Weerhuisje

Begin april, zomers warm, de vogels fluiten en ik verdwijn in de Heuvelrug. Wat heb ik dit gemist. Voor corona liep ik bijna elke maandag door een ander natuurgebied. Het bos is voor mij geen plek van recreatie, geen plek om bij te praten. Het is de plek waar ik weer een mens met benen en een ritme word. Bij elke stap vliegt er meer troep mijn hoofd uit, ontwaken mijn zintuigen, krijgt elke ritseling in een bladerkroon betekenis. Er zit iets tijdloos in, iets vrij van eeuwen. Ik ben iets op het spoor, al weet ik vaak niet wat.

Net als de rest van de wereld lijk ik de laatste weken op een poppetje in een weerhuisje van Tik Tak, dat Belgische peuterprogramma. Voordeurtje opent – vrouwtje doet boodschappen – achterdeurtje opent – mannetje met gieter komt naar buiten. Het debiele muziekje moet je er zelf bij bedenken. Maar meestal blijft het deurtje dicht. Nu ben ik eindelijk uit mijn weerhuisje gebroken.

Ik kom langs Huis te Maarn. Het heeft iets onheilspellends, zo’n spierwit neoclassicistisch bouwwerk aan de voet van een heideveld. Een verlaten landgoed ervoor, met in druppelvorm gesnoeide heggen onder een strakblauwe lucht. Alsof ik de set van de Wizard of Oz ben opgelopen en iemand op play heeft gedrukt voor de vogels. Snel verdwijn ik weer het grillige bos in, waar ik voor mijn gevoel meer invloed heb op het script.

2020-04-06 15.48.25

De route die ik van internet heb geplukt blijkt een schot in de roos. Ik ben geen mens tegengekomen, op twee kinderen na. Ze werden bestuurd door een grote zwarte hond, toen ik passeerde werd het jongetje bijna een arm uitgerukt. Er zijn hier ook geen routepaaltjes of paddenstoelen, ik heb alleen een papiertje en ik moet bij zandbulten rechts, bij puntvormige jonge sparrenbosjes links en zo navigeer ik mezelf weg van de wereld en ook juist naar de wereld toe.

Bij het volgende heideveldje blijf ik even staan. Iemand heeft hier het verhaal van de levendbarende hagedis op een boom geplakt. Een foto erboven van een monter reptiel tussen de roze bloemetjes, zijn kleine vingers gespreid. Mij ontroeren zulke dingen. Ze hebben een sympathieke foto uitgezocht. Ik lees dat de levendbarende hagedis zich via lijnvormige elementen door het landschap beweegt en ik begrijp dat wij niet zoveel van elkaar verschillen, de levendbarende hagedis en ik.

Tiektiektiek! Iets maakt zich druk. Komt mijn verrekijker toch nog van pas. In de top van een dode zomereik zit een zwart vogeltje met oranje borst. Google leert mij dat het een roodborsttapuit (m) is, die net is teruggekeerd van zijn verblijf aan de middellandse zee. Dat zijn geluid klinkt als ketsende kiezels. Dat hij vanaf hoge punten in droge gebieden zijn territorium overziet. Het klopt allemaal. En zo leer ik van elke wandeling wel iets.

20200406_172711

De warmte, het volle namiddaglicht; het voelt alsof ik door een reusachtige hand ben opgetild toen ik nog in winterslaap was en twee seizoenen verderop weer ben neergezet. De winter alleen nog een vage herinnering aan een periode die lang zou duren, maar plotseling voorbij was.

Via een houten klaphek val ik via een park weer een woonwijk binnen. Het allerlaatste stukje nu. Ook hier is het vreemd. Perfecte lentetuintjes, weinig mensen; zo anders dan een gewone zonnige maandag in de lente is het niet. En toch. Alsof ik hier niet mag lopen. Alsof er uit dat kitscherige raadhuis elk moment een boze vorst kan stormen. Alles doe ik in zijn ogen verkeerd, om te beginnen: bestaan. Het bos voelt een stuk normaler, misschien omdat elk mens je confronteert met jezelf. En waar huizen groeien, groeien ziektes en argwaan. Misschien ben ik in een vorig leven een golden retriever geweest. Het is niet de hondensoort die ik zelf zou hebben uitgekozen, maar soms sluit ik mijn ogen en kijk ik door de ogen van een grote goudkleurige hond. Ik ren door een tuin en kwijl alle bloemen onder.

Project Hildegard

Vorige week woonde ik vijf dagen in de woonwagen van Opium Atelier, pal naast de ingang van het AVROTROS-gebouw. Ik ging erin met een stapel boeken van (en over) Hildegard von Bingen, de twaalfde eeuwse mystica, met als doel er na vijf dagen uit te komen met een gedichtenreeks. Je leest het goed: Hildegard von Bingen op het Mediapark. Hoe dat verliep kun je in woord, beeld en radiofragmenten hier terugvinden. (De uiteindelijke voordracht vind je alleen in de Opium radio-uitzending van 21 februari op ongeveer 1/3).

opiumatelier2

Op zoek naar Arno

(Dit verhaal schreef ik afgelopen december in het kader van een verblijf in de Oostburgse schrijfresidentie van Schrijvers in Sluis).

Na bijna een jaar in het paradijs viel het tegen om weer tussen de Zuilense bakstenen te leven, dus zocht ik naar vluchtwegen. Er bleek een schrijfresidentie te bestaan in het Zeeuws-Vlaamse Oostburg. Een mailtje was genoeg om een huis met een open haard in de buurt van de Noordzee te bemachtigen. Zomaar, omdat mijn geliefde en ik weleens wat letters op papier hadden gezet.

Na drie treinen en een boot kwamen we aan in de haven van Breskens. Bij de Westerschelde had ik me een soort rivier voorgesteld, maar de golven klotsten tegen de ramen. Omdat ik in mijn bloedlijn slechts binnenschippers heb, die met katoen langs mistige provinciesteden gleden, kwam ik misselijk aan land. Via een tunnel liepen we de parkeerplaats op. We hadden onze signalementen doorgegeven (lange zwarte jas, lange bruine jas) en van de organisatie alleen een naam gekregen. Die naam was Arno.

Op de parkeerplaats was niemand te bekennen. Achter ons trok de wind aan een vlaggentouw; een metalig, repetitief getik. Het geluid van verlaten havens. Bij de uitgang van de poort stond alleen een lange man van middelbare leeftijd, die in gesprek was met een jongere man.

Na een belpoging en nog wat wachten (‘hij zit vast achter het stuur’), liepen we toch maar naar de twee mannen bij de poort. “Ben jij misschien Arno?” “Ja”, zei de man van middelbare leeftijd. “Arno!” riep de jongere man die naast hem stond. Hij droeg een dikke witte winterjas en hield een glimmende rolkoffer vast. Hij zag eruit alsof hij uit het Midden-Oosten kwam, of uit Zuid-Amerika misschien. Ouder dan een jaar of drieëntwintig kon hij niet geweest zijn. Samen vormden ze een vreemd duo. De jonge man schudde onze handen zonder zich voor te stellen, wees daarna naar Arno en riep “Arno!” Het enige woord dat hij kende.

Arno vertrouwde ons toe dat hij, toen de boot arriveerde, door de jongen met zijn naam werd aangesproken en sindsdien al een tijdje in een woordeloos gesprek zat opgesloten. Het was vreemd dat de jongen zijn naam kende, misschien was dat de reden dat Arno geen moeite deed hem af te wimpelen. Hij wist dan niet wie de jongen was; de jongen wist wél wie hij was. Met z’n vieren liepen we naar de auto.

Pas toen de jongen ook zijn rolkoffer in de auto van Arno wilde slingeren, grepen we in. In talen die hij niet kon verstaan legden we uit dat Arno twee, niet drie personen bij de boot kwam ophalen. Dat het een vergissing moest zijn, dat het ons speet.

Snel sprongen we in de auto en klapten de portiers dicht. Door de achterruit zag ik zijn gezicht terwijl we uit zicht verdwenen. In puzzelstukjes bleef hij achter op de koude, winderige parkeerplaats. Op een zondagmiddag, op een plek waar geen bussen rijden en waar niemand meer te bekennen was. Het voelde vreemd de zinnen van afwijzing uit te spreken, omdat de ontmoeting in zijn beleving soepel en probleemloos moest zijn verlopen. Wie dacht hij dat wij waren? En vooral: wie was hij?

//

De lucht hing laag en roze boven de kleigronden, die ons in kleine donkere golven omringden. Nog misselijk van de boot, probeerde ik me op de loop van de weg te concentreren. De sfeer in de auto was enigszins bedrukt. Arno stelde voor de toeristische route te rijden.

“Ik begrijp echt niet hoe die jongen aan mijn naam komt”, zei Arno. Ik bezwoer hem dat ik aan niemand onze afspraak had verklapt, dat ik voor de zekerheid het wachtwoord van mijn mailbox zou wijzigen. Maar Arno leek zich daarover niet echt zorgen te maken, zijn uitspraak was niet als beschuldiging bedoeld. Paniekerige gedachten spookten door mijn hoofd. Had een vluchteling mijn mailbox gehackt en naar aanknopingspunten gezocht om zich op een nonchalante, vanzelfsprekende manier in mijn leven te voegen? Om op die manier een veilig thuis te vinden? Ik wist dat het een belachelijke gedachte was, maar kon geen alternatief verhaal verzinnen.

Arno leidde ons de woonkamer binnen. In het huis was alles beige, met boeddhistische details. Vredige boeddha’s boven de haard, in de tuin en op het toilet. Prima. Als je je omringt met heiligen, laat ze dan in ieder geval hun ogen gesloten houden en glimlachen. Eigenaresse Tiny woont een paar maanden per jaar in Thailand en schildert. In de wintermaanden stelt ze moedig haar huis beschikbaar aan vermoeide schrijvers uit de Randstad.

Bij het teruglopen naar de hal viel het schilderij naast de deur van de woonkamer me op. Een zoekende man op het station. Keurig in cognackleurig pak, koffer in de hand, maar om hem heen is het donker. Hoewel zijn pak gedetailleerd geschilderd is, is zijn gezicht een zwart gat, het valt samen met de omgeving. Alsof hij niet alleen de weg, maar ook zijn identiteit kwijt is. Ik voelde me berispt.

//

In de Joodse traditie is het heel normaal om rekening te houden met een ongenode gast. Een lege stoel, een leeg bord en de deur een beetje op een kier. Je weet maar nooit wie er door de koude decembernacht over de velden komt gelopen. Misschien wel profeet Elia, om de terugkeer van God op aarde aan te kondigen.

Tiny had haar hele huis voor ons, onbekenden, opengesteld. Kerst was in aantocht. Het huis heeft een extra eenpersoons slaapkamer, hadden wij echt geen plek voor hem gehad? Worden profeten niet altijd geboren in de stallen van de rijken die een oogje dichtknijpen? Mooi idee; barmhartigheid, maar wat had ik ooit meer gedaan dan geld overmaken naar stichtingen? De liedjes die ik als kind zong in de kerk vond ik prachtig en vol van belofte, maar nooit had ik het echt op mezelf betrokken. De Bijbel was een toneelstuk in een zandbak in een ver verleden. Stond mijn deur wel op een kier, of alleen voor vrienden en familie? Zou ik ooit bereid zijn een vreemdeling in huis te nemen, zonder te weten wat me te wachten staat?

An empty chair and hannging light bulb in a dark room

Ik dacht aan de man die ik een tijdje Nederlandse les had gegeven in Overvecht. Op een gammel bootje was hij de zee overgestoken. Hij spoelde aan op een klein militair eilandje in Griekenland. Ternauwernood in leven, door gebrek aan zoet water, werd hij naar een groot vluchtelingenkamp gebracht. Hij ontsnapte en wist via via in Zwitserland te komen. Daar regelde hij een vals paspoort en pakte de trein naar Nederland. Als hij in de trein gecontroleerd zou worden, was het over; de vervalsing was matig uitgevoerd. Uitgeput van het vluchten sliep hij de hele rit en werd niet gecontroleerd. Nu, twee jaar later, werkten hij en zijn vrouw bij de Rabobank. In Idlib hadden ze ook bij de bank gewerkt, maar die stond er niet meer.

Natuurlijk had de jongen in de witte jas na zijn aankomst in Nederland de trein naar Vlissingen gepakt. In zulke uithoeken was minder politie en immigratiedienst. In Vlissingen kocht hij van zijn spaarzame centen een nieuwe jas en een nieuwe koffer, om zijn nieuwe leven netjes tegemoet te treden. “Arno” luidde de sleutel tot dat leven. Die naam had hij uit mijn mailbox gevist. Of nee, die naam had hij op de boot opgevangen, of nee, die naam had iemand hem getipt. In een huis waar je gratis mag wonen doet men toch niet moeilijk over een huisgenoot meer of minder? Misschien was hij wel een dichter.

//

Het is avond. Arno staat middenin onze woonkamer en zwaait met een afstandsbediening. Hij is overgekomen omdat ons geluid het niet doet. Omdat we thuis geen tv hebben, mogen we hier van onszelf tv kijken. Of hij nog iets over de jongen heeft gehoord. Hij lacht. Natuurlijk; in een dorp blijven raadsels nooit lang raadsels. Dat hij met iemand in het bestuur van een sportclub zit. De tweede en laatste Arno van het dorp. Gek dat hij niet gelijk aan hem had gedacht. Arno Twee heeft een zoon, die over een paar dagen met een Venezolaanse trouwt. De familieleden druppelen Oostburg een voor een binnen. De jongeman was een broer of een neef, hij zou opgepikt worden door Arno Twee. Die kennelijk nog niet in de haven was toen wij aankwamen. Een bizar toeval.

Ik kijk naar het schilderij aan de muur. Naar de man in zijn nette pak, zijn zoekende lichaamshouding. Hij heeft aan alle voorwaarden voldaan, hij is voorbereid op reis gegaan, maar het blijft stil om hem heen. Eén naam, het had genoeg moeten zijn. Maar de naam wees hem af. Heel even was hij voor eeuwig verloren. Even later kwam Arno Twee waarschijnlijk toeterend aangereden. We zijn puzzelstukjes die meestal hun plaats wel vinden. Die jongen zit nu zijn cultuurshock te verwerken, op een bank, naast zijn zus of nicht die hij lang niet heeft gezien. De wind waait om het huis en kolkt door de schoorsteen. Ik denk aan de puzzelstukjes die niet worden gezocht.

Duizendknoop

(Dit verhaal schreef ik in de 2e helft van september tijdens een verblijf in schrijfresidentie De Wolkerstuin, het voormalige tuinhuis van Jan en Karina Wolkers op tuinpark Amstelglorie in Amsterdam).

Hoe ga je geconcentreerd schrijven omringd door een tuin als een regenboog? Als een inbreker in een snoepwinkel sluip ik rond. Ik verzamel de zaaddozen van de Oost-Indische kers, om kappertjes van te maken. De oranje bloemen stop ik in mijn mond. Ze smaken fris en peperig. Ik signaleer basilicum, tijm, selderie, salie. Inspecteer de zware paarse lijven van de aubergines en zie dat Anneke Brassinga alle komkommers heeft opgegeten. Achter het huisje hangen doffe peren tot boven de sloot. Hoewel ik de tuin als een lopend buffet beschouw, wil ik wachten tot ze rijp zijn en makkelijk loslaten. Zonder voelen en proeven is een tuin een ansichtkaart, een plaatje van groen en wat kleuren.

2019-09-19 12.43.53

Binnen tref ik nog een regenboog die mij afleidt van mijn doelen. Het oeuvre van Jan Wolkers schittert me tegemoet in jaren tachtig neontinten. Een verlokking die begon met de boekenkast van mijn ouders. Natuurlijk begin je op je vijftiende met de titels die glimmen. Zijn wereld zoog me naar binnen. Wat ik vond was niet de opwinding, de seks, maar woekering. Zo moest het leven zijn, als een tuin in september: geurig, grillig, groots en romantisch, in verschuivende aardetinten. Een groter contrast tussen kaften en inhoud was niet denkbaar. Hij leerde me dat verval niet gevreesd moet worden, maar met nieuwsgierigheid tegemoet getreden. Elk kadaver een kans om een nieuwe verschijningsvorm van de dood tot op het bot uit te pluizen.

Florence vertelt bij het overhandigen van de sleutel dat er vorig weekend, tijdens Open Monumentendag, een vreemde vrouw naar het huisje kwam. Precies vóór de boekenkast voelde ze een ‘krachtplek’. Florence zegt dat ze normaal gesproken niets heeft met dat soort dingen, maar dit toch wel leuk vond. Het was volgens de vrouw ‘een zeer sterke, maar positieve energie’. Zijn boeken dan toch een soort horcruxes, met een stukje ziel van de schrijver erin? Zo bezien sterft een schrijver pas als zijn boeken niet meer herdrukt worden en zijn laatste aantekening uit de archieven wordt verwijderd.

2019-09-17 16.30.36

Het leuke van september in de Wolkerstuin zijn de stiekeme spinnetjes. Net nog kroop er eentje links van me over de vergeet-me-nietjes-vloer. Ze schieten overal tevoorschijn: voor het raam bij het bed, in de keuken, op de eettafel, op de grond. Ook nu ik even door het raam naar buiten kijk, zie ik een spinnetje tussen de teunisbloemen heen en weer kruipen. Het lijkt wel of hij door de lucht loopt. En vanochtend zag ik tijdens het douchen dat de hooiwagen in de badkamer jonkies heeft gekregen. Zolang ze hoog blijven zitten zullen ze niet in het afvoerputje verdwijnen.

In het tuindagboek lees ik dat Jan zich ergerde aan het gesnoei in september. “Er blijft wat saaie dooie grond achter. Terwijl als je alles laat staan zie je hoe magnifiek droevig een tuin langzaam instort en de grond gaat bedekken.” Het is precies wat ik zie als ik naar buiten kijk. De tuin heeft nog steeds de vrije hand. Veel planten beginnen naar de grond te lonken. Het groot waterhoefblad heeft bruine plekken, hier en daar schemert het geraamte van de bladeren door. Jan zou er vast een metafoor voor weten, dat het op oud kant lijkt, door de motten aangevreten.

De herfst is het ideale seizoen om hier te verblijven. We voelen ons soms net Adam en Eva, omringd door vierhonderd verlaten tuinen. Een volkstuinencomplex is een overzichtelijke wereld van tuinen en huisjes, zonder industrie, winkels en openbare wegen. Als echte kluizenaars fietsen we snel en schichtig over de Rijnstraat naar de Albert Heijn, schieten dan weer ons paradijsje in. We zijn de hele zomer op het platteland van Midden-Zweden geweest en hebben al lang geen stad bezocht. De Rijnstraat is een surrealistische plek van opgedirkte burgers die naar ingewikkelde winkels gaan. Dankzij de regen hebben we geen aanloop en we laten voorlopig niemand langskomen, wat het kluizenaarseffect vergroot. In de schemering maken we vaak een rondje over het complex en zien dan nauwelijks lichten branden. Vleermuizen doen bibberend hun rondes en af en toe schiet er een egeltje weg in een heg. We plukken kruiden voor de thee en appeltjes voor de yoghurt, de bramen die ergens over een schutting hangen zijn keihard geworden.

2019-09-25 16.49.58 (2)

Alexis heeft de gewoonte van het droogdansen weer opgepakt. ‘s Ochtends doucht hij koud af en danst dan alle druppels van zich af op de tegels achter het huisje, op een afspeellijst van 50 Cent, Lill’ Kim en Die Antwoord. Volgens hem een manier om je eigen kachel te stoken. Ik zie hem dansen in een paarse wolk van herfstasters, playbackend op de muziek in zijn oren. De kans dat hij gezien wordt is niet groot en ach, wat zou het? Wie niet vrolijk wordt van een man die naakt door een tuin danst, leeft afgestompt. Gisteren moest hij wel even naar binnen, toen bleek dat de kinderen van de buren opeens in de tuin aan het spelen waren.

Het ruisen van knooppunt Amstel, het denderen van de trams achter de struiken, helikopters van het AMC en vliegtuigen die hoog achter de wolken vanuit Schiphol naar verre oorden trekken. Als dit het paradijs is, vrees ik dat wij eerder de laatste man en vrouw op aarde zijn, dan de eerste. Het is soms net of heel Amsterdam op de vlucht is geslagen, en alleen wij niet zijn ingelicht over een naderend einde. De beschaving als geluid in de verte, de tuinen als oude groene wereld waarin we ons terugtrekken. Het zou een goed begin zijn voor een thriller. Want natuurlijk loopt het woekeren van de tuinen uit de hand, kruipen de wortelvoetjes langzaam via de deuren en het dak ons huisje binnen.

Gelijk moet ik denken aan het bord met berichten van de tuinencommissie, dat vlakbij de parkeerplaats staat:

De Japanse duizendknoop ziet er op de foto aantrekkelijk uit: een mooie wilde plant met een wolk van witte of witroze bloempjes. Maar hoe mooi de plant er ook uitziet, we zullen er de komende jaren alles aan moeten doen de duizendknoop te bestrijden.”

Het woord ‘exoot’ wordt ingezet als argument dat de plant hier niet thuishoort. Beeldend worden de ontwrichtende gevolgen van deze invasie geschetst:

Het is bekend dat de plant onder funderingen van huizen kruipt. Schuurtjes en kweekkastjes worden letterlijk opgetild door de enorme wortelstronken van de duizendknoop.”

In het tuindagboek van Jan lees ik dat hij duizendknoop in de tuin zet en tevreden vaststelt dat de plant het goed doet. Hoe kan een plant die veertig jaar geleden als normale tuinplant werd beschouwd, opeens een ‘invasieve exoot’ zijn die een tuinencomplex ontwricht? Soms schrijven thrillers zichzelf.

Ik was nog zo van plan om alleen het tuindagboek te gaan lezen en me verder op het schrijven te concentreren. Maar na het tuindagboek, lees ik de biografie. En daarna herlees ik Brandende Liefde, omdat ik daar goede herinneringen aan heb. Vooral aan hoofdstuk 13. Er gebeurt helemaal niets. Er wordt een kast met vooroorlogse pruimen geopend, die vlokkig oplossen als de potten worden geschud. Er wordt verlangend naar vrouwenbenen gekeken, net zichtbaar vanuit dat vochtige souterrain waar de hoofdpersoon op kamers woont bij zijn lerares Frans, met die witte kan en die opgezette roerdomp. Het speelt zich af over vier verdiepingen in één statig huis aan de Sarphatistraat. Met op zolder een stervende grijsaard en één verdieping boven de zure lerares een wulpse getrouwde vrouw, die uiteraard in de armen van de student loopt. Een roman als een vanitasschilderij in vier panelen. Nooit heb ik begrepen dat dit niet tot zijn beste werk wordt gerekend.

2019-09-17 12.38.45 (2)

Met moeite ruk ik me weer los uit zijn wereld. Mijn laptop toont een leeg wit vel, de cursor knippert. Het regent zonder remmingen. Aan alle kanten kruipt de woekerende tuin het huisje binnen. Via de ramen, de spiegels. Buiten is binnen en binnen is buiten. Ik kijk naar de tuin als naar een schilderij waarin ik zelf zit opgesloten. Als het weer droog is, sluip ik naar buiten om eindelijk een peertje te plukken. Tot ik zie dat ze allemaal in de struiken zijn verdwenen. Ik pak ze op, maar niet één vertoont er geen rotte plekken.

Over de lijn

Toen ik afgelopen jaar op Bali en Borneo was, las ik The Malay Archipelago van Alfred Russel Wallace. De Britse naturalist reisde tussen 1854 en 1862 van west naar oost door de archipel en zag hoe een Aziatische flora en fauna langzaam overgaat in een meer Australische. De grens tussen de ecologische zones, bij Sulawesi in het noorden en Lombok in het zuiden, wordt nu de Wallace-lijn genoemd.

Vanuit de Straat Lombok, waar ik snorkelde tussen de koraalvissen, kon ik de kleine geelkuifkaketoes van Lombok bijna horen vliegen. En terwijl ik door de jungles van Sabah in Maleisisch Borneo liep, kroop één eiland oostwaarts de beerkoeskoes, een buideldier, al door de bomen.

Hoe dicht ik ook vanuit het westen de Wallace-lijn naderde, nooit stak ik hem over. Dat komt doordat ik op zoek was naar schubdieren. Hoewel die aardig kunnen zwemmen, zijn ze nooit de honderd kilometer brede zeestraat tussen Bali en Lombok overgestoken. En droog heeft die zee, diep als hij is, nooit gelegen.

De achtjarige reis van Wallace eindigt in Papoea Nieuw-Guinea, waar hij de prachtige paradijsvogels en zoogdieren beschrijft. In die tijd telde men er 17 zoogdiersoorten. Nu zijn het er 244.

Eindeloos kan ik me vermaken met het scrollen door koeskoezen, buidelmarters en suikereekhoorns. En ook qua vogels, reptielen en amfibieën is het eiland een schatkist zonder bodem. Ik verbaas me over vachten, staarten, ogen, snoeten, spring- vlieg- en klimvermogens. Elk dier ziet er even vreemd als vanzelfsprekend uit. Alsof een god met een zeer oorspronkelijke geest de opdracht kreeg een nieuwe fauna te scheppen. (“Hier heb je een eiland, succes”.) Wat ik precies met al die beesten moet weet ik nog niet, maar een mensenleven is te kort om ze allemaal te leren kennen. En dan worden er ook nog regelmatig nieuwe soorten ontdekt.

Ik hoop dat de flora en fauna van Papoea Nieuw-Guinea nooit verloren gaat. Omdat ik wil leven in een wereld die geheimen bewaart. Graag zou ik er eens naartoe reizen, maar op een scherm zie je meer dan in een nachtelijk oerwoud.  Hieronder een paar van mijn favorieten.

Zwartharige vachtegel (Zaglossus bartoni)zwartharigevachtegel-redlegagenda

Groter dan de ‘gewone’ Australische mierenegel. Met een langere snuit en kortere stekels. Echoot, vanwege zijn omvang, de uitgestorven voorouder Zaglossus hacketti, die groot als een schaap door het Pleistoceen van West-Australië rondstapte. Heeft melkklieren, legt eieren en draagt het jong in een buidel. Is daarmee alle zoogdiertypen tegelijk. Kan wel dertig jaar worden. Een hele stoet mannetjes loopt in een sliert eindeloos achter één vrouwtje aan, tot ze mogen paren. Eet vooral regenwormen. Rolt zich net als ‘onze’ egel bij gevaar op tot een stekelbal.

 

Goodfellowboomkangoeroe (Dendrolagus goodfellowi)goodfellow's boomkangoeroe.jpg

Boomkangoeroes zijn de ultieme jungledieren. Een soort marsupilami’s met fluffy oren en lange staarten. Op de grond en op horizontale takken bewegen ze zich ‘hoppend’ voort als een kangoeroe, maar ze kunnen ook geweldig klimmen. En uit bomen twintig meter naar beneden springen. Zonder dood te gaan. In de kroonlaag van bomen kauwen ze op bladeren en varens, maar ze eten ook graag vruchten. De goodfellowboomkangoeroe (goed woord voor galgje) is extra mooi, door zijn roodbonte vacht met donkere accenten. Onderzoekers herkennen individuen aan de ‘streepjescode’ van hun staart.

 

Victoria kroonduif (Goura victoria)Waaierduif

Grootste duif ter wereld, gemaakt van het sjiekste blauw en paars. Vernoemd naar Queen Victoria, wegens de spectaculaire kroon. Meestal zijn duivenjongen lelijk, maar deze krijgt mooie exemplaren. Nouja, mooi. Ze lijken wel op aliens. Blauwe aliens. Jammer dat ze er maar één per keer krijgen, want in het wild is hun voortbestaan bedreigd. Stapt sloom rond over de bosvloer en eet het liefst fruit. Kan vliegen. Het mooie, handige zusje van de dodo. Ik wil er eentje op mijn kerstboom.

 

Gevlekte koeskoes (Spilocuscus maculatus)Gevlektekoeskoes-IsabellaChowra

Een van de mooiste koeskoezen. Het mannetje is bont gevlekt, het vrouwtje bijna wit. Kruipt ‘s nachts traag en luiaard-achtig door de bomen. Slaapt soms in de top van een boom en buigt dan bladeren over zich heen als deken, om minder op te vallen. En ze hebben zo’n krullerige, kale opossumstaart. Zo’n oprolding. Zo’n varenblad. In 2004 werd de biakkoeskoes ontdekt. Die heeft anders dan alle andere koeskoezen felblauwe ogen.

 

Paedophryne amauensiskleinstekikker-Austin

Nee, deze kikker heeft geen Nederlandse naam. Heel veel kikkers hebben geen Nederlandse naam. Hij werd pas in 2011 ontdekt, door Eric Rittmeyer en Chrisopher Austin van de Universiteit van Louisiana. Met 0.77 centimeter is het de kleinste kikker ter wereld. De onderzoekers hoorden ‘s nachts in de jungle een hoge, krekelachtige roep, maar konden het beestje niet vinden. Pas toen ze handenvol bladeren in een plastic zak stopten en de bladeren daarna uitplozen, vonden ze het minuscule kikkertje. Het is niet alleen de kleinste kikker, maar ook gelijk het kleinste gewervelde dier. Tot nu toe. Ik vind het mooi. Dat zoiets kleins zo compleet kan zijn.

Binnenkort een deel twee!

Toendra

Mijn fiets zet ik tegen het hek bij de Kerkdijk en al snel sta ik midden in de Westbroekse Zodden. Hier kun je 360 graden in de rondte draaien en alleen twee verre torenspitsen als teken van beschaving zien. Verliefd op alle tinten bruin en geel waarin het riet vervalt, loop ik langs de petgaten. Hier werden in de middeleeuwen dikke pakketten veen afgegraven en nu houden natuurbeheerders de boel opnieuw open. Eindeloze stroken land likken als uitgerolde tongen aan de horizon, worden opgesneden door de watergaten. Waar planten elkaar opnieuw wisten te vinden ontstond er een tussenvorm; het trilveen. Ik zet er één voet op, om te ontdekken of het mij kan dragen. Mijn schoen staat voor de helft onder water. Nog een paar stappen en ik verdwijn uit deze tijd. Goed geconserveerd kom ik als veenlijk de musea van de toekomst ingevlogen.

Het gesluierde zonnetje, de hoge temperatuur en de ijstijdachtige vlakte. En dan die rafelige bruine waterranden met vervallend riet. Het geeft me een vreemd gevoel; apocalyptisch en knus tegelijk. Ook mensenlevens verglijden soms het hardst achter kant omrande ramen boven een kruiswoordpuzzel. Wat je ziet zijn de stoffen, de franjes, de aardetinten. De thermostaat geeft 22 graden aan, de leegte begint vanbinnen. De herfst als lappenpop, meegevoerd op verwarrend warme winden. Als alle lappen op de grond liggen, is er geen pop meer over.

2019-10-14 16.03.10 (2)

Westbroekse Zodden, c Anne Broeksma

Dat ik loop is ook een noodzaak. Twee dagen terug leerde ik houthakken, met een bijl van een meter lang. Het was verslavend om een stuk boom in haardklare blokken uiteen te zien vallen. Bijl recht boven je hoofd tillen en op het hout laten vallen. Gewicht en snelheid zijn werk laten doen. Niet elke zwiep was raak, maar het ging best goed. Zo goed dat ik die avond niet meer op een stoel kon zitten. Lopen is de enige pijnloze modus die ik heb.

Het is hier zo weids, dat mijn oog pas kilometers verder op een donkere sliert bosrand botst. Naast de torenspitsen zijn de enige tekenen van beschaving hier de geluiden in de verte. Zonder onderbreking kunnen ze over de toendra van legakkers schallen. Gerommel van vliegtuigen, helikopters en vrachtwagens; geluiden uit een wereld waaraan ik ben ontsnapt. Wanneer er een helikopter dichterbij komt denk ik: nu komen ze me halen.

Aan het einde van het petgat draai ik me om en kijk uit over de eindeloze strook water. Op zoek naar een teken ben ik, om te bepalen of ik dit landschap moet koesteren of vrezen. Alles wat ik zie is wuivend riet en breed uitlopende ribbels op het water, veroorzaakt door de wind. Misschien komt het door de soundtrack van mijn wandeling. De voertuigen in de verte, het onrustige gegak van een onzichtbare groep ganzen; in combinatie met de warme wind suggereert het een opbouw naar iets wat, vermoed ik, niet zal arriveren.

Misschien is het beter dat ik geen tekenen vind. Een jaar geleden was ik met Alexis en I-ting, onze vriendin uit Taiwan die we in de schubdierenopvang hebben ontmoet, op de Hoge Veluwe. ‘The Dutch wilderness’. We hadden net de moeflons bekeken door onze verrekijkers, die speciaal uit Spanje hier naartoe waren gehaald om het landschap open te houden. Eigenlijk een groep saaie schapen, maar omdat er geen hek of sloot omheen lag, maakte het indruk. Het was een warme zondag in september en we gingen op onze jassen liggen, in een open eikenbosje naast de heide. We doezelden kort weg. Toen ik wakker werd, lag er op mijn buik een klein groen rupsje. Tot mijn verschrikking zag ik dat het twee koppen had, één aan elk uiteinde. Het ding probeerde in twee richtingen aan zichzelf te ontsnappen. Wriemelend bleef het op z’n plek. Vol afschuw slingerde ik het ver bij mij vandaan. De rest van de dag kon ik alleen maar aan dat duivelsgedrocht denken. Als het nog een vlinder moest worden, zou het opstijgen uit de doos van Pandora en hysterisch overal tegenaan fladderen. Hoe is het mogelijk dat op de mooiste plekken op de mooiste dagen nog zoveel klein leed te vinden is.

2019-10-14 16.20.24 (2)

Petgat bij de Westbroekse Zodden, c Anne Broeksma

Met een boog loop ik terug naar waar ik vandaan ben gekomen, via de andere kant van het petgat. Het grenst aan een weiland met een sloot ervoor, waarlangs lisdodden groeien. Vroeger noemde ik die ‘bullenpezen’, omdat ik die bijnaam had onthouden uit een kinderboek over een kikker. Niet zo lang geleden kwam ik erachter dat bullenpees eigenlijk ‘stierenlul’ betekent, en dat die als ‘bullenpezen’ in gedroogde vorm in de dierenwinkel liggen, voor honden om op te kauwen. Het opschrift ‘stierenpenissen’ verkoopt wellicht minder goed. Ik betast een bruine kolf, het voelt aan als het zachtste velours. Achter mij zie ik iemand naderen. Snel laat ik de kolf los en loop door. Hoewel de wandelaar nooit kan weten dat ik iets smerigs aan het doen was, schaam ik me toch.

Een vliegtuigspoor loopt dwars door de zon, waardoor die iets weg heeft van een vallende ster. Vanuit mijn linker ooghoek zie ik iets uit het water van een petgat steken. Wat is dat? Het lijkt wel een hand. Een bruine, gerimpelde hand. Komt hier een verongelukte veengraver uit de middeleeuwen bovendrijven? Misschien is dit dan de apocalyptische wending waarop ik zat te wachten. Als ik een paar stappen richting de zombiehand heb gezet en mijn ogen scherp stel, zie ik dat het een blad is. Een lelieblad, dat door rotting in een vreemde kromme vorm is getrokken.

Het laatste stuk loop ik door een moerasbos en meteen bevind ik me in een andere, meer lieflijke wereld. Het is net of kabouters vanuit de kruinen van de elzen en wilgen geelgroene lichtjes naar beneden hebben gestrooid. Het zijn klimplanten, die hun kans grijpen nu de bomen het eigen blad loslaten. Ze hullen alles in een fris geel licht, het lijkt wel lente. Laag boven de grond hangen rode en zwarte bramen, wat de verwarring over het seizoen compleet maakt. Tijdloos en betoverd loop ik verder. Alleen de verdorde bladeren op de bosvloer tonen de bestemming van dit lichtpaleis.

2019-10-14 15.54.42 (2)

Het moerasbos naast het veengebied, c Anne Broeksma.

Achter de varens naast het pad hoor ik iets hoppen, misschien wel een kikker, of een klein zoogdier. Ik kniel erbij neer, maar het geluid komt niet terug. Dan kijk ik achter me. Er nadert een grote zwarte kat over het pad, haar ogen van hetzelfde oplichtende geel als de klimplanten waarmee dit bos is versierd. De kat nadert met een monter drafje en omdat ik grijs en gehurkt in een bocht zit, ziet ze mij niet meteen. Bewonderend kijk ik naar dat soepele zwarte lijf en voel me een oude eik. Zodra de kat mij ziet draait ze zich om en verdwijnt met hetzelfde drafje uit het zicht. Dit is geen apocalyptische kat, maar een montere poes met plannen. Plannen waar ze mij niet bij wil betrekken.

Als ik het toverbos verlaat en mijn fiets weer bij het hek tref, trap ik mezelf langs lome boerderijen en ritselende knotwilgen weer terug richting stad. Hier geen vreemd geelpaars licht of bruine rafelranden, maar Hollandse blauwheid en koppig groen gras. Alsof er hier nog niets aan het vervallen is. De natuur niet van plan is haar binnenste te tonen. Elke diersoort heeft hier een eigen strook land. Een strook koe, een strook schaap, en ook de ganzen en zwanen zitten keurig in groepjes. Alleen de zilverreigers en blauwe reigers houden zich niet aan de spelregels, staan als ranke observators midden tussen de andere beesten. Eenzame jagers hebben veel loertijd nodig.

Langzaam bereik ik de geluiden die eerst alleen in de verte bestonden. Onzichtbaar ga ik op in het spitsverkeer op de noorderring, voeg ik in op de strook van mijn soort. Alsof ik nooit naar een toendra uit de middeleeuwen ben geweest. Alsof ik nooit het gele licht uit de elzen heb zien vallen.

Voor meer verhalen uit de serie ‘Ontdekkingsreis NL’, zie hier

Geplukt

Zwedendagboek – 12 september

Zit ik al maanden onder de rode kralen van de lijsterbes aan een kampvuurtje, kom ik er nu pas achter dat ze eetbaar zijn. Een beetje bitter, maar met wat vanille of appel schijn je er geweldige jam van te kunnen maken. Als de vorst eroverheen is geweest, neemt het bittere iets af. Maar als je te lang wacht, roven langstrekkende pestvogels de takken leeg. Een nachtje vriezer is een alternatief.

Had ik me maar eerder in de bessen verdiept, want morgen is de laatste dag van ons verblijf in Midden-Zweden. Natuurlijk plukten we zo nu en dan bosbessen. Dit jaar voor het eerst met echte ‘kammen’, die we gewoon in de supermarkt vonden. Winkels die hun klanten zelfvoorzienend maken; ik hou ervan. Met zo’n zeef roetsj je door de struiken en vallen alleen de bessen in de bak eronder. Bosbessen zijn niet moeilijk te vinden, het gerucht gaat dat 17% van Zweden ermee is bedekt. In Värmland moet dat hoger liggen, want er staat in vergelijking met het zuiden nog meer bos. En letterlijk de hele bosvloer bestaat hier uit bosbessenstruiken. We gooien ze door de havermout en een vriendin maakte een bossenbessentaart van amandelmeel.

Sinds een paar weken is ook de vossenbes rijp. Twee uur plukken, met vijf potten intense jam als resultaat. Hij is hier iets minder talrijk dan de bosbes, maar je komt hem nog steeds op elke wandeling tegen. Vaak groeien bosbes en vossenbes gewoon door elkaar. Allebei heideplantjes die van zure bodems houden. In Zweden heet hij ‘lingonbär’ en is het de meest gangbare bes in jams, sauzen en limonade. In het noorden van Europa iets gewoons, waar mensen hun vriezers in september mee volgooien. Voor mij een ontdekking. Als je het zoete van suiker tegenover het bittere van de bes plaatst, krijg je een rijke, licht dramatische smaak die aan kerstmis doet denken. En die geweldig combineert op een donker broodje met roomkaas of geitenkaas.

2019-09-12 13.15.30

Gebukte vossenbessenplukker tussen ’t groen. © Anne Broeksma

Veel bessen dragen namen van dieren. Vossenbessen worden ook wel ‘cowberries’ genoemd, en dan heb je nog de ‘bearberries’ die erop lijken. En de cranberry of veenbes, is in het Engels en Zweeds naar de kraanvogel vernoemd. In de zomer zie je hier af en toe een paartje, maar nu verzamelen grote groepen zich in mistige weilanden, om zich klaar te maken voor de trek naar Azië. Een prachtig gezicht, die grote grijze vogels op hoge poten. Kraanvogels houden net als de veenbes van moerassige gebieden, waar ze naast vissen en kikkers vast ook weleens een zure bes achterover slaan. Ergens anders lees ik weer dat de bloem, die later in de bes verandert, op de kop van een kraanvogel lijkt.

Een aantal weken geleden waren er vrienden op bezoek. We bedachten Zweedse spreekwoorden: Wie bessen koopt, plukt zichzelf. Iets waar we op kwamen door het bord in de tuin van de overburen: Bär köp alla dagar! / Elke dag bessen te koop!. Verlokkelijk, maar nee. We hebben die kammen niet voor niets. Door mijn duik in de wondere wereld van bessen, heb ik er nog een nieuw Zweeds spreekwoord bij. Eentje die echt bestaat: “De är sura”, sa räven om rönnbären. / “Die zijn zuur”, zei de vos over de lijsterbessen. Een mooie allegorie voor de neiging af te kraken wat je niet kunt krijgen. Het is bekend dat vossen soms bessen eten, maar lijsterbessen hangen te hoog.

Het plukken van bessen met zo’n kam is een bevredigende bezigheid, maar je hebt daarna wel een flinke tekencheck nodig. Ik heb al heel wat miniscule vampiertjes van me af moeten trekken. Misschien kan er nog een Zweeds spreekwoord bij: Wie bessen plukt, moet uit de kleren.

Taalmonster

In ben gaan lopen omdat er in mijn hoofd twee slangen zitten: eentje van licht en eentje van letters. De lichtslang is mijn bewustzijn en de letterslang mijn taal. De letterslang is driftig, snakt naar herhaling, botst tegen de wanden van mijn schedel, kronkelt om mijn lichtslang. Het is oppassen geblazen, met dat taalmonster. Maar wanneer ik, zoals nu, zeg dat het oppassen is geblazen met dat taalmonster, spuwt hij die zin uit en komen de woorden tot leven. Dan moet ik pas écht gaan oppassen. Hoemf, klekki, manajeg. Nieuwe woorden zijn vrije woorden, omdat ze geen betekenis dragen.

Opeens krijg ik zin om de bosjes in te duiken, weg van dit uitgesleten pad onder mijn voeten, van de kluwen in mijn hoofd. Maar de eerste paar honderd meter is altijd moeilijk, het gaat erom dat je doorloopt. Je lichaam op gang brengen, de golven in je hoofd laten uitrollen. Tot je een prachtig bosvijvertje bent waar een eland uit kan drinken.

Taal en tijd zijn de afgoden waar ik als dier-plus voor neerkniel. Dat taal een eigen wil heeft vergeet ik regelmatig. Alsof ik dagelijks met vuur speel maar vergeten ben dat het vuur is. Taal is duivels; het vermeerdert zichzelf, gebruikt ons bewustzijn als zuurstof.  Facebook is een grimmige put zonder echo. Iedereen gilt tegen iedereen dat de wereld in brand staat en dat mensen klootzakken zijn. Natuurlijk luistert er niemand. Agressie tegen de eigen soort werkt verlammend.

K9N0B2

The Tower of Babel, Cassell’s History of England, 1898.

Ik probeer elke dag even stil te staan bij de erbarmelijke toestanden waarin mijn voorouders geleefd hebben en waaraan zij zich ontworsteld hebben. Terug willen naar een eenvoudig leven ‘in harmonie met de natuur’, waarbij alle verworvenheden van de afgelopen twee eeuwen worden afgedaan als overbodige luxe, is behoorlijk ondankbaar. Hun zwoegbaantjes in de staal- en textielindustrie hebben veel mogelijk gemaakt. Van knecht tot meesterknecht. Jaar in jaar uit tussen de rondvliegende vonken. Ik wil hier niet licht over doen.

Woorden vreten zich een weg door onze hoofden, nestelen zich. Crisis. Vernietiging. Verdwijnen. Uitsterven. Te Laat. Vijf over Twaalf. Te laat! Maar in alle tijd die ik nodig heb om wekkers kapot te slaan (want dat is de impuls die ik voel na deze woorden), had ik ook iets nuttigs kunnen doen. Iets met waterstofmoleculen in een laboratoriumpje. Ja, ik ben een optimist. Een onhandige eigenschap als je wilt schrijven. Beter wend ik mijn dramatische instincten aan om elke crisis te verzilveren tot literatuur.

Natuurlijk is er actie nodig. De geschiedenis heeft uitgewezen dat we altijd een klein groepje gekken nodig hebben om de wereld te verbeteren. Laten we milieuactivisten dan ook aanzien voor wat ze zijn: gekken. Wat wil een mens? Vreten en veiligheid. Dat we ons nu druk kunnen maken om ongeboren kleinkinderen en leven op andere aardplaten, is fantastisch. Een wonder van empathie, een wonder van welvaart. Iets wat we nooit als vanzelfsprekend moeten zien, maar als iets wat best een beetje gek is. Op een goede manier. Zeker als je erbij stilstaat dat de gemiddelde poolvos zich, vermoed ik, weinig aantrekt van óns lot. Ik wil de letterslang omdraaien en erkennen dat ik gek ben. Dat ik een dier-plus ben. Dat ik iets héél bijzonders kan: geven om de wereld buiten mijn eigen familie- en vriendenkring. Misschien ga ik het dan steeds vaker doen.

Industrieterrein

Als een baan in de natuur er niet van komt, wil ik graag op een industrieterrein werken. Natuurlijke en menselijke wildernissen zijn niet zo verschillend. Ze geven me hetzelfde weidse, verlaten gevoel. In beide wil ik in mijn eentje na zonsondergang niet ronddwalen zonder zaklamp. Of juist wel.

Laatst moesten we gekookte lijnolie kopen bij een verfwinkel in Göteborg. Die verfwinkel bleek midden op een reusachtig industrieterrein te liggen, dat deels nog in aanbouw was. Het was zondag, de wind woei en alle graafmachines waren bevroren in actie. Groepjes zilvermeeuwen stoven voor ons op. Hekken, graffiti en zand. Bijna misten we een afslag en reden we de modder in. Een industrieterrein in aanbouw is een slechte plek om jezelf vast te rijden. Vooral op zondag in Zweden. Van vrijdagmiddag tot maandagmiddag ligt het land op z’n gat. Hulp die snel ter plaatse is, is trouwens ook verdacht. Het bestaat hoor, modderpoelen die niet gedempt worden omdat het lokale sleepbedrijf ervan moet leven. In België maakten we dit mee, naast de snelweg. Lachend kwamen ze aanrijden. Routineklusje.

Een industrieterrein is werkelijkheid. Een centrum is leuk en pittoresk, maar wordt aangevuld vanuit magazijnen en die magazijnen moeten ergens staan. En de producten die de magazijnen vullen moeten ergens worden gemaakt. Vroeg of laat moet iemand met aanleggers en steekkarretjes in de weer om dat allemaal in goede banen te leiden. Veel materie, weinig zielen. Werk achter de schermen. Ik moet denken aan het gedicht ‘Liebherr’ van Koenraad Goudeseune: “Zware industrie geeft me vrede.” Hij postte het laatst op Facebook en het raakte me. Wat ik er precies ga doen weet ik nog niet. Het moet een baan zijn waarbij ik af en toe naar buiten moet, maar niet de hele tijd. Er moet minstens één voertuig bij betrokken zijn dat niet de openbare weg op mag. En reflecterende werkkleding.

Ringön

Het industriegebied Ringön bij Göteborg, waar we bijna vast in de modder kwamen te zitten.

Freek

Dat hij varanen en roofvogels naar poparena’s brengt. Soit. De meeste kritiek op Freek Vonk gaat over dierenwelzijn, maar gejank om een beestje dat wat lichtprikkels krijgt vind ik makkelijk. En ja, veel wilde dieren zijn in compromitterende houding met Nederlands bekendste bioloog op de foto geweest. Daar hebben ze geen toestemming voor gegeven, maar we mogen er vanuit gaan dat hij weet wat hij doet. Meestal. En daarnaast: een nieuw lievelingsdier voor een hele generatie is ook wat waard. De anti-speciesisten zullen het wel niet met me eens zijn.

Waarom krijg ik dan toch kramp? Het heeft met mijn eigen helden te maken. De afgelopen jaren volgde ik een aantal veldbiologen. Vaak jonge mensen, die maanden achtereen witbrood met jam eten in een vervallen gebouwtje in de jungle van Borneo. Die elke dag op pad moeten voor data, maar hun onderzoeksobject zelden van dichtbij te zien krijgen. Laat staan dat ze er selfies mee nemen. Of ze liggen nachtenlang wakker in een hangmat bij de rivier, om neusapen te bestuderen. Het klinkt gaaf, maar na een paar weken kun je die apen niet meer zien. Kan het je niets meer schelen om welke tijd ze nu precies beginnen te roepen en waarom. Maar je noteert het. Maandenlang zonder Netflix, wijn of vrienden. Freek arriveert elke week op een ander continent, zo lijkt het. Roept ‘oeh!’ en ‘ah!’ en verdwijnt weer uit beeld. Zeker, hij deelt feitjes. Maar het zijn oude feitjes.

Omdat ik graag gave filmpjes met dieren wil maken.” Amber (9) zit aan tafel bij De Wereld Draait Door, haar held heeft net gevraagd waarom ze graag bioloog wil worden. Als ze wint, wordt ze zijn assistent in de nieuwe liveshow. Het had zo mooi kunnen zijn: “Omdat ik wil begrijpen hoe de natuur in elkaar steekt.” Of, als je een filosoofje in de dop hebt: “Omdat ik, door dieren te bestuderen, wil ontdekken wat het betekent om mens te zijn.”

Vonkfoto2

Ach, wie houd ik voor de gek. Mijn tienjarige ik wilde graag stropers in de boeien slaan. Ik had er nog een brief over geschreven naar Geef Nooit Op. Maar wilde ik dat omdat ik geen onrecht kon verdragen, of omdat het me heel erg stoer leek? Waarschijnlijk beide. Natuurlijk wilde ik gave filmpjes maken met dieren. En nog steeds. Het sluit alleen zo slecht aan bij de praktijk.

In Taiwan ontmoette ik een man die een miljoen mieren en termieten heeft geteld en op soort gesorteerd. Om iets over het voedingspatroon van schubdieren te kunnen zeggen en hun rol in het ecosysteem. Vier jaar lang moest hij dagelijks in het donker achter schubdieren aanvangen, daarna was hij vier jaar bezig met het uitpluizen van de drollen in zijn vriezer. Nooit mocht hij een keertje op reis. Of zich met een ander dier bezighouden.

Het zijn de langeafstandslopers van de wetenschap die ik bewonder. Volgens mij is het niet moeilijk om aan een mensenkind dat nog geen acht jaar op deze planeet rondloopt, uit te leggen wat het betekent. Een man die zolang als jij leeft een dier onderzoekt. Dat moet wel een héél interessant beest zijn! Heb je gelijk een mooi aanknopingspunt om het over wetenschap in actie te hebben. Kijken, nadenken, nog meer kijken. Verzamelen, kijken, nadenken. Nog meer verzamelen. Op den duur misschien iets schrijven. En helemaal op het eind: een leuk filmpje opnemen. Meestal dat zelfs niet. Maar uiteindelijk kunnen die mensen wél Freeks Wikipediafeitjes updaten. Tuurlijk, Freek is een echte slangendoctor en heeft serieuzere teksten geproduceerd dan de columns op zijn website (‘toen ik het beest zag, vloog ik meteen in de boom om hem te pakken!’). We merken er alleen zo weinig van.

Sinds kort staat hij wat vaker zonder glimlach op de foto. Hij heeft een stichting tegen wildlife crime opgericht. Netjes vermeldt hij zijn methode. Dat hij niet zelf met knuppels over de savanne rent om stropers in te rekenen, maar dappere mensen heeft ontmoet op zijn reizen. Heel veel komt er nog niet binnen, maar we mogen erop vertrouwen dat zijn hoofd de doneerknop op den duur vanzelf laat rammelen. Het is precies het juiste onderwerp. Als de illegale wildhandel niet stopt, is het bewonderen ook gauw afgelopen. Kinderen bakken cakejes tegen de ieliegel wildlijf krijm, ik vind het fantastisch. Maar wat me echt over de streep trekt: het schubdier staat in de line-up van bedreigde dieren. Hij heeft zelfs een eigen pagina: “Schubdieren zijn de meest bizarre zoogdieren die ik ooit heb gezien.” Oké, ik ben om. Doet u mij maar één ticket Freek Vonk Live: Dwars Door De Wildernis.