar nu is het anders. Nu kijk ik jaloers naar het glunderende gezin dat in het koetsje passeert. Een uitstapje!

Ik sta op en slinger een stukje langs de Vecht voor ik weer langs de velden loop. Aan de overkant van de Vecht, achter de boomgaarden, zie ik het licht van weer een winterdag uitdoven in een ietwat waterige, oranje vlek. Dan word ik weer opgenomen in het postzegelbos.

Hoog tegen de stammen heeft iemand zwarte kasten gespijkerd, met het silhouet van een vleermuis erop. Opeens hoop ik vurig dat ik ooit nog aan vleermuizen kan denken zonder ook aan corona te denken. Niet omdat ik bang voor ze ben, maar omdat hun wereld me interessant lijkt en veel meer omvat dan de virussen die ze dragen. Het ontroert me ergens ook wel, die kasten, hoog boven de hoofden van de coronawandelaars.

Net voor het echt donker wordt glip ik het bos weer uit. In de verte zie ik de flats van Overvecht al gloren. Het ziet er een beetje lachwekkend uit, zulke vierkante, massieve gebouwen, met eindeloos veel raampjes. Ieder zijn eigen lockdownhok. Het laatste stuk naar mijn fiets loop ik wat steviger door, er begint een ritme in te komen. Links van me hoor ik een sliert popmuziek opstijgen vanaf de ijsbaan. Voor me het ruisen van auto’s over de ringweg, als aanspoelende golven. Mijn ontsnapping is voorbij. Ik trap me de wijk in en verdwijn weer in mijn holletje.

Kakkerlak

Eigenlijk was ik me aan het verdiepen in mieren en termieten, om meer te weten te komen over de rol van schubdieren in het ecosysteem. Maar ik ben via de termieten per ongeluk in de wereld van de kakkerlak terecht gekomen (termieten zijn er een soort zusterorde van) en het verveelt niet. Opeens begrijp ik waarom de soort zo succesvol is en men denkt dat het straks kakkerlakken zijn, die zij aan zij met ratten als overwinnaars onder de ruïnes van onze beschaving tevoorschijn zullen kruipen. En ook waarom ze zoveel walging oproepen. Ik bekijk foto’s en stel vast: ook bij mij. Kakkerlakken zijn plat, waardoor ze overal onderdoor kunnen rennen. Als je dat zou doorrekenen naar een mens: met een snelheid van 330 kilometer per uur.

Platte, snelle insecten hebben een ongunstig uitpakkende walging/verweer-ratio: het rennen maakt ze onvoorspelbaar (=eng) en het sterke platte lijf maakt ze moeilijk te vermorzelen met oude kranten of instortende beschavingen. Daarnaast leven ze verstopt in het donker, alleen, maar blijven ze wel in kleine groepen bij elkaar in de buurt. Om dan als een speciale eenheid tegelijkertijd tevoorschijn te komen en ergens op af te rennen. Wat het signaal is weet niemand. Men vermoedt (zoals altijd als het over diercommunicatie gaat die nog niet door Homo sapiens werd onderschept) dat ze bepaalde chemicaliën uitscheiden met hun speeksel en op die manier communiceren. Ik houd het op telepathie.

Tekening van een Amerikaanse kakkerlak (Periplaneta americana)

De voortplanting is al even efficiënt: “Het mannetje schuift zijn achterlijf onder de kop van het vrouwtje door en maakt zo contact.” Tijdens de paring doet het vrouwtje zich tegoed aan ‘een eiwitrijk papje’ uit het achterlijf van het mannetje. Juist. En al die metamorfosen, dat theater van verstoppen en verpoppen en uitvliegen, waar veel andere insecten hun energie aan verspillen? Doen ze niet. Zoals de meest succesvolle soorten op aarde in termen van voortplanting, zijn ze levendbarend, wat bijzonder is voor een insect. Uit de eieren komt een kant en klaar nimfje. Sterven veel insecten al na een paar weken; een kakkerlak wordt rustig een paar jaar oud. Had ik al verteld dat sommige soorten hard kunnen sissen?

Maar hoe moet dat dan, je weet wel, straks, wanneer wij niet meer bestaan, de wereld een nucleaire afvalberg is geworden en nergens meer iets te eten is? Want ook rennende sissende geleedpotigen moeten toch eten? Kakkerlakken kunnen tot veertig dagen zonder. Een Bijbels getal, en dat voor de Apocalyps op stekelpootjes. En wat eten de meeste soorten dan? Alles. Gewoon, wat wij zoal eten. Plus boeken. Ik geloof dat ik me alvast gewonnen geef.

Vuurkonijn

Ik ben een vuurkonijn. Dat kan ik uitleggen. Ik ben een konijn in de Chinese dierenriem en het jaar 1987 brengt mij het element vuur. Niemand associeert knaagdieren met vurigheid en omdat ik een zwak heb voor tegenstrijdige dieren, ben ik zeer content met dit sterrenbeest. Ze durven meer dan andere konijnen, maar het vuur heeft ook een schaduwzijde. Het vuurkonijn heeft de neiging projecten niet af te maken, lees ik op fengshuiweb.com. Slik.

Ze bestaan trouwens ook echt, diep in een oerwoud op de grens van Laos en Vietnam. In 1996 treft de Britse bioloog Rob Timmins vreemde vachten op een markt in Laos. Roodbruin, met zwarte strepen. Korte pootjes, korte oren, maar overduidelijk Lagomorpha; lid van de orde der haasachtigen. Pas negen jaar later weet een westerse wetenschapper er eentje te vangen. Op een foto staat de Britse biologiestudente Sarah Woodfin, in grijswitte fleecetrui in een nachtelijk oerwoud, het vuurkonijn in haar armen. Als deze foto niet ‘s nachts was genomen en niet in een oerwoud, was dit gewoon een vrouw met een hobbydier. Maar ze maakte onderdeel uit van een bijzondere expeditie. Binnen drie maanden moest het konijn gevonden zijn. Op dag één houdt ze het dier al in haar armen. Omdat ze vroeger zelf konijnen had, wist ze precies hoe ze het dier moest oppakken.

De Britse Sarah Woodfin vangt als eerste westerse wetenschapper een Annamitisch gestreept konijn, in 2005.

Konijnen leven niet s’ nachts en al helemaal niet in oerwouden. Maar dit is het Annamitisch gestreept konijn, de Negolasus timminsi; een anomalie in de natuur. Althans, Sumatra heeft er ook eentje. Maar die heeft minder strepen op zijn snuit, waardoor hij er aanzienlijk minder gevaarlijk uitziet. Erger nog: de strepen zitten vooral op de rug, alsof hij in een tuigje zit. Niet het effect dat je zoekt als mysteriekonijn dat zich tot voor kort aan de mensheid wist te onttrekken. Het zijn de enige gestreepte wilde konijnen ter wereld, de enige ‘s nachts levende konijnen en de enige oerwoudkonijnen. Tussen de Annamitische en de Sumatraanse versie zit tweeduizend kilometer. Tussen nu en hun gemeenschappelijke voorouder vermoedelijk zo’n acht miljoen jaar.

Hoewel pas recent door westerse wetenschappers onderzocht en beschreven, zijn ze – verrassing – alweer bijna uitgestorven. Misschien is het tijd om in actie te komen. Wie wil er nu leven in een wereld zonder vuurkonijnen? Hun tijgerachtige vacht en rode ogen maakt ze tot een prachtig vonkje in de junglenacht. Als iedereen geboren in 1987 nu eens een donatie doet voor de vuurkonijnen. Dan kunnen andere mensen, die daar wél toe in staat zijn, hun projecten afmaken.

P.S. Als je de vuurkonijnen wilt helpen, kun je net als ik een donatie doen aan het Saola Conservation Fund, mede opgericht door Rob Timmins. De saola (‘de Vietnamese eenhoorn’) is een hertachtig hoefdier dat ook pas in de jaren negentig werd beschreven en ‘vlaggenschip’ is voor de bescherming van de bijzondere maar kwetsbare fauna van het Annamitisch gebergte. Over eenhoorns in het algemeen en de saola in het bijzonder een volgende keer.

Ademgaten

Als ik een pad zie, zie ik een wak in het marmer van de nacht. Het komt door Dick Hillenius, bioloog en dichter (29 mei 1927 – 4 mei 1987). Jaren geleden kwam ik bij een antiquair het boekje Ademgaten tegen, een greep uit zijn essays en gedichten. De ondertitel: Denken over dieren. Het was genoeg om het mee te nemen.

Het werd mijn eerste kennismaking met een schrijver die niet over dieren schreef alsof het Disneyfiguren waren. Of die ze tweedimensionaal door de achtergrond liet kruipen ter illustratie van de eigen zielenroerselen. Als kind al stoorde ik me aan die debilisering van niet-menselijke dieren. ‘De natuur’ leek me geen domein vol wezens die ik met een halve blik kon doorgronden. Eerder een mysterieus soort thuis waarvan ik ooit was afgesneden. De wil mijn relatie hiermee te doorgronden, houdt me nog altijd aan het lezen. Een positieve uitzondering op het guitige gedoe dat ik vroeger voor de kiezen kreeg, vormden de verhalen van Anton Koolhaas. En nu had ik de essays en gedichten van Dick Hillenius.

Wat me trof was zijn vermogen dwars door disciplinegrenzen heen te denken. En daar een helder geheel van te maken, waarbij kunst en wetenschap elkaar versterken. Hij werkte als conservator reptielen en amfibieën aan het Zoölogisch Museum van de UvA, maar schitterde vooral als schrijver. En als de eerste Nederlandse tv-bioloog. Op Youtube staat precies één filmpje, waarin hij met behulp van tekeningetjes laat zien hoe de mens door gebrek aan uitdagingen zal evolueren tot druppelvormige zak, zonder ogen of ledematen. Ongeveer zoals het krabbezakje, een rond soort parasiet aan de buik van krabben.

Hillenius1970

Dick Hillenius als conservator reptielen en amfibieën in het Zoölogisch Museum van de UvA, 1970.

Glimmende oogjes, brede mond. Op foto’s zie je zijn kikkerziel doorschemeren. Als een amfibie begaf hij zich in meerdere werelden tegelijk, met vrijheid en veranderlijkheid als grootste waarden. Natuurlijk was hij in de ban van amfibieën. Twee evolutionaire stadia in één dier. Ovidius voor gevorderden.

Daar zitten ze, met gouden ogen aan de waterkant. Probeer je er eentje op te pakken, dan springt ie zo een meter verder. Zonder een spier in z’n kop te vertrekken. Ook Dick verdween helaas nogal plotseling uit beeld. Vlak voor zijn zestigste verjaardag overleed hij, op weg naar zijn boerderij in Drenthe, waar hij in de weekenden werkte aan de perfecte paddenpoel. Een Spaanse vroedmeesterpad kreeg zijn naam: Alytes dickhilleni.

Een gedicht uit die verzamelbundel dat me altijd is bijgebleven:

Padden zijn de tanden van de tijd
zwarte tranen van stenen
nachtogen op zachte voeten
wakken in het marmer van de nacht
een pad is voor de aarde
wat een blad is voor de plant
een ademhand

 

Weerhuisje

Begin april, zomers warm, de vogels fluiten en ik verdwijn in de Heuvelrug. Wat heb ik dit gemist. Voor corona liep ik bijna elke maandag door een ander natuurgebied. Het bos is voor mij geen plek van recreatie, geen plek om bij te praten. Het is de plek waar ik weer een mens met benen en een ritme word. Bij elke stap vliegt er meer troep mijn hoofd uit, ontwaken mijn zintuigen, krijgt elke ritseling in een bladerkroon betekenis. Er zit iets tijdloos in, iets vrij van eeuwen. Ik ben iets op het spoor, al weet ik vaak niet wat.

Net als de rest van de wereld lijk ik de laatste weken op een poppetje in een weerhuisje van Tik Tak, dat Belgische peuterprogramma. Voordeurtje opent – vrouwtje doet boodschappen – achterdeurtje opent – mannetje met gieter komt naar buiten. Het debiele muziekje moet je er zelf bij bedenken. Maar meestal blijft het deurtje dicht. Nu ben ik eindelijk uit mijn weerhuisje gebroken.

Ik kom langs Huis te Maarn. Het heeft iets onheilspellends, zo’n spierwit neoclassicistisch bouwwerk aan de voet van een heideveld. Een verlaten landgoed ervoor, met in druppelvorm gesnoeide heggen onder een strakblauwe lucht. Alsof ik de set van de Wizard of Oz ben opgelopen en iemand op play heeft gedrukt voor de vogels. Snel verdwijn ik weer het grillige bos in, waar ik voor mijn gevoel meer invloed heb op het script.

2020-04-06 15.48.25

De route die ik van internet heb geplukt blijkt een schot in de roos. Ik ben geen mens tegengekomen, op twee kinderen na. Ze werden bestuurd door een grote zwarte hond, toen ik passeerde werd het jongetje bijna een arm uitgerukt. Er zijn hier ook geen routepaaltjes of paddenstoelen, ik heb alleen een papiertje en ik moet bij zandbulten rechts, bij puntvormige jonge sparrenbosjes links en zo navigeer ik mezelf weg van de wereld en ook juist naar de wereld toe.

Bij het volgende heideveldje blijf ik even staan. Iemand heeft hier het verhaal van de levendbarende hagedis op een boom geplakt. Een foto erboven van een monter reptiel tussen de roze bloemetjes, zijn kleine vingers gespreid. Mij ontroeren zulke dingen. Ze hebben een sympathieke foto uitgezocht. Ik lees dat de levendbarende hagedis zich via lijnvormige elementen door het landschap beweegt en ik begrijp dat wij niet zoveel van elkaar verschillen, de levendbarende hagedis en ik.

Tiektiektiek! Iets maakt zich druk. Komt mijn verrekijker toch nog van pas. In de top van een dode zomereik zit een zwart vogeltje met oranje borst. Google leert mij dat het een roodborsttapuit (m) is, die net is teruggekeerd van zijn verblijf aan de middellandse zee. Dat zijn geluid klinkt als ketsende kiezels. Dat hij vanaf hoge punten in droge gebieden zijn territorium overziet. Het klopt allemaal. En zo leer ik van elke wandeling wel iets.

20200406_172711

De warmte, het volle namiddaglicht; het voelt alsof ik door een reusachtige hand ben opgetild toen ik nog in winterslaap was en twee seizoenen verderop weer ben neergezet. De winter alleen nog een vage herinnering aan een periode die lang zou duren, maar plotseling voorbij was.

Via een houten klaphek val ik via een park weer een woonwijk binnen. Het allerlaatste stukje nu. Ook hier is het vreemd. Perfecte lentetuintjes, weinig mensen; zo anders dan een gewone zonnige maandag in de lente is het niet. En toch. Alsof ik hier niet mag lopen. Alsof er uit dat kitscherige raadhuis elk moment een boze vorst kan stormen. Alles doe ik in zijn ogen verkeerd, om te beginnen: bestaan. Het bos voelt een stuk normaler, misschien omdat elk mens je confronteert met jezelf. En waar huizen groeien, groeien ziektes en argwaan. Misschien ben ik in een vorig leven een golden retriever geweest. Het is niet de hondensoort die ik zelf zou hebben uitgekozen, maar soms sluit ik mijn ogen en kijk ik door de ogen van een grote goudkleurige hond. Ik ren door een tuin en kwijl alle bloemen onder.

Project Hildegard

Vorige week woonde ik vijf dagen in de woonwagen van Opium Atelier, pal naast de ingang van het AVROTROS-gebouw. Ik ging erin met een stapel boeken van (en over) Hildegard von Bingen, de twaalfde eeuwse mystica, met als doel er na vijf dagen uit te komen met een gedichtenreeks. Je leest het goed: Hildegard von Bingen op het Mediapark. Hoe dat verliep kun je in woord, beeld en radiofragmenten hier terugvinden. (De uiteindelijke voordracht vind je alleen in de Opium radio-uitzending van 21 februari op ongeveer 1/3).

opiumatelier2

Op zoek naar Arno

(Dit verhaal schreef ik afgelopen december in het kader van een verblijf in de Oostburgse schrijfresidentie van Schrijvers in Sluis).

Na bijna een jaar in het paradijs viel het tegen om weer tussen de Zuilense bakstenen te leven, dus zocht ik naar vluchtwegen. Er bleek een schrijfresidentie te bestaan in het Zeeuws-Vlaamse Oostburg. Een mailtje was genoeg om een huis met een open haard in de buurt van de Noordzee te bemachtigen. Zomaar, omdat mijn geliefde en ik weleens wat letters op papier hadden gezet.

Na drie treinen en een boot kwamen we aan in de haven van Breskens. Bij de Westerschelde had ik me een soort rivier voorgesteld, maar de golven klotsten tegen de ramen. Omdat ik in mijn bloedlijn slechts binnenschippers heb, die met katoen langs mistige provinciesteden gleden, kwam ik misselijk aan land. Via een tunnel liepen we de parkeerplaats op. We hadden onze signalementen doorgegeven (lange zwarte jas, lange bruine jas) en van de organisatie alleen een naam gekregen. Die naam was Arno.

Op de parkeerplaats was niemand te bekennen. Achter ons trok de wind aan een vlaggentouw; een metalig, repetitief getik. Het geluid van verlaten havens. Bij de uitgang van de poort stond alleen een lange man van middelbare leeftijd, die in gesprek was met een jongere man.

Na een belpoging en nog wat wachten (‘hij zit vast achter het stuur’), liepen we toch maar naar de twee mannen bij de poort. “Ben jij misschien Arno?” “Ja”, zei de man van middelbare leeftijd. “Arno!” riep de jongere man die naast hem stond. Hij droeg een dikke witte winterjas en hield een glimmende rolkoffer vast. Hij zag eruit alsof hij uit het Midden-Oosten kwam, of uit Zuid-Amerika misschien. Ouder dan een jaar of drieëntwintig kon hij niet geweest zijn. Samen vormden ze een vreemd duo. De jonge man schudde onze handen zonder zich voor te stellen, wees daarna naar Arno en riep “Arno!” Het enige woord dat hij kende.

Arno vertrouwde ons toe dat hij, toen de boot arriveerde, door de jongen met zijn naam werd aangesproken en sindsdien al een tijdje in een woordeloos gesprek zat opgesloten. Het was vreemd dat de jongen zijn naam kende, misschien was dat de reden dat Arno geen moeite deed hem af te wimpelen. Hij wist dan niet wie de jongen was; de jongen wist wél wie hij was. Met z’n vieren liepen we naar de auto.

Pas toen de jongen ook zijn rolkoffer in de auto van Arno wilde slingeren, grepen we in. In talen die hij niet kon verstaan legden we uit dat Arno twee, niet drie personen bij de boot kwam ophalen. Dat het een vergissing moest zijn, dat het ons speet.

Snel sprongen we in de auto en klapten de portiers dicht. Door de achterruit zag ik zijn gezicht terwijl we uit zicht verdwenen. In puzzelstukjes bleef hij achter op de koude, winderige parkeerplaats. Op een zondagmiddag, op een plek waar geen bussen rijden en waar niemand meer te bekennen was. Het voelde vreemd de zinnen van afwijzing uit te spreken, omdat de ontmoeting in zijn beleving soepel en probleemloos moest zijn verlopen. Wie dacht hij dat wij waren? En vooral: wie was hij?

//

De lucht hing laag en roze boven de kleigronden, die ons in kleine donkere golven omringden. Nog misselijk van de boot, probeerde ik me op de loop van de weg te concentreren. De sfeer in de auto was enigszins bedrukt. Arno stelde voor de toeristische route te rijden.

“Ik begrijp echt niet hoe die jongen aan mijn naam komt”, zei Arno. Ik bezwoer hem dat ik aan niemand onze afspraak had verklapt, dat ik voor de zekerheid het wachtwoord van mijn mailbox zou wijzigen. Maar Arno leek zich daarover niet echt zorgen te maken, zijn uitspraak was niet als beschuldiging bedoeld. Paniekerige gedachten spookten door mijn hoofd. Had een vluchteling mijn mailbox gehackt en naar aanknopingspunten gezocht om zich op een nonchalante, vanzelfsprekende manier in mijn leven te voegen? Om op die manier een veilig thuis te vinden? Ik wist dat het een belachelijke gedachte was, maar kon geen alternatief verhaal verzinnen.

Arno leidde ons de woonkamer binnen. In het huis was alles beige, met boeddhistische details. Vredige boeddha’s boven de haard, in de tuin en op het toilet. Prima. Als je je omringt met heiligen, laat ze dan in ieder geval hun ogen gesloten houden en glimlachen. Eigenaresse Tiny woont een paar maanden per jaar in Thailand en schildert. In de wintermaanden stelt ze moedig haar huis beschikbaar aan vermoeide schrijvers uit de Randstad.

Bij het teruglopen naar de hal viel het schilderij naast de deur van de woonkamer me op. Een zoekende man op het station. Keurig in cognackleurig pak, koffer in de hand, maar om hem heen is het donker. Hoewel zijn pak gedetailleerd geschilderd is, is zijn gezicht een zwart gat, het valt samen met de omgeving. Alsof hij niet alleen de weg, maar ook zijn identiteit kwijt is. Ik voelde me berispt.

//

In de Joodse traditie is het heel normaal om rekening te houden met een ongenode gast. Een lege stoel, een leeg bord en de deur een beetje op een kier. Je weet maar nooit wie er door de koude decembernacht over de velden komt gelopen. Misschien wel profeet Elia, om de terugkeer van God op aarde aan te kondigen.

Tiny had haar hele huis voor ons, onbekenden, opengesteld. Kerst was in aantocht. Het huis heeft een extra eenpersoons slaapkamer, hadden wij echt geen plek voor hem gehad? Worden profeten niet altijd geboren in de stallen van de rijken die een oogje dichtknijpen? Mooi idee; barmhartigheid, maar wat had ik ooit meer gedaan dan geld overmaken naar stichtingen? De liedjes die ik als kind zong in de kerk vond ik prachtig en vol van belofte, maar nooit had ik het echt op mezelf betrokken. De Bijbel was een toneelstuk in een zandbak in een ver verleden. Stond mijn deur wel op een kier, of alleen voor vrienden en familie? Zou ik ooit bereid zijn een vreemdeling in huis te nemen, zonder te weten wat me te wachten staat?

An empty chair and hannging light bulb in a dark room

Ik dacht aan de man die ik een tijdje Nederlandse les had gegeven in Overvecht. Op een gammel bootje was hij de zee overgestoken. Hij spoelde aan op een klein militair eilandje in Griekenland. Ternauwernood in leven, door gebrek aan zoet water, werd hij naar een groot vluchtelingenkamp gebracht. Hij ontsnapte en wist via via in Zwitserland te komen. Daar regelde hij een vals paspoort en pakte de trein naar Nederland. Als hij in de trein gecontroleerd zou worden, was het over; de vervalsing was matig uitgevoerd. Uitgeput van het vluchten sliep hij de hele rit en werd niet gecontroleerd. Nu, twee jaar later, werkten hij en zijn vrouw bij de Rabobank. In Idlib hadden ze ook bij de bank gewerkt, maar die stond er niet meer.

Natuurlijk had de jongen in de witte jas na zijn aankomst in Nederland de trein naar Vlissingen gepakt. In zulke uithoeken was minder politie en immigratiedienst. In Vlissingen kocht hij van zijn spaarzame centen een nieuwe jas en een nieuwe koffer, om zijn nieuwe leven netjes tegemoet te treden. “Arno” luidde de sleutel tot dat leven. Die naam had hij uit mijn mailbox gevist. Of nee, die naam had hij op de boot opgevangen, of nee, die naam had iemand hem getipt. In een huis waar je gratis mag wonen doet men toch niet moeilijk over een huisgenoot meer of minder? Misschien was hij wel een dichter.

//

Het is avond. Arno staat middenin onze woonkamer en zwaait met een afstandsbediening. Hij is overgekomen omdat ons geluid het niet doet. Omdat we thuis geen tv hebben, mogen we hier van onszelf tv kijken. Of hij nog iets over de jongen heeft gehoord. Hij lacht. Natuurlijk; in een dorp blijven raadsels nooit lang raadsels. Dat hij met iemand in het bestuur van een sportclub zit. De tweede en laatste Arno van het dorp. Gek dat hij niet gelijk aan hem had gedacht. Arno Twee heeft een zoon, die over een paar dagen met een Venezolaanse trouwt. De familieleden druppelen Oostburg een voor een binnen. De jongeman was een broer of een neef, hij zou opgepikt worden door Arno Twee. Die kennelijk nog niet in de haven was toen wij aankwamen. Een bizar toeval.

Ik kijk naar het schilderij aan de muur. Naar de man in zijn nette pak, zijn zoekende lichaamshouding. Hij heeft aan alle voorwaarden voldaan, hij is voorbereid op reis gegaan, maar het blijft stil om hem heen. Eén naam, het had genoeg moeten zijn. Maar de naam wees hem af. Heel even was hij voor eeuwig verloren. Even later kwam Arno Twee waarschijnlijk toeterend aangereden. We zijn puzzelstukjes die meestal hun plaats wel vinden. Die jongen zit nu zijn cultuurshock te verwerken, op een bank, naast zijn zus of nicht die hij lang niet heeft gezien. De wind waait om het huis en kolkt door de schoorsteen. Ik denk aan de puzzelstukjes die niet worden gezocht.

Duizendknoop

(Dit verhaal schreef ik in de 2e helft van september tijdens een verblijf in schrijfresidentie De Wolkerstuin, het voormalige tuinhuis van Jan en Karina Wolkers op tuinpark Amstelglorie in Amsterdam).

Hoe ga je geconcentreerd schrijven omringd door een tuin als een regenboog? Als een inbreker in een snoepwinkel sluip ik rond. Ik verzamel de zaaddozen van de Oost-Indische kers, om kappertjes van te maken. De oranje bloemen stop ik in mijn mond. Ze smaken fris en peperig. Ik signaleer basilicum, tijm, selderie, salie. Inspecteer de zware paarse lijven van de aubergines en zie dat Anneke Brassinga alle komkommers heeft opgegeten. Achter het huisje hangen doffe peren tot boven de sloot. Hoewel ik de tuin als een lopend buffet beschouw, wil ik wachten tot ze rijp zijn en makkelijk loslaten. Zonder voelen en proeven is een tuin een ansichtkaart, een plaatje van groen en wat kleuren.

2019-09-19 12.43.53

Binnen tref ik nog een regenboog die mij afleidt van mijn doelen. Het oeuvre van Jan Wolkers schittert me tegemoet in jaren tachtig neontinten. Een verlokking die begon met de boekenkast van mijn ouders. Natuurlijk begin je op je vijftiende met de titels die glimmen. Zijn wereld zoog me naar binnen. Wat ik vond was niet de opwinding, de seks, maar woekering. Zo moest het leven zijn, als een tuin in september: geurig, grillig, groots en romantisch, in verschuivende aardetinten. Een groter contrast tussen kaften en inhoud was niet denkbaar. Hij leerde me dat verval niet gevreesd moet worden, maar met nieuwsgierigheid tegemoet getreden. Elk kadaver een kans om een nieuwe verschijningsvorm van de dood tot op het bot uit te pluizen.

Florence vertelt bij het overhandigen van de sleutel dat er vorig weekend, tijdens Open Monumentendag, een vreemde vrouw naar het huisje kwam. Precies vóór de boekenkast voelde ze een ‘krachtplek’. Florence zegt dat ze normaal gesproken niets heeft met dat soort dingen, maar dit toch wel leuk vond. Het was volgens de vrouw ‘een zeer sterke, maar positieve energie’. Zijn boeken dan toch een soort horcruxes, met een stukje ziel van de schrijver erin? Zo bezien sterft een schrijver pas als zijn boeken niet meer herdrukt worden en zijn laatste aantekening uit de archieven wordt verwijderd.

2019-09-17 16.30.36

Het leuke van september in de Wolkerstuin zijn de stiekeme spinnetjes. Net nog kroop er eentje links van me over de vergeet-me-nietjes-vloer. Ze schieten overal tevoorschijn: voor het raam bij het bed, in de keuken, op de eettafel, op de grond. Ook nu ik even door het raam naar buiten kijk, zie ik een spinnetje tussen de teunisbloemen heen en weer kruipen. Het lijkt wel of hij door de lucht loopt. En vanochtend zag ik tijdens het douchen dat de hooiwagen in de badkamer jonkies heeft gekregen. Zolang ze hoog blijven zitten zullen ze niet in het afvoerputje verdwijnen.

In het tuindagboek lees ik dat Jan zich ergerde aan het gesnoei in september. “Er blijft wat saaie dooie grond achter. Terwijl als je alles laat staan zie je hoe magnifiek droevig een tuin langzaam instort en de grond gaat bedekken.” Het is precies wat ik zie als ik naar buiten kijk. De tuin heeft nog steeds de vrije hand. Veel planten beginnen naar de grond te lonken. Het groot waterhoefblad heeft bruine plekken, hier en daar schemert het geraamte van de bladeren door. Jan zou er vast een metafoor voor weten, dat het op oud kant lijkt, door de motten aangevreten.

De herfst is het ideale seizoen om hier te verblijven. We voelen ons soms net Adam en Eva, omringd door vierhonderd verlaten tuinen. Een volkstuinencomplex is een overzichtelijke wereld van tuinen en huisjes, zonder industrie, winkels en openbare wegen. Als echte kluizenaars fietsen we snel en schichtig over de Rijnstraat naar de Albert Heijn, schieten dan weer ons paradijsje in. We zijn de hele zomer op het platteland van Midden-Zweden geweest en hebben al lang geen stad bezocht. De Rijnstraat is een surrealistische plek van opgedirkte burgers die naar ingewikkelde winkels gaan. Dankzij de regen hebben we geen aanloop en we laten voorlopig niemand langskomen, wat het kluizenaarseffect vergroot. In de schemering maken we vaak een rondje over het complex en zien dan nauwelijks lichten branden. Vleermuizen doen bibberend hun rondes en af en toe schiet er een egeltje weg in een heg. We plukken kruiden voor de thee en appeltjes voor de yoghurt, de bramen die ergens over een schutting hangen zijn keihard geworden.

2019-09-25 16.49.58 (2)

Alexis heeft de gewoonte van het droogdansen weer opgepakt. ‘s Ochtends doucht hij koud af en danst dan alle druppels van zich af op de tegels achter het huisje, op een afspeellijst van 50 Cent, Lill’ Kim en Die Antwoord. Volgens hem een manier om je eigen kachel te stoken. Ik zie hem dansen in een paarse wolk van herfstasters, playbackend op de muziek in zijn oren. De kans dat hij gezien wordt is niet groot en ach, wat zou het? Wie niet vrolijk wordt van een man die naakt door een tuin danst, leeft afgestompt. Gisteren moest hij wel even naar binnen, toen bleek dat de kinderen van de buren opeens in de tuin aan het spelen waren.

Het ruisen van knooppunt Amstel, het denderen van de trams achter de struiken, helikopters van het AMC en vliegtuigen die hoog achter de wolken vanuit Schiphol naar verre oorden trekken. Als dit het paradijs is, vrees ik dat wij eerder de laatste man en vrouw op aarde zijn, dan de eerste. Het is soms net of heel Amsterdam op de vlucht is geslagen, en alleen wij niet zijn ingelicht over een naderend einde. De beschaving als geluid in de verte, de tuinen als oude groene wereld waarin we ons terugtrekken. Het zou een goed begin zijn voor een thriller. Want natuurlijk loopt het woekeren van de tuinen uit de hand, kruipen de wortelvoetjes langzaam via de deuren en het dak ons huisje binnen.

Gelijk moet ik denken aan het bord met berichten van de tuinencommissie, dat vlakbij de parkeerplaats staat:

De Japanse duizendknoop ziet er op de foto aantrekkelijk uit: een mooie wilde plant met een wolk van witte of witroze bloempjes. Maar hoe mooi de plant er ook uitziet, we zullen er de komende jaren alles aan moeten doen de duizendknoop te bestrijden.”

Het woord ‘exoot’ wordt ingezet als argument dat de plant hier niet thuishoort. Beeldend worden de ontwrichtende gevolgen van deze invasie geschetst:

Het is bekend dat de plant onder funderingen van huizen kruipt. Schuurtjes en kweekkastjes worden letterlijk opgetild door de enorme wortelstronken van de duizendknoop.”

In het tuindagboek van Jan lees ik dat hij duizendknoop in de tuin zet en tevreden vaststelt dat de plant het goed doet. Hoe kan een plant die veertig jaar geleden als normale tuinplant werd beschouwd, opeens een ‘invasieve exoot’ zijn die een tuinencomplex ontwricht? Soms schrijven thrillers zichzelf.

Ik was nog zo van plan om alleen het tuindagboek te gaan lezen en me verder op het schrijven te concentreren. Maar na het tuindagboek, lees ik de biografie. En daarna herlees ik Brandende Liefde, omdat ik daar goede herinneringen aan heb. Vooral aan hoofdstuk 13. Er gebeurt helemaal niets. Er wordt een kast met vooroorlogse pruimen geopend, die vlokkig oplossen als de potten worden geschud. Er wordt verlangend naar vrouwenbenen gekeken, net zichtbaar vanuit dat vochtige souterrain waar de hoofdpersoon op kamers woont bij zijn lerares Frans, met die witte kan en die opgezette roerdomp. Het speelt zich af over vier verdiepingen in één statig huis aan de Sarphatistraat. Met op zolder een stervende grijsaard en één verdieping boven de zure lerares een wulpse getrouwde vrouw, die uiteraard in de armen van de student loopt. Een roman als een vanitasschilderij in vier panelen. Nooit heb ik begrepen dat dit niet tot zijn beste werk wordt gerekend.

2019-09-17 12.38.45 (2)

Met moeite ruk ik me weer los uit zijn wereld. Mijn laptop toont een leeg wit vel, de cursor knippert. Het regent zonder remmingen. Aan alle kanten kruipt de woekerende tuin het huisje binnen. Via de ramen, de spiegels. Buiten is binnen en binnen is buiten. Ik kijk naar de tuin als naar een schilderij waarin ik zelf zit opgesloten. Als het weer droog is, sluip ik naar buiten om eindelijk een peertje te plukken. Tot ik zie dat ze allemaal in de struiken zijn verdwenen. Ik pak ze op, maar niet één vertoont er geen rotte plekken.