Oud-Zuilen

In mijn hoofd is het een volwaardig loofbos, met hoge eiken en een oude galm, maar in de winter schrik ik steeds opnieuw van het postzegelformaat. Een bij elkaar gedreven groepje bomen dat de overgang naar het landgoed inluidt. Van een afstand is het net een ribbenkast. Erdoorheen zie je de weilanden waarlangs je even later weer zult lopen.

Ook het landgoed erachter is postzegelachtig. Wat wandelpaden, weilanden afgewisseld met strookjes boom en hobbyboerderijtjes rond een popperig kasteel. Het is een postzegel die al eeuwen bestaat en een van de weinige stukken natuur die ik met een paar minuten fietsen kan bereiken. Ik klamp me eraan vast.

Sinds deze week is het weer wat drukker. Wandelende thuiskantoren passeren, bespreken luidkeels strategieën met andere thuiskantoren. Het probleem met corona is dat het zich nestelt: in cellen natuurlijk, maar ook in hoofden van ouders, en in mijn pen. Terwijl ik er niets bijzonders over te melden heb. Ik zit nog niet in een medische molen, behoor tot het onbezonnen deel van de bevolking dat ook veel vrijheid te verliezen heeft. De eigen sterfelijkheid ervaart als licht gerommel in de verte. Zonde om daarmee het hoofd dag in dag uit te vullen.

Opeens vraag ik me af hoe het met de onderwereld gaat. Is die ook in lockdown of zijn daar nog goede feesten? Waar kun je nog strooien met biljetten als je net een bank hebt beroofd? En zijn er wel banken open om te beroven?

Ik laat het plechtige postzegelbosje achter me. Boven het weiland naast me duikt een buizerd naar omlaag. In het gras bolt hij zijn vleugels wat naar achteren, waardoor hij wat weg heeft van een kerstengel. Zijn snavel en klauwen blijken leeg.

Een paar weken terug liep ik hier met een vriendin. Een groepje blauwe reigers stond zo mooi in een cirkel in het weiland, dat ze over een laag stuk prikkeldraad stapte en erop af liep. Gewoon, om te kijken wat er zou gebeuren. Ik volgde. Al voor we in de buurt kwamen werd het geheime verbond verbroken. Haar schijnbeweging leverde ons wel iets anders op. Bij onze voeten, tussen het felgroene gras, groeiden grijze madeliefjes. Even dacht ik dat dit heel oude, verdorde madeliefjes waren, maar mijn app leerde ons over het klein mestplooirokje, een piepklein paddenstoeltje dat op mest van herbivoren groeit.

Toen we het weiland beter inspecteerden, zagen we ook overal gaten in de grond. Ik boog me voor de grap naar een gat en tot mijn verbazing werd er terug gekeken door twee zwarte kraaloogjes. Veldmuizen! Ook in andere gaten zaten ze. Ze bleven gewoon zitten terwijl we onze hoofden als zonsverduisteringen langs de gaten bewogen. Sindsdien kan ik niet meer langs dat veld lopen zonder aan de wereld van klein zoogdier eronder te denken. Muisjes die wachten tot de seizoenen verschuiven. Hopen dat geen engel ze de lucht in komt tillen.

Het centrum van dit dorpje bestaat uit een kruispunt met een gesloten hotel, een gesloten restaurant en een gesloten kerk. Naast de deur van de kerk hangt een plakkaat: ‘voormalig hervormde kerk’. Ik vraag me af welke stroming er nu dan in het kerkje huist. Erachter ga ik zitten op een stenen plateau, met uitzicht op de slangenmuur rond het kasteel. Boven me steken takken fel af tegen een blauwe lucht. De winter trekt veel lijnen, maar vult weinig op.

Over de keien langs het kasteel passeert een roze koetsje met een groot zwart paard ervoor. De koets is niet veel meer dan een plastic zeil, gespannen over een rijtuig. Meestal vind ik dit suf, net als de roze limousines die je hier soms de parkeerplaats op ziet rijden. De materialisatie van iemands bijzonderheid. Even met wat erfgoed op de foto en weer terug in je hok. Maar nu is het anders. Nu kijk ik jaloers naar het glunderende gezin dat in het koetsje passeert. Een uitstapje!

Ik sta op en slinger een stukje langs de Vecht voor ik weer langs de velden loop. Aan de overkant van de Vecht, achter de boomgaarden, zie ik het licht van weer een winterdag uitdoven in een ietwat waterige, oranje vlek. Dan word ik weer opgenomen in het postzegelbos.

Hoog tegen de stammen heeft iemand zwarte kasten gespijkerd, met het silhouet van een vleermuis erop. Opeens hoop ik vurig dat ik ooit nog aan vleermuizen kan denken zonder ook aan corona te denken. Niet omdat ik bang voor ze ben, maar omdat hun wereld me interessant lijkt en veel meer omvat dan de virussen die ze dragen. Het ontroert me ergens ook wel, die kasten, hoog boven de hoofden van de coronawandelaars.

Net voor het echt donker wordt glip ik het bos weer uit. In de verte zie ik de flats van Overvecht al gloren. Het ziet er een beetje lachwekkend uit, zulke vierkante, massieve gebouwen, met eindeloos veel raampjes. Ieder zijn eigen lockdownhok. Het laatste stuk naar mijn fiets loop ik wat steviger door, er begint een ritme in te komen. Links van me hoor ik een sliert popmuziek opstijgen vanaf de ijsbaan. Voor me het ruisen van auto’s over de ringweg, als aanspoelende golven. Mijn ontsnapping is voorbij. Ik trap me de wijk in en verdwijn weer in mijn holletje.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s