Choreografie met een gevlamde fijnstraal

Of: Een nacht achter de Dom

Afgelopen herfst schreef ik voor het Monumentenfonds van het K.F. Hein Fonds een verhaal geïnspireerd door het pand Achter de Dom 14, dat in hun beheer is en waar ooit o.m. het hoofdpostkantoor van Utrecht en drie musea gevestigd zaten. Omdat het pand toen nog leeg stond (nu zit Het Literatuurhuis er) besloten Alexis en ik er een nachtje te kamperen. Het werd een essay over de fysieke vs. de literaire ruimte, met een belangrijke bijrol voor postkantorenarchitectuur. Ons avontuur leverde ook een dansvideo op, die ik ertussen heb geplakt. Het nummer waarop ik dans in de lokettenzaal is Little Blue Mailbox van Fink.

///

Luide stemmen stapelen zich op tussen toren en gevels. Het is vrijdagavond en ik loop langs de terrassen die in een halve cirkel rond de Domtoren liggen. Op driehoog zie ik iemand vanuit zijn vissenkom naar beneden staren. Ik hoop maar dat de ramen dubbel glas hebben. Hele weekenden torent hij boven het lawaai uit, als een koning boven een feestende menigte. Het hoort bij deze plek. Sinds de elfde eeuw worden hier kermissen gehouden.

Voorbij het plein duik ik de straat achter de Domkerk in en sta voor de grijze, hardstenen gevel van nummer 14. De stilte die hier hangt is weldadig, nog geen dertig stappen bij de kermis vandaan. In 1924 verzuchtte een journalist dat het nu zo stil was, waar eerst de halve stad had gelopen. Voordat het iconische pand op de Neude verrees, zat hier het hoofdpostkantoor van Utrecht. Later zaten er onder meer drie musea en een instituut voor architectuur. Nu staat het grootste deel van de begane grond leeg. Dat is precies de reden waarom ik gevraagd heb of ik hier een nacht mag kamperen. Ik wil weten of er iets van al die duizenden handgeschreven brieven, al die opgehangen en weer afgevoerde kunst, al die begeestering, is blijven hangen in de muren. Bovendien heb ik een chronisch tekort aan lege ruimtes in mijn leven. Ruimtes waarin je op een grote kale vloer kunt gaan zitten, waarin je kunt denken en dansen zonder obstakels.

Als ik de brede voordeur voorzichtig openduw, tref ik het pand stil en schemerig. Via de hal loop ik naar het leegstaande deel van de begane grond. Ik passeer de deur naar designbureau Kummer & Herrman, waar de lichtzoete geur van water met komkommer hangt. Verzin ik die geur vanwege de naam of hangt de geur er echt? Pas als ik de volgende deur open, een deur van glas, kom ik in mijn domein voor de nacht.

Nadat ik alle lichtknoppen heb gevonden en ingedrukt, doe ik de helft weer uit. Onder tl-balken heb ik te veel jaren moeten doorbrengen en straks als het donker wordt ontsteek ik kaarsen. De ruimte bestaat uit de voormalige lokettenzaal, twee grotere zalen, twee zijkamers en een leeg keukentje. Witte luiken voor de ramen, daarachter een verwilderd binnentuintje. Ik baken mijn territorium af door een rondje langs de muren te maken. Alexis, mijn geliefde, komt pas later. De binnentuin roept.

Vingers van klimop tasten over de tegels en de hoeken zijn volledig overwoekerd. Mijn app stelt me voor aan de Canadese of gevlamde fijnstraal. Lange, onopvallende stengels met wat mottige pluisjes bovenop. Veelvoorkomend stadsonkruid met een magische naam. Ik vind het prettig om precies even lang te zijn als een bloem of plant. Doodstil ga ik op drie centimeter afstand van een fijnstraal staan die precies mijn lengte heeft. In tegenstelling tot de fijnstraal wieg ik niet zachtjes mee op de wind. De tuin is ommuurd, erachter loopt een ijzeren brandtrap langs andere ommuurde tuinen. Een duif vliegt op.

Binnen draai ik een paar rondjes om mijn as, mijn armen afwisselend gebogen voor me en gestrekt. Waarom vind ik het zo fijn om door lege ruimtes te bewegen? Misschien is het omdat er geen materie aan me trekt, geen objecten erom smeken gebruikt te worden. Hier kan ik zelf mijn houding bepalen, kent mijn lijf nog geen uitgesleten routes.

Deze ruimte, die ooit de lokettenzaal voor heel Utrecht was, is nauwelijks groter dan een studentenkamer. Toch schijnt men hier tien rijen dik te hebben gestaan, wachtend met enveloppen. Met mijn ogen gesloten probeer ik me honderd jaar terug in de tijd te denken. Mijn voeten laat ik over de diepst uitgesleten plekken van de zwart-witte marmeren vloer glijden, voel het gewicht van de stad. In de consoles van de gele balken zijn een posthoorn, een stempel en een treinwiel met vleugels uitgesneden.

Geen wonder dat dit pand in de jaren twintig te krap werd. De komst van telefonie vroeg om grotere ruimtes. In de steden verrezen modernistische hallen met art deco-elementen. Ware communicatiekathedralen, waarvan Utrecht de mooiste had. Eindeloos veel kabels moesten erin passen en mensen aan lange tafels, die de gesprekken over die kabels verdeelden.

Heathcliff, it’s me, I’m Cathy, I’ve come home
I’m so co-ho-ho-hold, let me in your windoho-hoooow!

Alexis springt op en neer in de ruimte met de luiken. De fijnstralen in de donkere binnentuin erachter worden groen beschenen door het brandganglicht. Hij gooit zijn armen omhoog en zijn spiegelbeeld danst mee in het raam. De soepelheid van Kate Bush ontbreekt, maar de intentie is er. In alle hoeken van de ruimtes wakkert nu een vlammetje van een waxinelichtje. Zelf zit ik hijgend op de grond, in kleermakerszit bij te komen van deze energetische opleving. Vóór het Kate Bush-uur, dansten we op liedjes over brieven en postbodes. ‘Signed, sealed delivered (I’m yours)’ van Stevie Wonder natuurlijk, maar ook ‘Little Blue Mailbox’ van Fink bleek goed dansbaar.

Als ik een maand niet heb gedanst, gaan mijn schoudervleugels zeuren, alsof ik te lang aan de grond heb gestaan. Dansen voelt soms als meer dan bewegen, als communiceren in een andere taal. Misschien dat postkantoren en dansen daarom zo goed samengaan. Om goed te kunnen dansen heb je grote lege ruimtes nodig, maar wie kan zo’n ruimte betalen met een grondprijs van 4000 euro per vierkante meter? Er zou een club moeten zijn die ruimtes tijdelijk beschikbaar stelt aan inwoners van de stad. Kerkzalen, archieven en magazijnen. Zelfs kantoren in monumenten zouden na sluitingstijd een oogje dicht kunnen knijpen. En oude postkantoren natuurlijk. Geen discotheeksfeer, geen drank, geen gepraat; zwijgend dansen en weer naar huis.



Het postkantoor dat hier heeft gezeten, was nog van de bescheiden, geïmproviseerde soort. Daarna pakten architecten pas echt uit, met art deco-paleizen vol pompeuze sculpturen die de vooruitgang en verbroedering der gehele wereld moesten uitstralen. Naast de indrukwekkende bakstenen bogen zie je in het oude postkantoor op de Neude nog steeds het hardstenen beeldhouwwerk van Hendrik van den Eijnde, met figuren die verschillende continenten en handel en welvaart verbeelden.

Maar ook eind negentiende eeuw werden er al extravagante postkantoren gebouwd, die doen vermoeden dat de architect de opdracht verkeerd begrepen had. De vele postkantoren van Rijksbouwmeester Cornelis Peters, met torens, pinakels en sierbogen, werden soms smalend ‘postkantorengotiek’ genoemd en de vrouwen van postdirecteuren klaagden dat ze hun reusachtige ambtswoning nauwelijks schoon konden houden. De gebouwen mochten best mooi worden, maar het bleven wel de posterijen; het bleef wel Nederland. Er kwamen richtlijnen voor de bouw, die architecten als Peters vervolgens aan hun laars lapten. Veelzeggend is het dat Peters een telefoontoren ontwierp voor het postkantoor in Uitgeest, toen de telefonie daar nog geen intrede had gedaan. De architectuur liep enthousiast op de technologische ontwikkelingen vooruit.

Charlotte Van den Broeck schrijft in Waagstukken, een essaybundel over tragische architectenlevens, over Gaston Eysselinck, die rond 1950 de Grote Post in Oostende mocht ontwerpen en eindeloos veel beelden en reliëfs liet maken. Hoewel het gebouw van buiten Le Corbusier-achtig oogt, leidde ook deze opdracht tot overdaad. Op het laatst lag hij zo in de clinch met zijn opdrachtgevers, dat hem de toegang tot de bouwwerf werd ontzegd. Het werd zijn laatste gebouw. Een postkantoor wordt nu eenmaal nooit een paleis, een schouwburg of een museum. Behalve dan Achter de Dom in Utrecht. Hoewel het nooit als postkantoor is ontworpen, heeft hier later Museum Speelklok en het Museum voor Hedendaagse Kunst gezeten, dat eind jaren tachtig is opgegaan in het Centraal Museum.

We zijn gestopt met dansen en draaien nu klassieke muziek. Ik ga op de vloer zitten en klap mijn laptop open. Op de website van het Utrechts Archief zoek ik op het gebouw, om een indruk te krijgen van andere periodes. Ik scrol door de foto’s. Onderuitgezakte studenten met lang haar op een bankje omringd door draaiorgels. Doeken met abstracte kunst, doeken met een soort popart. Een foto van de vijftigduizendste bezoeker van het Museum voor Hedendaagse Kunst. Bloemen, bubbels, opening na opening. Lachende mensen voor steeds weer andere doeken tegen steeds dezelfde wanden. Een spandoek met Casper het vriendelijke spookje als onderdeel van een tentoonstelling halverwege de jaren tachtig. Ik vraag me af binnen welk kunsttheoretisch kader dit ooit perfect paste. En of het doek nog ergens bij iemand op zolder ligt. Schilderijen hebben muren nodig om te bestaan, of op z’n minst een digitaal archief, terwijl architectonische versieringen mee mogen naar een nieuwe tijd, ook als de functie van het gebouw allang is veranderd.

Dan vinden we het tijd om de twintigste eeuw achter ons te laten en af te dalen naar de middeleeuwen, toen dit pand uit kloostermoppen werd opgetrokken. We openen een deur en stappen in het donkere gat van de kelder. Het is een heel complex van ruimtes, met een laag plafond en smalle doorgangen naar volgende ruimtes. Beneden is wel licht, maar het knippert en zoemt onaangenaam. In een van de ruimtes staat een stoel, op het zitvlak zie ik vaag de vorm van een kruis. Op de grond ervoor ligt iets wat op gereedschap lijkt. Zie ik wat ik wil zien, of zijn hier de ingrediënten voor een horrorfilm aanwezig? Alexis is al twee ruimtes verder, maar mijn claustrofobie maakt mijn lijf onrustig, fixeert mijn ogen op het rennende witte poppetje op het groene brandganglicht, dat net als in de binnentuin de vluchtroute markeert. Voorzichtig en licht gebogen loop ik verder.

‘Het spookt daar niet hoor!’ De man van het K.F. Hein Fonds was stellig toen ik vanmiddag de sleutel kwam ophalen. Waarom zei hij dat? Nu ik hier ben, weet ik vooral dat ik hier niet te lang wil blijven. Zware stenen trappen lopen dood tegen het kelderdak. Ik vraag me af welke ruimtes de trappen ooit verbonden. Bij terugkeer blijkt de houten trap van waaraf we zijn afgedaald niet opeens te stoppen bij het kelderdak. Er is nog een weg naar boven.

De schrijver en architectuurcriticus Christophe van Gerrewey beschrijft architectuur als denkobject, omdat ons lichaam zich er onafgebroken door ingesloten weet. Architectuur en literatuur ziet hij daarom als tweelingkunsten, omdat ze sferen kunnen oproepen waarin je kunt verblijven. Ook zijn de bouwmaterialen van beide kunsten alledaags – taal of steen, maar bieden ze ook de kans om van hun functionaliteit te worden ontdaan.

Waar de postkantoorarchitecten van de twintigste eeuw volgens hun opdrachtgevers soms de functionaliteit vergaten, leven we nu in een wereld met generieke gebouwen zonder versieringen. We zullen het wel laten om een gestileerd winkelwagentje uit te hakken in de gevel of draagbalk van een supermarkt. Teksten en symbolen moeten elk moment weer losgeschroefd kunnen worden. Bij elke functie moet een gebouw opnieuw beginnen, alsof het zich moet schamen voor de eigen geschiedenis.

Maar hoe goed die geschiedenis soms ook wordt verborgen; wie door een oud gebouw loopt, loopt door een verhaal. En wie een verhaal schrijft, schept ruimtes in hoofden. Een lezer voegt daar de eigen herinneringen aan toe. Dat maakt de gefantaseerde ruimte zo fysiek en particulier; we kunnen alleen uit ruimtes in onze herinneringen putten. Zo zag ik het huis van de oom en tante van Harry Potter altijd voor me als de bungalow waarin ik opgroeide, in een doodlopend hofje in Tubbergen. Ik zag zielzuigende demonische wezens zweven boven de stenen waar nooit wat gebeurde en waar ik al jaren weg was.

Dromen zijn opgebouwd uit hetzelfde materiaal: herinneringen aan fysieke ruimtes. Dromen en gedichten lenen zich bij uitstek voor grote mentale reizen, in weinig woorden of beelden. Ze maken het flitsen van ruimte naar ruimte mogelijk, zonder belemmering door triviale zaken als tijd, wildernissen of infrastructuur. Van de gedroomde ruimte wordt bovendien verwacht dat deze vol zit met symbolen, van de poëtische ruimte eveneens.

In het eerste grote dichtwerk van de veertiende-eeuwse Engelse poëet Geoffrey Chaucer ontwaakt de verteller in een droom, nadat hij met een boek in bed in slaap is gevallen. Hij hoort kleine vogels rinkelend zingen als de mooiste muziek en de ruimte waarin hij wakker wordt heeft wanden vol glas-in-loodramen. Naakt stapt hij uit bed en bekijkt de ramen, die bekende scenes uit de klassieke en Franse literatuur laten zien. Dan voelt hij de zon door de ramen op zijn gezicht vallen, hoort buiten een jachthoorn blazen en besluit de ruimte te verlaten, nog altijd naakt. Buiten komt hij terecht in een locus amoenus; een lieflijke plek waar bloemen groeien. Van daaruit voegt hij zich bij de drijfjacht die gaande is, waarna het verhaal – dat geschreven is om een graaf te troosten die zijn jonge gravin aan de builenpest verloor – eigenlijk pas begint. Het naakt verlaten van de ruimte vol klassieke verhalen wordt in verband gebracht met Chaucers gewaagde keus om literatuur niet in het Frans of Latijn, zoals honderden jaren gebruikelijk was, maar in het Engels te schrijven Zijn naaktheid benadrukt de sprong in het diepe.

Rechtop in mijn slaapzak zit ik. Opgeschrikt door keihard klokkenspel. Hoewel het een vrolijk deuntje is, vraag ik me geërgerd af waarom de Domtoren ’s nachts hele albums moet afspelen. Mijn telefoon zegt dat het vijf uur in de ochtend is. Ooit had ik een vogelklok, die om vijf uur met de wielewaal begon. Na precies één nacht verwijderde ik het geluidsbatterijtje.

Een paar uur later worden we wakker van de zon op onze gezichten. Niet alle ramen hebben hier een luik, dus duister konden we het niet krijgen. Ik kijk de lege ruimte rond, die nu vertrouwder voelt dan gisteren. Je kent een plek pas als je er ontwaakt. Liggend met je hoofd bij de grond, heb je gezien waar het stof zich ophoopt en waar de stopcontacten zitten. Je kent de dominante geluiden, want je bent erdoor in slaap gesust of wakker gehouden. Vaag gezoem uit de stoppenkast hoorden we vannacht, of kwam het uit de kelder?

In tegenstelling tot Chaucer kleden we ons aan, om niet naakt de ruimte te verlaten. We rapen de kaarsen in de hoeken, proppen onze spullen weer in rugzakken en wissen onze sporen alsof we hier nooit zijn geweest.

Nog één keer loop ik een rondje door de lokettenzaal. De communicatierevolutie waardoor dit pand als hoofdpostkantoor veel te klein werd, heeft inmiddels haar voltooiing bereikt, maar postkantoren overbodig gemaakt. Honderd jaar na de grote postkathedralen, zijn ze nu helemaal verdwenen. Wat ooit kantoren waren, zijn nu servicepunten in supermarkten. In 2018 sloot het laatste postkantoor aan het Kerkplein in Den Haag. Dat dit nauwelijks is opgemerkt, zegt genoeg.

Inmiddels zijn we voor het uitwisselen van informatie niet meer afhankelijk van de posterijen. Met telefoon op zak sta ik voortdurend in contact met iedereen die ik ken, maar ook met iedereen die ik niet ken. Mensen waarvan ik geen adres heb, kan ik toch een bericht sturen. Een roodgloeiende centrale ben ik, een wandelend postkantoor. Waarom is mijn gevoel van ruimte en mobiliteit dan niet toegenomen? Een groot deel van mijn tijd breng ik door in een virtuele tussenruimte, gebogen richting beeldschermen. Verwarrende uren, waarin ik vaag iets aan het doen ben, op meerdere plekken in de wereld tegelijk. Elk gesprek is mogelijk en we roepen allemaal door elkaar heen, waardoor er geen gesprek ontstaat. Om mijn gebrek aan verbinding te compenseren, druk ik op hartjes bij opdoemende hoofden, huisdieren en maaltijden. Ik weet niet of er een woord bestaat voor de ruimte tussen het versturen en ontvangen van een brief, maar ik geloof dat ik die ruimte soms mis.

Met enige tegenzin doen we de glazen deur achter ons dicht. De deur naar ruimte om te dansen en de deur naar het verleden. Althans, aanknopingspunten richting het verleden; broodkruimels naar verhalen die soms alleen zijlings iets met dit pand te maken hebben.
De zaterdagochtend schijnt ons lieflijk tegemoet, met zon en gedempt stadsrumoer. Als we richting Domplein lopen, zien we dat ook de nissen in de kerkmuur vol met fijnstralen staan. Met die gietijzeren hekken ervoor tegen wildplassers, lijkt het wel alsof ze speciaal zijn tentoongesteld om het alledaagse bijzonder te maken.

Net als de verteller in het droomgedicht van Chaucer voegen we ons bij een jacht; de jacht op een goed ontbijt. Maar waar hij de oude wereld achter zich laat en kiest voor een nieuw begin in een nieuwe taal, gaan wij schoorvoetend terug naar het heden, naar onze levens als wandelende postkantoren. Waar we onze zielen weer moeten opvouwen, om ze passend te maken voor de kleinere ruimtes waardoor ze worden omringd. Even overweeg ik het Nederlands achter me te laten, terug te grijpen op ouder bouwmateriaal. Anima vagari debet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s