Over de lijn

Toen ik afgelopen jaar op Bali en Borneo was, las ik The Malay Archipelago van Alfred Russel Wallace. De Britse naturalist reisde tussen 1854 en 1862 van west naar oost door de archipel en zag hoe een Aziatische flora en fauna langzaam overgaat in een meer Australische. De grens tussen de ecologische zones, bij Sulawesi in het noorden en Lombok in het zuiden, wordt nu de Wallace-lijn genoemd.

Vanuit de Straat Lombok, waar ik snorkelde tussen de koraalvissen, kon ik de kleine geelkuifkaketoes van Lombok bijna horen vliegen. En terwijl ik door de jungles van Sabah in Maleisisch Borneo liep, kroop één eiland oostwaarts de beerkoeskoes, een buideldier, al door de bomen.

Hoe dicht ik ook vanuit het westen de Wallace-lijn naderde, nooit stak ik hem over. Dat komt doordat ik op zoek was naar schubdieren. Hoewel die aardig kunnen zwemmen, zijn ze nooit de honderd kilometer brede zeestraat tussen Bali en Lombok overgestoken. En droog heeft die zee, diep als hij is, nooit gelegen.

De achtjarige reis van Wallace eindigt in Papoea Nieuw-Guinea, waar hij de prachtige paradijsvogels en zoogdieren beschrijft. In die tijd telde men er 17 zoogdiersoorten. Nu zijn het er 244.

Eindeloos kan ik me vermaken met het scrollen door koeskoezen, buidelmarters en suikereekhoorns. En ook qua vogels, reptielen en amfibieën is het eiland een schatkist zonder bodem. Ik verbaas me over vachten, staarten, ogen, snoeten, spring- vlieg- en klimvermogens. Elk dier ziet er even vreemd als vanzelfsprekend uit. Alsof een god met een zeer oorspronkelijke geest de opdracht kreeg een nieuwe fauna te scheppen. (“Hier heb je een eiland, succes”.) Wat ik precies met al die beesten moet weet ik nog niet, maar een mensenleven is te kort om ze allemaal te leren kennen. En dan worden er ook nog regelmatig nieuwe soorten ontdekt.

Ik hoop dat de flora en fauna van Papoea Nieuw-Guinea nooit verloren gaat. Omdat ik wil leven in een wereld die geheimen bewaart. Graag zou ik er eens naartoe reizen, maar op een scherm zie je meer dan in een nachtelijk oerwoud.  Hieronder een paar van mijn favorieten.

Zwartharige vachtegel (Zaglossus bartoni)zwartharigevachtegel-redlegagenda

Groter dan de ‘gewone’ Australische mierenegel. Met een langere snuit en kortere stekels. Echoot, vanwege zijn omvang, de uitgestorven voorouder Zaglossus hacketti, die groot als een schaap door het Pleistoceen van West-Australië rondstapte. Heeft melkklieren, legt eieren en draagt het jong in een buidel. Is daarmee alle zoogdiertypen tegelijk. Kan wel dertig jaar worden. Een hele stoet mannetjes loopt in een sliert eindeloos achter één vrouwtje aan, tot ze mogen paren. Eet vooral regenwormen. Rolt zich net als ‘onze’ egel bij gevaar op tot een stekelbal.

 

Goodfellowboomkangoeroe (Dendrolagus goodfellowi)goodfellow's boomkangoeroe.jpg

Boomkangoeroes zijn de ultieme jungledieren. Een soort marsupilami’s met fluffy oren en lange staarten. Op de grond en op horizontale takken bewegen ze zich ‘hoppend’ voort als een kangoeroe, maar ze kunnen ook geweldig klimmen. En uit bomen twintig meter naar beneden springen. Zonder dood te gaan. In de kroonlaag van bomen kauwen ze op bladeren en varens, maar ze eten ook graag vruchten. De goodfellowboomkangoeroe (goed woord voor galgje) is extra mooi, door zijn roodbonte vacht met donkere accenten. Onderzoekers herkennen individuen aan de ‘streepjescode’ van hun staart.

 

Victoria kroonduif (Goura victoria)Waaierduif

Grootste duif ter wereld, gemaakt van het sjiekste blauw en paars. Vernoemd naar Queen Victoria, wegens de spectaculaire kroon. Meestal zijn duivenjongen lelijk, maar deze krijgt mooie exemplaren. Nouja, mooi. Ze lijken wel op aliens. Blauwe aliens. Jammer dat ze er maar één per keer krijgen, want in het wild is hun voortbestaan bedreigd. Stapt sloom rond over de bosvloer en eet het liefst fruit. Kan vliegen. Het mooie, handige zusje van de dodo. Ik wil er eentje op mijn kerstboom.

 

Gevlekte koeskoes (Spilocuscus maculatus)Gevlektekoeskoes-IsabellaChowra

Een van de mooiste koeskoezen. Het mannetje is bont gevlekt, het vrouwtje bijna wit. Kruipt ‘s nachts traag en luiaard-achtig door de bomen. Slaapt soms in de top van een boom en buigt dan bladeren over zich heen als deken, om minder op te vallen. En ze hebben zo’n krullerige, kale opossumstaart. Zo’n oprolding. Zo’n varenblad. In 2004 werd de biakkoeskoes ontdekt. Die heeft anders dan alle andere koeskoezen felblauwe ogen.

 

Paedophryne amauensiskleinstekikker-Austin

Nee, deze kikker heeft geen Nederlandse naam. Heel veel kikkers hebben geen Nederlandse naam. Hij werd pas in 2011 ontdekt, door Eric Rittmeyer en Chrisopher Austin van de Universiteit van Louisiana. Met 0.77 centimeter is het de kleinste kikker ter wereld. De onderzoekers hoorden ‘s nachts in de jungle een hoge, krekelachtige roep, maar konden het beestje niet vinden. Pas toen ze handenvol bladeren in een plastic zak stopten en de bladeren daarna uitplozen, vonden ze het minuscule kikkertje. Het is niet alleen de kleinste kikker, maar ook gelijk het kleinste gewervelde dier. Tot nu toe. Ik vind het mooi. Dat zoiets kleins zo compleet kan zijn.

Binnenkort een deel twee!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s