Birdies

Er is hier de afgelopen tijd niets verschenen, dus ik hoop maar dat ik geen volgers heb. Ik heb best veel geschreven, maar nog niets laten doorsijpelen naar deze blog. We waren een maand in Tanzania voor verhalen over schubdieren. Dat ging best voortvarend, waardoor we tijd over hadden om ons in slurfhondjes te verdiepen. Dat klinkt allemaal heel avontuurlijk (of juist niet, haha), maar intussen zijn we al een paar weken terug en de laatste dagen zit ik te zweten op mijn skippybal (het lot van hypermobiel zijn; een stoel is momenteel funest voor mijn rug, met dank aan het backpacken). Elke zin die ik schrijf is mislukt. Nooit doen ze het goed, de zinnen. Althans, nu even. En ondertussen mis ik het reizen. Op onderzoeksmissie zijn. Daarom ben ik maar wat andere klusjes gaan doen. Zoals (bijna) alle vogels die we gezien hebben naar het Nederlands vertalen.

Ik dacht dat ik niet zo van de vogels was, maar ik had het mis. Ook ik ben van de vogels. Of wil van de vogels worden. Ik vond ze vele malen boeiender dan bijvoorbeeld de leeuwen, waar de gidsen steeds achteraan wilden rijden. Waarom precies was ons niet duidelijk. Alle kleine zoogdieren en vogels waaraan we voorbij zijn gereden. Niet te filmen.

Toch is het een lange lijst geworden. Het resultaat van af en toe de verrekijker heffen. We zijn niet op vogelsafari geweest en ik kan niet zeggen dat we intensief hebben ‘gebird’. Tanzania is gewoon een heel erg goed vogelland. Wel verbleven we een paar dagen aan de rand van het regenwoud in Udzungwa National Park, bij een veldcentrum. Daar trokken we op met Lea, een jonge Maasai die alle vogels van Oost-Afrika kan herkennen. ‘Birding for Life’, stond er op haar shirt. Ook was er op het terrein van de camping in Morogoro een ‘bird walk’, maar dat leverde naast mooie zonsondergangen slechts enkele namen op. (Zoals de palmgier, die eigenlijk geen gier is, volgende keer wil ik meer gieren). Het was leuk de Nederlandse vertalingen op te zoeken. In het Nederlands wordt alles aan elkaar geschreven en ontstaan er interessante samentrekkingen, die een multizintuiglijk paradijs oproepen. Ook de lijflijkheid vind ik mooi. Al die kelen, koppen, oren, snavels, wenkbrauwen en ogen, die allemaal weer hun eigen kleuren hebben.

Groenstaartglansspreeuw in Mikumi National Park, c Alexis de Roode.

Komen ze, in volgorde van spotten in Mikumi, Ruaha, Tungamalenga, Isimila (Iringa), de Udzungwa’s en Simbamwenni (Morogoro):

Driekleurige glansspreeuw, Blauwkopastrild, Hamerkop, Koperstaartspoorkoekoek, Afrikaanse bonte kwikstaart, Afrikaanse papegaaiduif, Kaapse tortel, Diadeemkievit, Vorkstaartscharrelaar, Roodkeelfrankolijn, Afrikaanse maraboe, Parelhoen, Roesthalsnachtzwaluw, Madagaskarbijeneter, Nijlgans, Reuzenreiger, Blauwe reiger, Afrikaanse gaper, Bataleur, goochelaar of berghaan, Roodsnaveltok, Kuiftok, Von der deckens tok, Zuidelijke grondneushoornvogel of hoornraaf, Poederdonsklauwier, Groenstaartglansspreeuw, Ornaathoningzuiger, Dwergbijeneter, Palmtortel, Zwarthalsbaardvogel, Blauwfazantje, Grauwe buulbuul, Wenkbrauwspoorkoekoek, Smaragdvlekduif, Bonte ijsvogel, Afrikaanse sperwer, Wenkbrauwbuulbuul, Grenadierwever, Roodvoorhoofdwever, Gestreepte ijsvogel, Gewoon ekstertje, Staalvlekduif, Mozambiquesijs, Driekleurbuulbuul, Savannezaluw, Dorpswever, Zwartkopwever, Vuurvink, Fluweelwidavink, Zilveroorneushoornvogel, Trompetneushoornvogel, Afrikaanse paradijsmonarch, Augurbuizerd, Palmgier, Roodkoplawaaimaker, Olijfgroene honingzuiger, Gewone rechtstaartdrongo, Woudwever, Halsbandhoningzuiger, Dwergbijeneter, Oostelijke goudwever, Bruinkapijsvogel, Witbrauwlawaaimaker, Roodoogtortel, Schildraaf.

Amen.

Van oude dingen (de schubdieren die voorbijgaan)

Het is op World Pangolin Day misschien logischer aandacht te vragen voor de schubdieren die nog onder ons zijn. Toch laten juist de uitgestorven schubdiersoorten zien hoe absurd het is: een zoogdierenorde die al tientallen miljoenen jaren lang de aarde bewoont, die sinds een jaar of tien opeens richting uitsterving wordt geduwd. Vele fauna’s kwamen en vele fauna’s gingen, maar de Orde der Pholidota bleef in vrij ongewijzigde vorm bestaan. Hoe de evolutie van deze orde precies is verlopen, weten we niet. Het beschrijven van een paar fossielen is niet meer dan het tonen van wat foto’s op een onzichtbare eeuwigheid. En het fossielenbestand van schubdieren is ook nog eens beperkt. Opgravingen van oude zoogdiersoorten moeten het vaak hebben van tanden; die blijven goed bewaard. Laten schubdieren die nu niet hebben. Dat er in de twintigste en eenentwintigste eeuw überhaupt nog wat mooie fossielen uit de aarde omhoog zijn gekomen, mag een wonder heten.

Ik ga mijn best doen beknopt te blijven. Als je meer wilt weten over de evolutie van schubdieren, kun je straks ‘Een verhaal met schubben’ lezen. Dat boek bevat mijn jarenlange zoektocht naar schubdieren in het wild en in verhalen. Het is een duik in de zoölogie, geschiedenis, antropologie en illegale wildhandel, gedreven door een liefde voor het vreemdste en meest bedreigde dier op aarde. Afijn, ik presenteer u: mijn favoriete schubdieren die ooit waren. Met op het eind twee schubdieren die ‘zouden kunnen’, omdat cryptozoölogie en science fiction te leuk is om achterwege te laten. We beginnen bij het oudste fossiel.

Interpretatie van Eomanis waldi, bron: Wiki. Informatie over Eomanis waldi en het Messelmeer op basis van interviews die ik afnam bij het Senckenberg Instituut in Frankfurt, waar paleontologen nog altijd werken aan het ontsluiten en interpreteren van de Messelfossielen.

1. Eomanis waldi: gevallen in een meertje in een Duits oerwoud
Dit ‘dageraad-schubdier’ liep zo’n 47 miljoen jaar geleden rond door een oerwoud in het midden van Duitsland, in de buurt van waar nu de stad Frankfurt ligt. Daar dronk het uit een klein bosmeer. En terwijl het schubdier dronk, zochten verderop langs de oever verre verwanten van de moderne egel naar dode vissen. Aan de overkant van het meer sprongen op maki’s lijken halfapen van tak naar tak en plukten pluizige eekhoornachtige diertjes noten uit bomen. Het dageraad-schubdier keerde niet terug naar zijn hol, maar kwam in de jaren zeventig van de twintigste eeuw weer boven de grond, op een plek waar het inmiddels gemiddeld tien graden kouder was en waar geen oerwoud meer groeide.

Als iemand met een tijdmachine tegen me zegt dat ik nu (nú!) een tijd moet roepen, hoop ik dat ik niet ‘middeleeuwen’ zeg (ook een kanshebber), maar ‘Midden-Eoceen’. De wereld was toen één groot dampend oerwoud vol toffe zoogdieren. Het verdwijnen van de grote landdino’s had ruimte gegeven aan een ware boom van levendbarende dieren, waarvan de meeste wel wat lijken op de dieren van nu, maar ook weer niet. Alsof een schepper met een andere artistieke visie dezelfde opdracht had gekregen. Een van de uitzonderingen vormt het dageraad-schubdier. Dat lijkt qua omvang behoorlijk op de boomschubdieren van nu, maar met een kleinere staart; een aanwijzing dat het waarschijnlijk niet in bomen klom.

Bijna alles wat we weten over de flora en fauna van Europa in die periode, is met dank aan dat oerwoudmeertje waar Eomanis uit dronk. Wat later een steengroeve werd bij Messel, was ooit een vulkanisch meer, dat dieren prachtig heeft toegedekt met een conserverende laag CO2. Vraag niet aan een paleontoloog hoe die dieren precies in dat meer terecht zijn gekomen, want van dat vraagstuk ligt die beroepsgroep nog altijd wakker. Ondertussen zijn wij dankbaar voor de schatten van Messel. Voor bladeren etende oerpaardjes, aasetende egels, aapje Ida (één van de meest complete primatenfossielen ooit gevonden) en het Schubdier van de Dageraad.

Interpretatie van Patriomanis americana door Julia Morgan Scott.

2. Patriomanis americana: ‘schubdiervader’ uit Amerika
Het oudste schubdierfossiel dat werd gevonden in Noord-Amerika, kwam in 1970 boven de grond in Montana. Het is zo’n 34 miljoen jaar oud en er werden zes exemplaren gevonden. Het Amerikaanse schubdier is ietsje groter dan Eomanis en heeft een langere staart. Anders dan Eomanis klom Patriomanis dus mogelijk wel in bomen. Klinkt wel heel erg als het Javaanse schubdier. Niets meer aan doen, evolutie. Alleen nog even met genetisch materiaal knoeien en herintroduceren in Montana.

3. Cryptomanis gobiensis: verborgen steppebeest
Uit ongeveer dezelfde periode stamt het oudst bekende Aziatische schubdierfossiel, uit het gebied dat nu Mongolië is: Cryptomanis gobiensis. Dit ‘verborgen schubdier’ dankt zijn naam niet aan het feit dat het tientallen miljoenen jaren na zijn dood pas weer tevoorschijn kwam. Nee, het lag negentig jaar lang verstopt in een lade van het American Museum of Natural History in New York, mogelijk zoekgeraakt tussen de andere natuurwonderen. Dat kun je ook een manier van opgraven noemen. In 2006 werd het alsnog benoemd en beschreven. Cryptomanis is weer wat groter dan Patriomanis, maar met een kortere staart en juist grotere klauwen. Hij echoot daarmee de bredere bouw en de graafkunst van het huidige Chinese en Indiase schubdier.

Manis paleojavanica, bron: TroodonVet op Twitter.

4. Manis paleonjavanica: een schubdier om tegenop te kijken
Ik maak nu een sprong van 40 miljoen jaar geleden naar 40.000 jaar geleden. Daar heb ik een goede reden voor. Ik kan niet alle schubdierfossielen bespreken en dit is toch wel het coolste schubdierfossiel ooit gevonden. Op Java werden in 1926 de resten van een schubdier gevonden dat 47 a 42.000 jaar oud is en zo’n 2,5 meter groot! Manis paleojavanica was dus groter dan de mensen die daar toen rondliepen. Het is verleidelijk gelijk aan reuzen- en dwerggroei op eilanden te denken, zoals de reuzenvaranen en de inmiddels uitgestorven dwergolifantjes in diezelfde contreien. Maar tot aan de laatste ijstijd waren Sumatra, Java en Bali met elkaar verbonden. Dit reuzenschubdier liep dus niet rond op een eiland. Intussen vraag ik me af hoeveel mieren en termieten Manis paleojavanica per nacht moest oplikken om in leven te blijven. Extra leuk: in de Javaanse kunst- en literatuurgeschiedenis duiken regelmatig schubdieren op. Zo komt er een schubdier voor in Kakawin Ramayana; de Oud-Javaanse versie van het populaire epische hindoe-gedicht. Het schubdier is koning Rama steeds te slim af en kan uitstekend slangen verjagen.

De Veo via thecreaturecodex.tumblr.com.

5. Veo: mythe gestoeld in werkelijkheid?
We blijven nog even in Indonesië. Misschien is de Manis paleojavanica pas veel later uitgestorven dan we dachten. Cryptozoöloog Karl Shuker schrijft in zijn vermakelijke encyclopedie ‘The beasts that hide from man’ over de Veo. De Veo is een soort schubdier, nog groter dan een paard, en leeft op het eilandje Rinca naast Flores. Het dier komt ‘s nachts vanuit het binnenland naar de kust om te baden en hoewel hij er gevaarlijk uitziet, voedt hij zich met insecten. Is deze mythe het resultaat van een orale traditie die herinneringen tot duizenden jaren terug in zich draagt, tot aan de tijd van Manis Paleojavanica? Hoewel schubdieren graag een modderbad nemen en soms een rivier oversteken, zijn er geen schubdieren bekend die in zee zwemmen. Bovendien liggen Flores, Komodo en Rinca aan de oostkant van de diepe zeestraat bij Lombok, waardoor die eilanden nooit verbonden waren met het Euraziatische continent en dus meer een ‘pacifische’ fauna en flora kennen. Ook in deze tijd komen er geen schubdieren voor op Rinca. Het maakt me nog nieuwsgieriger naar de oorsprong van deze mythe.

Geweldige tekening van Angela Liu via x-breeder.com, het erbij bedachte verhaal hieronder door moi.

6. Gevleugeld reuzenschubdier: de schrik van elke virusjager
Dit schubdier werd pas in het voorjaar van 2020 ontdekt, toen virusjagers op zoek gingen naar de natuurlijke oorsprong van SARS-CoV-2. De ontdekking leidde wereldwijd tot grote paniek. Met dit ‘superreservoir’ voor coronavirussen zouden vleermuizen niet eens meer een ‘tussendier’ nodig hebben voor de overdracht van nieuwe pathogenen op mensen. Als dit dier geen rol gespeeld zou hebben in het ontstaan van de pandemie, dan was het in ieder geval een kwestie van tijd voor dit dier SARS-CoV-3 of SARS-CoV-4 de mensenwereld in zou brengen. Na vergeefse pogingen een exemplaar te vangen en te testen op de aanwezigheid van coronavirussen, werd door de presidenten Xi Jinping en Donald Trump gezamenlijk opgeroepen tot uitroeiing van de soort. Wat er zou gebeuren als de dieren met rust gelaten zouden worden, vroeg niemand zich af. Aangezien gevleugelde reuzenschubdieren het grootste deel van hun tijd doorbrengen in grotten, slopen een paar dappere individuen uit het Chinese team naar binnen en ontstoken daar vuren, om ze naar buiten te jagen en te vangen in grote netten. Het eerste deel van de operatie verliep volgens plan, maar de netten konden niet op tijd op de juiste plek in positie worden gebracht, omdat het Chinese team het niet eens kon worden met het Amerikaanse team over de beste vangtechniek. De gevleugelde reuzenschubdieren ontsnapten en vlogen richting het noordoosten. Sindsdien houden ze zich schuil op het dak van het Wuhan Institute of Virology en zinnen ze op wraak.

///

Hier lees je mijn blog van vorig jaar op World Pangolin Day, over de eerste westerse beschrijvingen van schubdieren.

Kakkerlak

Eigenlijk was ik me aan het verdiepen in mieren en termieten, om meer te weten te komen over de rol van schubdieren in het ecosysteem. Maar ik ben via de termieten per ongeluk in de wereld van de kakkerlak terecht gekomen (termieten zijn er een soort zusterorde van) en het verveelt niet. Opeens begrijp ik waarom de soort zo succesvol is en men denkt dat het straks kakkerlakken zijn, die zij aan zij met ratten als overwinnaars onder de ruïnes van onze beschaving tevoorschijn zullen kruipen. En ook waarom ze zoveel walging oproepen. Ik bekijk foto’s en stel vast: ook bij mij. Kakkerlakken zijn plat, waardoor ze overal onderdoor kunnen rennen. Als je dat zou doorrekenen naar een mens: met een snelheid van 330 kilometer per uur.

Platte, snelle insecten hebben een ongunstig uitpakkende walging/verweer-ratio: het rennen maakt ze onvoorspelbaar (=eng) en het sterke platte lijf maakt ze moeilijk te vermorzelen met oude kranten of instortende beschavingen. Daarnaast leven ze verstopt in het donker, alleen, maar blijven ze wel in kleine groepen bij elkaar in de buurt. Om dan als een speciale eenheid tegelijkertijd tevoorschijn te komen en ergens op af te rennen. Wat het signaal is weet niemand. Men vermoedt (zoals altijd als het over diercommunicatie gaat die nog niet door Homo sapiens werd onderschept) dat ze bepaalde chemicaliën uitscheiden met hun speeksel en op die manier communiceren. Ik houd het op telepathie.

Tekening van een Amerikaanse kakkerlak (Periplaneta americana)

De voortplanting is al even efficiënt: “Het mannetje schuift zijn achterlijf onder de kop van het vrouwtje door en maakt zo contact.” Tijdens de paring doet het vrouwtje zich tegoed aan ‘een eiwitrijk papje’ uit het achterlijf van het mannetje. Juist. En al die metamorfosen, dat theater van verstoppen en verpoppen en uitvliegen, waar veel andere insecten hun energie aan verspillen? Doen ze niet. Zoals de meest succesvolle soorten op aarde in termen van voortplanting, zijn ze levendbarend, wat bijzonder is voor een insect. Uit de eieren komt een kant en klaar nimfje. Sterven veel insecten al na een paar weken; een kakkerlak wordt rustig een paar jaar oud. Had ik al verteld dat sommige soorten hard kunnen sissen?

Maar hoe moet dat dan, je weet wel, straks, wanneer wij niet meer bestaan, de wereld een nucleaire afvalberg is geworden en nergens meer iets te eten is? Want ook rennende sissende geleedpotigen moeten toch eten? Kakkerlakken kunnen tot veertig dagen zonder. Een Bijbels getal, en dat voor de Apocalyps op stekelpootjes. En wat eten de meeste soorten dan? Alles. Gewoon, wat wij zoal eten. Plus boeken. Ik geloof dat ik me alvast gewonnen geef.

Vuurkonijn

Ik ben een vuurkonijn. Dat kan ik uitleggen. Ik ben een konijn in de Chinese dierenriem en het jaar 1987 brengt mij het element vuur. Niemand associeert knaagdieren met vurigheid en omdat ik een zwak heb voor tegenstrijdige dieren, ben ik zeer content met dit sterrenbeest. Ze durven meer dan andere konijnen, maar het vuur heeft ook een schaduwzijde. Het vuurkonijn heeft de neiging projecten niet af te maken, lees ik op fengshuiweb.com. Slik.

Ze bestaan trouwens ook echt, diep in een oerwoud op de grens van Laos en Vietnam. In 1996 treft de Britse bioloog Rob Timmins vreemde vachten op een markt in Laos. Roodbruin, met zwarte strepen. Korte pootjes, korte oren, maar overduidelijk Lagomorpha; lid van de orde der haasachtigen. Pas negen jaar later weet een westerse wetenschapper er eentje te vangen. Op een foto staat de Britse biologiestudente Sarah Woodfin, in grijswitte fleecetrui in een nachtelijk oerwoud, het vuurkonijn in haar armen. Als deze foto niet ‘s nachts was genomen en niet in een oerwoud, was dit gewoon een vrouw met een hobbydier. Maar ze maakte onderdeel uit van een bijzondere expeditie. Binnen drie maanden moest het konijn gevonden zijn. Op dag één houdt ze het dier al in haar armen. Omdat ze vroeger zelf konijnen had, wist ze precies hoe ze het dier moest oppakken.

De Britse Sarah Woodfin vangt als eerste westerse wetenschapper een Annamitisch gestreept konijn, in 2005.

Konijnen leven niet s’ nachts en al helemaal niet in oerwouden. Maar dit is het Annamitisch gestreept konijn, de Negolasus timminsi; een anomalie in de natuur. Althans, Sumatra heeft er ook eentje. Maar die heeft minder strepen op zijn snuit, waardoor hij er aanzienlijk minder gevaarlijk uitziet. Erger nog: de strepen zitten vooral op de rug, alsof hij in een tuigje zit. Niet het effect dat je zoekt als mysteriekonijn dat zich tot voor kort aan de mensheid wist te onttrekken. Het zijn de enige gestreepte wilde konijnen ter wereld, de enige ‘s nachts levende konijnen en de enige oerwoudkonijnen. Tussen de Annamitische en de Sumatraanse versie zit tweeduizend kilometer. Tussen nu en hun gemeenschappelijke voorouder vermoedelijk zo’n acht miljoen jaar.

Hoewel pas recent door westerse wetenschappers onderzocht en beschreven, zijn ze – verrassing – alweer bijna uitgestorven. Misschien is het tijd om in actie te komen. Wie wil er nu leven in een wereld zonder vuurkonijnen? Hun tijgerachtige vacht en rode ogen maakt ze tot een prachtig vonkje in de junglenacht. Als iedereen geboren in 1987 nu eens een donatie doet voor de vuurkonijnen. Dan kunnen andere mensen, die daar wél toe in staat zijn, hun projecten afmaken.

P.S. Als je de vuurkonijnen wilt helpen, kun je net als ik een donatie doen aan het Saola Conservation Fund, mede opgericht door Rob Timmins. De saola (‘de Vietnamese eenhoorn’) is een hertachtig hoefdier dat ook pas in de jaren negentig werd beschreven en ‘vlaggenschip’ is voor de bescherming van de bijzondere maar kwetsbare fauna van het Annamitisch gebergte. Over eenhoorns in het algemeen en de saola in het bijzonder een volgende keer.

Ademgaten

Als ik een pad zie, zie ik een wak in het marmer van de nacht. Het komt door Dick Hillenius, bioloog en dichter (29 mei 1927 – 4 mei 1987). Jaren geleden kwam ik bij een antiquair het boekje Ademgaten tegen, een greep uit zijn essays en gedichten. De ondertitel: Denken over dieren. Het was genoeg om het mee te nemen.

Het werd mijn eerste kennismaking met een schrijver die niet over dieren schreef alsof het Disneyfiguren waren. Of die ze tweedimensionaal door de achtergrond liet kruipen ter illustratie van de eigen zielenroerselen. Als kind al stoorde ik me aan die debilisering van niet-menselijke dieren. ‘De natuur’ leek me geen domein vol wezens die ik met een halve blik kon doorgronden. Eerder een mysterieus soort thuis waarvan ik ooit was afgesneden. De wil mijn relatie hiermee te doorgronden, houdt me nog altijd aan het lezen. Een positieve uitzondering op het guitige gedoe dat ik vroeger voor de kiezen kreeg, vormden de verhalen van Anton Koolhaas. En nu had ik de essays en gedichten van Dick Hillenius.

Wat me trof was zijn vermogen dwars door disciplinegrenzen heen te denken. En daar een helder geheel van te maken, waarbij kunst en wetenschap elkaar versterken. Hij werkte als conservator reptielen en amfibieën aan het Zoölogisch Museum van de UvA, maar schitterde vooral als schrijver. En als de eerste Nederlandse tv-bioloog. Op Youtube staat precies één filmpje, waarin hij met behulp van tekeningetjes laat zien hoe de mens door gebrek aan uitdagingen zal evolueren tot druppelvormige zak, zonder ogen of ledematen. Ongeveer zoals het krabbezakje, een rond soort parasiet aan de buik van krabben.

Hillenius1970

Dick Hillenius als conservator reptielen en amfibieën in het Zoölogisch Museum van de UvA, 1970.

Glimmende oogjes, brede mond. Op foto’s zie je zijn kikkerziel doorschemeren. Als een amfibie begaf hij zich in meerdere werelden tegelijk, met vrijheid en veranderlijkheid als grootste waarden. Natuurlijk was hij in de ban van amfibieën. Twee evolutionaire stadia in één dier. Ovidius voor gevorderden.

Daar zitten ze, met gouden ogen aan de waterkant. Probeer je er eentje op te pakken, dan springt ie zo een meter verder. Zonder een spier in z’n kop te vertrekken. Ook Dick verdween helaas nogal plotseling uit beeld. Vlak voor zijn zestigste verjaardag overleed hij, op weg naar zijn boerderij in Drenthe, waar hij in de weekenden werkte aan de perfecte paddenpoel. Een Spaanse vroedmeesterpad kreeg zijn naam: Alytes dickhilleni.

Een gedicht uit die verzamelbundel dat me altijd is bijgebleven:

Padden zijn de tanden van de tijd
zwarte tranen van stenen
nachtogen op zachte voeten
wakken in het marmer van de nacht
een pad is voor de aarde
wat een blad is voor de plant
een ademhand

 

Project Hildegard

Vorige week woonde ik vijf dagen in de woonwagen van Opium Atelier, pal naast de ingang van het AVROTROS-gebouw. Ik ging erin met een stapel boeken van (en over) Hildegard von Bingen, de twaalfde eeuwse mystica, met als doel er na vijf dagen uit te komen met een gedichtenreeks. Je leest het goed: Hildegard von Bingen op het Mediapark. Hoe dat verliep kun je in woord, beeld en radiofragmenten hier terugvinden. (De uiteindelijke voordracht vind je alleen in de Opium radio-uitzending van 21 februari op ongeveer 1/3).

opiumatelier2

Over de lijn

Toen ik afgelopen jaar op Bali en Borneo was, las ik The Malay Archipelago van Alfred Russel Wallace. De Britse naturalist reisde tussen 1854 en 1862 van west naar oost door de archipel en zag hoe een Aziatische flora en fauna langzaam overgaat in een meer Australische. De grens tussen de ecologische zones, bij Sulawesi in het noorden en Lombok in het zuiden, wordt nu de Wallace-lijn genoemd.

Vanuit de Straat Lombok, waar ik snorkelde tussen de koraalvissen, kon ik de kleine geelkuifkaketoes van Lombok bijna horen vliegen. En terwijl ik door de jungles van Sabah in Maleisisch Borneo liep, kroop één eiland oostwaarts de beerkoeskoes, een buideldier, al door de bomen.

Hoe dicht ik ook vanuit het westen de Wallace-lijn naderde, nooit stak ik hem over. Dat komt doordat ik op zoek was naar schubdieren. Hoewel die aardig kunnen zwemmen, zijn ze nooit de honderd kilometer brede zeestraat tussen Bali en Lombok overgestoken. En droog heeft die zee, diep als hij is, nooit gelegen.

De achtjarige reis van Wallace eindigt in Papoea Nieuw-Guinea, waar hij de prachtige paradijsvogels en zoogdieren beschrijft. In die tijd telde men er 17 zoogdiersoorten. Nu zijn het er 244.

Eindeloos kan ik me vermaken met het scrollen door koeskoezen, buidelmarters en suikereekhoorns. En ook qua vogels, reptielen en amfibieën is het eiland een schatkist zonder bodem. Ik verbaas me over vachten, staarten, ogen, snoeten, spring- vlieg- en klimvermogens. Elk dier ziet er even vreemd als vanzelfsprekend uit. Alsof een god met een zeer oorspronkelijke geest de opdracht kreeg een nieuwe fauna te scheppen. (“Hier heb je een eiland, succes”.) Wat ik precies met al die beesten moet weet ik nog niet, maar een mensenleven is te kort om ze allemaal te leren kennen. En dan worden er ook nog regelmatig nieuwe soorten ontdekt.

Ik hoop dat de flora en fauna van Papoea Nieuw-Guinea nooit verloren gaat. Omdat ik wil leven in een wereld die geheimen bewaart. Graag zou ik er eens naartoe reizen, maar op een scherm zie je meer dan in een nachtelijk oerwoud.  Hieronder een paar van mijn favorieten.

Zwartharige vachtegel (Zaglossus bartoni)zwartharigevachtegel-redlegagenda

Groter dan de ‘gewone’ Australische mierenegel. Met een langere snuit en kortere stekels. Echoot, vanwege zijn omvang, de uitgestorven voorouder Zaglossus hacketti, die groot als een schaap door het Pleistoceen van West-Australië rondstapte. Heeft melkklieren, legt eieren en draagt het jong in een buidel. Is daarmee alle zoogdiertypen tegelijk. Kan wel dertig jaar worden. Een hele stoet mannetjes loopt in een sliert eindeloos achter één vrouwtje aan, tot ze mogen paren. Eet vooral regenwormen. Rolt zich net als ‘onze’ egel bij gevaar op tot een stekelbal.

 

Goodfellowboomkangoeroe (Dendrolagus goodfellowi)goodfellow's boomkangoeroe.jpg

Boomkangoeroes zijn de ultieme jungledieren. Een soort marsupilami’s met fluffy oren en lange staarten. Op de grond en op horizontale takken bewegen ze zich ‘hoppend’ voort als een kangoeroe, maar ze kunnen ook geweldig klimmen. En uit bomen twintig meter naar beneden springen. Zonder dood te gaan. In de kroonlaag van bomen kauwen ze op bladeren en varens, maar ze eten ook graag vruchten. De goodfellowboomkangoeroe (goed woord voor galgje) is extra mooi, door zijn roodbonte vacht met donkere accenten. Onderzoekers herkennen individuen aan de ‘streepjescode’ van hun staart.

 

Victoria kroonduif (Goura victoria)Waaierduif

Grootste duif ter wereld, gemaakt van het sjiekste blauw en paars. Vernoemd naar Queen Victoria, wegens de spectaculaire kroon. Meestal zijn duivenjongen lelijk, maar deze krijgt mooie exemplaren. Nouja, mooi. Ze lijken wel op aliens. Blauwe aliens. Jammer dat ze er maar één per keer krijgen, want in het wild is hun voortbestaan bedreigd. Stapt sloom rond over de bosvloer en eet het liefst fruit. Kan vliegen. Het mooie, handige zusje van de dodo. Ik wil er eentje op mijn kerstboom.

 

Gevlekte koeskoes (Spilocuscus maculatus)Gevlektekoeskoes-IsabellaChowra

Een van de mooiste koeskoezen. Het mannetje is bont gevlekt, het vrouwtje bijna wit. Kruipt ‘s nachts traag en luiaard-achtig door de bomen. Slaapt soms in de top van een boom en buigt dan bladeren over zich heen als deken, om minder op te vallen. En ze hebben zo’n krullerige, kale opossumstaart. Zo’n oprolding. Zo’n varenblad. In 2004 werd de biakkoeskoes ontdekt. Die heeft anders dan alle andere koeskoezen felblauwe ogen.

 

Paedophryne amauensiskleinstekikker-Austin

Nee, deze kikker heeft geen Nederlandse naam. Heel veel kikkers hebben geen Nederlandse naam. Hij werd pas in 2011 ontdekt, door Eric Rittmeyer en Chrisopher Austin van de Universiteit van Louisiana. Met 0.77 centimeter is het de kleinste kikker ter wereld. De onderzoekers hoorden ‘s nachts in de jungle een hoge, krekelachtige roep, maar konden het beestje niet vinden. Pas toen ze handenvol bladeren in een plastic zak stopten en de bladeren daarna uitplozen, vonden ze het minuscule kikkertje. Het is niet alleen de kleinste kikker, maar ook gelijk het kleinste gewervelde dier. Tot nu toe. Ik vind het mooi. Dat zoiets kleins zo compleet kan zijn.

Binnenkort een deel twee!

Geplukt

Zwedendagboek – 12 september

Zit ik al maanden onder de rode kralen van de lijsterbes aan een kampvuurtje, kom ik er nu pas achter dat ze eetbaar zijn. Een beetje bitter, maar met wat vanille of appel schijn je er geweldige jam van te kunnen maken. Als de vorst eroverheen is geweest, neemt het bittere iets af. Maar als je te lang wacht, roven langstrekkende pestvogels de takken leeg. Een nachtje vriezer is een alternatief.

Had ik me maar eerder in de bessen verdiept, want morgen is de laatste dag van ons verblijf in Midden-Zweden. Natuurlijk plukten we zo nu en dan bosbessen. Dit jaar voor het eerst met echte ‘kammen’, die we gewoon in de supermarkt vonden. Winkels die hun klanten zelfvoorzienend maken; ik hou ervan. Met zo’n zeef roetsj je door de struiken en vallen alleen de bessen in de bak eronder. Bosbessen zijn niet moeilijk te vinden, het gerucht gaat dat 17% van Zweden ermee is bedekt. In Värmland moet dat hoger liggen, want er staat in vergelijking met het zuiden nog meer bos. En letterlijk de hele bosvloer bestaat hier uit bosbessenstruiken. We gooien ze door de havermout en een vriendin maakte een bossenbessentaart van amandelmeel.

Sinds een paar weken is ook de vossenbes rijp. Twee uur plukken, met vijf potten intense jam als resultaat. Hij is hier iets minder talrijk dan de bosbes, maar je komt hem nog steeds op elke wandeling tegen. Vaak groeien bosbes en vossenbes gewoon door elkaar. Allebei heideplantjes die van zure bodems houden. In Zweden heet hij ‘lingonbär’ en is het de meest gangbare bes in jams, sauzen en limonade. In het noorden van Europa iets gewoons, waar mensen hun vriezers in september mee volgooien. Voor mij een ontdekking. Als je het zoete van suiker tegenover het bittere van de bes plaatst, krijg je een rijke, licht dramatische smaak die aan kerstmis doet denken. En die geweldig combineert op een donker broodje met roomkaas of geitenkaas.

2019-09-12 13.15.30
Gebukte vossenbessenplukker tussen ’t groen. © Anne Broeksma

Veel bessen dragen namen van dieren. Vossenbessen worden ook wel ‘cowberries’ genoemd, en dan heb je nog de ‘bearberries’ die erop lijken. En de cranberry of veenbes, is in het Engels en Zweeds naar de kraanvogel vernoemd. In de zomer zie je hier af en toe een paartje, maar nu verzamelen grote groepen zich in mistige weilanden, om zich klaar te maken voor de trek naar Azië. Een prachtig gezicht, die grote grijze vogels op hoge poten. Kraanvogels houden net als de veenbes van moerassige gebieden, waar ze naast vissen en kikkers vast ook weleens een zure bes achterover slaan. Ergens anders lees ik weer dat de bloem, die later in de bes verandert, op de kop van een kraanvogel lijkt.

Een aantal weken geleden waren er vrienden op bezoek. We bedachten Zweedse spreekwoorden: Wie bessen koopt, plukt zichzelf. Iets waar we op kwamen door het bord in de tuin van de overburen: Bär köp alla dagar! / Elke dag bessen te koop!. Verlokkelijk, maar nee. We hebben die kammen niet voor niets. Door mijn duik in de wondere wereld van bessen, heb ik er nog een nieuw Zweeds spreekwoord bij. Eentje die echt bestaat: “De är sura”, sa räven om rönnbären. / “Die zijn zuur”, zei de vos over de lijsterbessen. Een mooie allegorie voor de neiging af te kraken wat je niet kunt krijgen. Het is bekend dat vossen soms bessen eten, maar lijsterbessen hangen te hoog.

Het plukken van bessen met zo’n kam is een bevredigende bezigheid, maar je hebt daarna wel een flinke tekencheck nodig. Ik heb al heel wat miniscule vampiertjes van me af moeten trekken. Misschien kan er nog een Zweeds spreekwoord bij: Wie bessen plukt, moet uit de kleren.

Walhalla

De eerste wandeling door de Zweedse zomer. Benen die krakend op gang komen, als een machine die te lang heeft uitgestaan. Bij elke stap, elke ritselende boom, elk bloemenveld, komen er geluksstoffen vrij in mijn hoofd. Het heeft de afgelopen twee dagen niet geregend, toch ligt er modder. Vorig jaar, toen drie maanden droogte alle velden in woestijn had veranderd, was alleen de mosvloer van het bos nog vochtig. Wat een briljante klimaatbeheersing. Als de rest van de wereld op apegapen ligt door droogtes en overstromingen, kunnen de vinkjes in het bos nog drinken.

Ik kom langs een open plek vol hoge distels en fluitenkruid. Volgens een Noorse boer, waarbij we in 2010 een maand verbleven, geloofde men vroeger dat op dit soort plekken het Valhöll is; het Walhalla. De hemel waar de zielen van helden bij Odin mogen komen. Bloemen zo hoog als mensen; dat moet inderdaad het paradijs wel zijn.

Walhalla1

Een ‘Valhöll’, oud-Noors voor Walhalla. © Anne Broeksma

De kerstbomenheuvel heeft er varens bij gekregen. Meestal stop ik hier even, maar nu ik alleen ben wil ik doorlopen. Wanneer ik afdaal, zie ik een grote bruine gestalte tussen de dennen staan, zo’n vijftig meter verderop. De gestalte kijkt me een paar seconden aan en rent dan wat onhandig weg. Een vrouwtjeseland, op klaarlichte dag. Omdat ik over een heuveltje kwam kon ze me niet ruiken. Hier in Värmland wonen ook een paar witte elanden. In 2017 ging er een filmpje de hele wereld over. Het lijkt me magisch er eentje tegen te komen. De associatie van wit met iets heiligs of in ieder geval met de geestenwereld, is zo oud als de mensheid. En toch; als alle elanden wit zouden zijn, zouden we op zoek gaan naar bruine.

Bos wordt afgewisseld met glooiende vergezichten. Een buizerd vliegt heen en weer en krijst doordringend. Er komt hier nooit iemand wandelen, zelfs niet in juli. Zweden wandelen niet. Die rijden auto of quad. Een vrouwelijke ruiter komt uit een zijpad schieten, roept ‘stå till!’ Het is een kleintje, ik denk een IJslander van de manege verderop. Oké, Zweden rijden ook weleens paard.

Walhalla2.jpg

Verlaten veldje tijdens de wandeling. © Anne Broeksma

Ik blijf staan op een splitsing van paden en zie koolmeesjes zenuwachtig heen en weer wippen in het berkenbosje naast me. Dan zie ik waarom. Een klein en pluizig exemplaar zit naar me te piepen vanaf een tak, op nog geen twee meter bij mijn hoofd vandaan. Volgens mij denkt het domme beest dat ik hem ga voeren. De familie is in rep en roer. Ik grinnik.

Wat is het heerlijk om alleen te lopen. Je hoort meer en beleeft alles intenser. Ik eet wat klaverzuring en loop langs grote keien die bedekt zijn met rendiermos. Dan ligt er opeens een akker aan mijn voeten. Als de kleurstrepen op de bomen stoppen en er ligt een veld aan je voeten; gewoon doorlopen. In Zweden is de richting bij twijfel altijd rechtdoor. De bloemen komen tot boven mijn middel. Knoppen en insecten tikken tegen mijn benen en romp, met mijn armen bescherm ik mijn gezicht. Dit Walhalla is wat vol. De hommels en bijen vinden het niet leuk dat ik hun maaltijd verstoor.

Walhalla3

Akkerdistels (Cirsium arvense). © Anne Broeksma

Na een afdaling door het bos kom ik langs een rivierdalletje, over een begroeide wal met veel gekwetter. Dit stuk is anders dan de rest: natter en dichter. Een Zweedse versie van jungle. Als ik twee uur later weer bij het beginbord sta, loop ik door de volle zon over het zandpad naar huis. Dat ik in een bed slaap en toch zomaar door een bos kan dwalen wanneer ik zin heb. Wat een wereld.  Morgen ga ik weer.

Vleermuis versus kunst

Ooit woonden er 2 miljoen vleermuizen in het Nationale Museum van Cambodja. Toen Pol Pot in 1975 Phnom Penh ontruimde, werd de bevolking op voetreis naar werkkampen op het platteland gestuurd. De stad bleef leeg achter. Toen kwamen de vleermuizen. De zolders van het statige oranje gebouw bleken een perfecte broedplaats voor een bepaald soort ‘kreukellipvleermuis’ (Chaerephon plicatus). In de jaren tachtig groeide de kolonie uit tot de grootste vleermuizenkolonie in een door mensen gemaakt gebouw. Voor inwoners en toeristen een mooi gezicht; de zwarte wolk waar ‘s avonds, wanneer de dieren terugkwamen van hun insectenjacht, geen einde aan kwam. Ook het olympisch stadion had een grote kolonie. Voor medewerkers en bezoekers van het museum was het minder leuk. Bij droog weer woei de verbrokkelde poep door ramen en deuren. In het regenseizoen was de stank niet te harden en stroomde er een zwarte cocktail van uitwerpselen en urine langs de muren en over de duizend jaar oude beelden.

national museum

Het dak van het museum bood ruimte aan 2 miljoen vleermuizen. (batcon.org)

Bij gebrek aan een oplossing bleef men boenen op de Boeddha’s, Vishnu’s en Ganesha’s. Het personeel werd ingeënt tegen hondsdolheid en de pest. Want naast luizen en teken, sprongen er ook vlooien van de vachten af. Er was maar één voordeel. Guano, de gestapelde stront van vleermuizen, bevat veel nitrogeen, fosfaat en kalium, wat het zeer geschikt maakt als bodemverrijker. Met de guano kon het museum op een gegeven moment een derde van de draaikosten van het museum betalen. Ongeveer een ton in gewicht werd er per maand bij elkaar geveegd.

Ondertussen liepen de bezoekers met Vietnamese punthoeden op, tegen de teken en vlooien. “In het Nationale Museum van Cambodja is zulk gedrag onacceptabel!” riep museumdirecteur Khun Samen in één van de krantenberichten uit die tijd. Uiteindelijk bouwde de Australische regering in 1995 voor 500.000 Amerikaanse dollars een houten ‘vleermuizenvloer’, die alle troep moest tegenhouden. Het werd een fiasco. In het regenseizoen stroomde de zwarte drap nog steeds door gaten langs de muren. Stank en ongedierte bleven. Rond die tijd begon Samen echt wanhopig te worden. “Dit is niet het vleermuizenmuseum, dit is het museum van Cambodja! Als jullie vleermuizen willen zien ga je maar naar Battambang!” (In Battambang zitten vleermuisgrotten die veel toeristen trekken). Natuurbeschermers wilden de vleermuizen behouden, want zo’n kolonie eet ongeveer 4000 personenauto’s aan insecten per jaar. Veel van die insecten zijn gewas bedreigende soorten. En dan leveren ze ook nog eens meststof. Een zegen voor de boeren, die geen gif hoeven te gebruiken.

nationalmuseumbats

Een deel van de vleermuizenkolonie in het dak van het Nationale Museum van Cambodja. (batcon.org)

Veel organisaties kwamen langs en hadden plannen, maar fondsen bleven uit en niemand kwam over de brug om museum en vleermuizen te helpen. Uiteindelijk nam Samen het heft in eigen handen. Zijn medewerkers plaatsten in het holst van de nacht kippengaas over alle openingen. Op papier had het museum de vleermuizen niets aangedaan, maar zonder grote schuilplaats kunnen ze niet overleven. Deze soort heeft een systeem van groepszorg, waarbij de jongen in kinderdagverblijven zitten.

Het schrikbewind van Pol Pot, waaronder een kwart van de bevolking werd uitgemoord, duurde tot 1979. Daarna kwam Cambodja in handen van de Vietnamezen. De vleermuizen hebben nog tot 2002 als een schaduw boven de mooiste kunst uit het rijk van Angkor gehangen. Ongeveer zolang als het land nodig had om de brokstukken bij elkaar te vegen. In 2003 werd er een tribunaal opgericht om de leiders van de Khmer Rouge te vervolgen.

chaerephonplicatus

De Chaerephon plicatus of ‘wrinkle-lipped free-tailed bat’