Watou

Ik ga op pad om Watou te verkennen. Gele bomen wakkeren als kaarsen in de late middagzon. In iemands tuin eten grote zwarte eenden het onkruid weg. Het is een tuin die in de middeleeuwen ligt, met overal etensresten, gescharrel. Ongeduldig zoek ik naar het varken, maar vind er geen. Dit West-Vlaamse dorp met 1.900 inwoners op de grens met Frankrijk heeft zes restaurants, maar niet één blijkt er doordeweeks geopend. Alleen in het weekend en vooral in het zomerseizoen kun je hier de toerist uithangen. Verlangend kijk ik naar de borden ‘Hommelbier’, die prijken op elk gesloten restaurant.

Misschien is het beter zo. We zijn hier om een paar dagen te schrijven in het Huis van de Dichter. Een groot vrijstaand huis aan de rand van het dorp, dat ooit als onderpastorie dienst deed. Daarna werd het de woning van dichter Gwij Mandelinck, die hier tot 2008 de illustere poëziezomers organiseerde. Alexis en ik waren bij de laatste editie en ik heb goede herinneringen aan de nachtelijke zit onder leiding van Gerrit Komrij in de brouwerij van St. Bernardus. Tegenwoordig is de woning een vakantieverblijf en doordeweeks een schrijfresidentie. Het ligt op nog geen tien stappen van het centrale plein, toch hoor je hier ‘s nachts alleen bosuilen.

De entree naar het Huis van de Dichter in Watou.

Ik verken de zijstraten rond het plein. Eén ervan brengt me langs een opvallende gele deur, waarachter je vanaf eind november volgens het opschrift zelfgemaakte zaken kunt kopen, zoals kerstkaarten. De schoonheid van handenarbeid, seizoenswerk. Het dorp op je stoep omdat je iets moois hebt gemaakt. Verderop staat achter een raam een klein heiligenbeeld met wit gewaad. Boek in de hand, hand bij het hart. In het raam weerspiegelt een geparkeerde witte auto, waardoor het lijkt of de heilige zijn wijsheden deelt met zijn kleurgenoot.

De verhalen van dit dorp geven zich niet gemakkelijk prijs. Overal hoop ik kleine hints te vinden. Beelden en affiches achter de ramen, een buurthuis vol opgestapeld speelgoed en de opsomming van vele soorten vlees in verband met een winterbarbecue. Slagers heten hier beenhouwers en ik heb diepe bewondering voor de vegetariërs in de streek. De vegaschijf lijkt nog niet ontdekt.

De plek net buiten het dorp waar je absoluut geen kippen mag voeren. (Foto genomen op een minder zonnige dag).

Richting Frankrijk loop ik nu, over een asfaltweg die weg van het dorp leidt. De kippen niet meer voeren / Plus nourrir les poules!!! staat er op een houten bord bij een hek waaraan geheimzinnige touwtjes bungelen. Het leed dat hierachter moet schuilen. Een man staat op een ladder en verft zijn keurige witte dakrand nog witter. Het huis ernaast is totaal afgebladderd. De diversiteit van Belgische huizen is fijn. Het eindresultaat is niet altijd even prettig voor het oog, maar de huizen weerspiegelen tenminste de persoonlijkheden van de bewoners. Of in ieder geval de manier waarop ze dingen aanpakken of juist niet aanpakken. In Nederland lees je alleen de smaak van projectontwikkelaars af en zie je elk huis honderden keren opnieuw.

Vanuit een ooghoek zie ik iets vliegen, het lijkt op een parkiet. Dat moet wel een nazaat van een ontsnapte zijn, of misschien wel het voormalige huisdier zelf. Frankrijk ligt onaantrekkelijk in de verte. Een boze bunker in het veld, mestgeur, meeuwen die opvliegen achter een trekker en nog geen dorpskern in zicht. Ik draai weer om en kom langs het schattige grenscafé dat ik op de heenweg ook al passeerde. Ooit moet hier een grens met een café zijn geweest, nu is het café de enige markering die er nog is.

Het grenscafé. Ongeveer voorbij het bruggetje ligt Frankrijk.

Eigenlijk was ik van plan om een heel stuk Frankrijk in te lopen, maar ik vind de vensterbanken in Watou interessanter dan de verdwaalde boerderijen in de verte. Ik loop terug en spiek over de heg van de begraafplaats. 23 jaar, 1921, misschien Spaanse Griep? Vallen ons op eenzelfde manier de coronadoden op als we over honderd jaar een begraafplaats bekijken? Van links komt een klas Vlaamse kindjes me tegemoet, twee aan twee, druk babbelend. Ik wandel de andere kant op, langs de pastorie, de twaalfde-eeuwse kerk en uiteindelijk bereik ik weer de onderpastorie, waar we verblijven.

De oranje zon piept nog precies boven het veld uit in de verte, waar Frankrijk ligt. Het gele blad van de bomen naast het huis lijkt nog feller dan toen ik vertrok. Ik denk na over wat ik heb gezien. Hoe je in het buitenland vooral let op alles wat anders is. Verschil van bouwstijl, verschil van tuinen. Misschien dat die focus mij belet dit dorp werkelijk te lezen. Of misschien heeft een dorp niet één gezicht. Kunnen we niet meer doen dan fragmenten verzamelen en die op een rij zetten. Dat lezen als verhaal.

De ondergaande zon en het Huis van de Dichter rechts.

Een gedachte over “Watou

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s