Birdies

Er is hier de afgelopen tijd niets verschenen, dus ik hoop maar dat ik geen volgers heb. Ik heb best veel geschreven, maar nog niets laten doorsijpelen naar deze blog. We waren een maand in Tanzania voor verhalen over schubdieren. Dat ging best voortvarend, waardoor we tijd over hadden om ons in slurfhondjes te verdiepen. Dat klinkt allemaal heel avontuurlijk (of juist niet, haha), maar intussen zijn we al een paar weken terug en de laatste dagen zit ik te zweten op mijn skippybal (het lot van hypermobiel zijn; een stoel is momenteel funest voor mijn rug, met dank aan het backpacken). Elke zin die ik schrijf is mislukt. Nooit doen ze het goed, de zinnen. Althans, nu even. En ondertussen mis ik het reizen. Op onderzoeksmissie zijn. Daarom ben ik maar wat andere klusjes gaan doen. Zoals (bijna) alle vogels die we gezien hebben naar het Nederlands vertalen.

Ik dacht dat ik niet zo van de vogels was, maar ik had het mis. Ook ik ben van de vogels. Of wil van de vogels worden. Ik vond ze vele malen boeiender dan bijvoorbeeld de leeuwen, waar de gidsen steeds achteraan wilden rijden. Waarom precies was ons niet duidelijk. Alle kleine zoogdieren en vogels waaraan we voorbij zijn gereden. Niet te filmen.

Toch is het een lange lijst geworden. Het resultaat van af en toe de verrekijker heffen. We zijn niet op vogelsafari geweest en ik kan niet zeggen dat we intensief hebben ‘gebird’. Tanzania is gewoon een heel erg goed vogelland. Wel verbleven we een paar dagen aan de rand van het regenwoud in Udzungwa National Park, bij een veldcentrum. Daar trokken we op met Lea, een jonge Maasai die alle vogels van Oost-Afrika kan herkennen. ‘Birding for Life’, stond er op haar shirt. Ook was er op het terrein van de camping in Morogoro een ‘bird walk’, maar dat leverde naast mooie zonsondergangen slechts enkele namen op. (Zoals de palmgier, die eigenlijk geen gier is, volgende keer wil ik meer gieren). Het was leuk de Nederlandse vertalingen op te zoeken. In het Nederlands wordt alles aan elkaar geschreven en ontstaan er interessante samentrekkingen, die een multizintuiglijk paradijs oproepen. Ook de lijflijkheid vind ik mooi. Al die kelen, koppen, oren, snavels, wenkbrauwen en ogen, die allemaal weer hun eigen kleuren hebben.

Groenstaartglansspreeuw in Mikumi National Park, c Alexis de Roode.

Komen ze, in volgorde van spotten in Mikumi, Ruaha, Tungamalenga, Isimila (Iringa), de Udzungwa’s en Simbamwenni (Morogoro):

Driekleurige glansspreeuw, Blauwkopastrild, Hamerkop, Koperstaartspoorkoekoek, Afrikaanse bonte kwikstaart, Afrikaanse papegaaiduif, Kaapse tortel, Diadeemkievit, Vorkstaartscharrelaar, Roodkeelfrankolijn, Afrikaanse maraboe, Parelhoen, Roesthalsnachtzwaluw, Madagaskarbijeneter, Nijlgans, Reuzenreiger, Blauwe reiger, Afrikaanse gaper, Bataleur, goochelaar of berghaan, Roodsnaveltok, Kuiftok, Von der deckens tok, Zuidelijke grondneushoornvogel of hoornraaf, Poederdonsklauwier, Groenstaartglansspreeuw, Ornaathoningzuiger, Dwergbijeneter, Palmtortel, Zwarthalsbaardvogel, Blauwfazantje, Grauwe buulbuul, Wenkbrauwspoorkoekoek, Smaragdvlekduif, Bonte ijsvogel, Afrikaanse sperwer, Wenkbrauwbuulbuul, Grenadierwever, Roodvoorhoofdwever, Gestreepte ijsvogel, Gewoon ekstertje, Staalvlekduif, Mozambiquesijs, Driekleurbuulbuul, Savannezaluw, Dorpswever, Zwartkopwever, Vuurvink, Fluweelwidavink, Zilveroorneushoornvogel, Trompetneushoornvogel, Afrikaanse paradijsmonarch, Augurbuizerd, Palmgier, Roodkoplawaaimaker, Olijfgroene honingzuiger, Gewone rechtstaartdrongo, Woudwever, Halsbandhoningzuiger, Dwergbijeneter, Oostelijke goudwever, Bruinkapijsvogel, Witbrauwlawaaimaker, Roodoogtortel, Schildraaf.

Amen.

Choreografie met een gevlamde fijnstraal

Of: Een nacht achter de Dom

Afgelopen herfst schreef ik voor het Monumentenfonds van het K.F. Hein Fonds een verhaal geïnspireerd door het pand Achter de Dom 14, dat in hun beheer is en waar ooit o.m. het hoofdpostkantoor van Utrecht en drie musea gevestigd zaten. Omdat het pand toen nog leeg stond (nu zit Het Literatuurhuis er) besloten Alexis en ik er een nachtje te kamperen. Het werd een essay over de fysieke vs. de literaire ruimte, met een belangrijke bijrol voor postkantorenarchitectuur. Ons avontuur leverde ook een dansvideo op, die ik ertussen heb geplakt. Het nummer waarop ik dans in de lokettenzaal is Little Blue Mailbox van Fink.

///

Luide stemmen stapelen zich op tussen toren en gevels. Het is vrijdagavond en ik loop langs de terrassen die in een halve cirkel rond de Domtoren liggen. Op driehoog zie ik iemand vanuit zijn vissenkom naar beneden staren. Ik hoop maar dat de ramen dubbel glas hebben. Hele weekenden torent hij boven het lawaai uit, als een koning boven een feestende menigte. Het hoort bij deze plek. Sinds de elfde eeuw worden hier kermissen gehouden.

Voorbij het plein duik ik de straat achter de Domkerk in en sta voor de grijze, hardstenen gevel van nummer 14. De stilte die hier hangt is weldadig, nog geen dertig stappen bij de kermis vandaan. In 1924 verzuchtte een journalist dat het nu zo stil was, waar eerst de halve stad had gelopen. Voordat het iconische pand op de Neude verrees, zat hier het hoofdpostkantoor van Utrecht. Later zaten er onder meer drie musea en een instituut voor architectuur. Nu staat het grootste deel van de begane grond leeg. Dat is precies de reden waarom ik gevraagd heb of ik hier een nacht mag kamperen. Ik wil weten of er iets van al die duizenden handgeschreven brieven, al die opgehangen en weer afgevoerde kunst, al die begeestering, is blijven hangen in de muren. Bovendien heb ik een chronisch tekort aan lege ruimtes in mijn leven. Ruimtes waarin je op een grote kale vloer kunt gaan zitten, waarin je kunt denken en dansen zonder obstakels.

Als ik de brede voordeur voorzichtig openduw, tref ik het pand stil en schemerig. Via de hal loop ik naar het leegstaande deel van de begane grond. Ik passeer de deur naar designbureau Kummer & Herrman, waar de lichtzoete geur van water met komkommer hangt. Verzin ik die geur vanwege de naam of hangt de geur er echt? Pas als ik de volgende deur open, een deur van glas, kom ik in mijn domein voor de nacht.

Nadat ik alle lichtknoppen heb gevonden en ingedrukt, doe ik de helft weer uit. Onder tl-balken heb ik te veel jaren moeten doorbrengen en straks als het donker wordt ontsteek ik kaarsen. De ruimte bestaat uit de voormalige lokettenzaal, twee grotere zalen, twee zijkamers en een leeg keukentje. Witte luiken voor de ramen, daarachter een verwilderd binnentuintje. Ik baken mijn territorium af door een rondje langs de muren te maken. Alexis, mijn geliefde, komt pas later. De binnentuin roept.

Vingers van klimop tasten over de tegels en de hoeken zijn volledig overwoekerd. Mijn app stelt me voor aan de Canadese of gevlamde fijnstraal. Lange, onopvallende stengels met wat mottige pluisjes bovenop. Veelvoorkomend stadsonkruid met een magische naam. Ik vind het prettig om precies even lang te zijn als een bloem of plant. Doodstil ga ik op drie centimeter afstand van een fijnstraal staan die precies mijn lengte heeft. In tegenstelling tot de fijnstraal wieg ik niet zachtjes mee op de wind. De tuin is ommuurd, erachter loopt een ijzeren brandtrap langs andere ommuurde tuinen. Een duif vliegt op.

Binnen draai ik een paar rondjes om mijn as, mijn armen afwisselend gebogen voor me en gestrekt. Waarom vind ik het zo fijn om door lege ruimtes te bewegen? Misschien is het omdat er geen materie aan me trekt, geen objecten erom smeken gebruikt te worden. Hier kan ik zelf mijn houding bepalen, kent mijn lijf nog geen uitgesleten routes.

Deze ruimte, die ooit de lokettenzaal voor heel Utrecht was, is nauwelijks groter dan een studentenkamer. Toch schijnt men hier tien rijen dik te hebben gestaan, wachtend met enveloppen. Met mijn ogen gesloten probeer ik me honderd jaar terug in de tijd te denken. Mijn voeten laat ik over de diepst uitgesleten plekken van de zwart-witte marmeren vloer glijden, voel het gewicht van de stad. In de consoles van de gele balken zijn een posthoorn, een stempel en een treinwiel met vleugels uitgesneden.

Geen wonder dat dit pand in de jaren twintig te krap werd. De komst van telefonie vroeg om grotere ruimtes. In de steden verrezen modernistische hallen met art deco-elementen. Ware communicatiekathedralen, waarvan Utrecht de mooiste had. Eindeloos veel kabels moesten erin passen en mensen aan lange tafels, die de gesprekken over die kabels verdeelden.

Heathcliff, it’s me, I’m Cathy, I’ve come home
I’m so co-ho-ho-hold, let me in your windoho-hoooow!

Alexis springt op en neer in de ruimte met de luiken. De fijnstralen in de donkere binnentuin erachter worden groen beschenen door het brandganglicht. Hij gooit zijn armen omhoog en zijn spiegelbeeld danst mee in het raam. De soepelheid van Kate Bush ontbreekt, maar de intentie is er. In alle hoeken van de ruimtes wakkert nu een vlammetje van een waxinelichtje. Zelf zit ik hijgend op de grond, in kleermakerszit bij te komen van deze energetische opleving. Vóór het Kate Bush-uur, dansten we op liedjes over brieven en postbodes. ‘Signed, sealed delivered (I’m yours)’ van Stevie Wonder natuurlijk, maar ook ‘Little Blue Mailbox’ van Fink bleek goed dansbaar.

Als ik een maand niet heb gedanst, gaan mijn schoudervleugels zeuren, alsof ik te lang aan de grond heb gestaan. Dansen voelt soms als meer dan bewegen, als communiceren in een andere taal. Misschien dat postkantoren en dansen daarom zo goed samengaan. Om goed te kunnen dansen heb je grote lege ruimtes nodig, maar wie kan zo’n ruimte betalen met een grondprijs van 4000 euro per vierkante meter? Er zou een club moeten zijn die ruimtes tijdelijk beschikbaar stelt aan inwoners van de stad. Kerkzalen, archieven en magazijnen. Zelfs kantoren in monumenten zouden na sluitingstijd een oogje dicht kunnen knijpen. En oude postkantoren natuurlijk. Geen discotheeksfeer, geen drank, geen gepraat; zwijgend dansen en weer naar huis.



Het postkantoor dat hier heeft gezeten, was nog van de bescheiden, geïmproviseerde soort. Daarna pakten architecten pas echt uit, met art deco-paleizen vol pompeuze sculpturen die de vooruitgang en verbroedering der gehele wereld moesten uitstralen. Naast de indrukwekkende bakstenen bogen zie je in het oude postkantoor op de Neude nog steeds het hardstenen beeldhouwwerk van Hendrik van den Eijnde, met figuren die verschillende continenten en handel en welvaart verbeelden.

Maar ook eind negentiende eeuw werden er al extravagante postkantoren gebouwd, die doen vermoeden dat de architect de opdracht verkeerd begrepen had. De vele postkantoren van Rijksbouwmeester Cornelis Peters, met torens, pinakels en sierbogen, werden soms smalend ‘postkantorengotiek’ genoemd en de vrouwen van postdirecteuren klaagden dat ze hun reusachtige ambtswoning nauwelijks schoon konden houden. De gebouwen mochten best mooi worden, maar het bleven wel de posterijen; het bleef wel Nederland. Er kwamen richtlijnen voor de bouw, die architecten als Peters vervolgens aan hun laars lapten. Veelzeggend is het dat Peters een telefoontoren ontwierp voor het postkantoor in Uitgeest, toen de telefonie daar nog geen intrede had gedaan. De architectuur liep enthousiast op de technologische ontwikkelingen vooruit.

Charlotte Van den Broeck schrijft in Waagstukken, een essaybundel over tragische architectenlevens, over Gaston Eysselinck, die rond 1950 de Grote Post in Oostende mocht ontwerpen en eindeloos veel beelden en reliëfs liet maken. Hoewel het gebouw van buiten Le Corbusier-achtig oogt, leidde ook deze opdracht tot overdaad. Op het laatst lag hij zo in de clinch met zijn opdrachtgevers, dat hem de toegang tot de bouwwerf werd ontzegd. Het werd zijn laatste gebouw. Een postkantoor wordt nu eenmaal nooit een paleis, een schouwburg of een museum. Behalve dan Achter de Dom in Utrecht. Hoewel het nooit als postkantoor is ontworpen, heeft hier later Museum Speelklok en het Museum voor Hedendaagse Kunst gezeten, dat eind jaren tachtig is opgegaan in het Centraal Museum.

We zijn gestopt met dansen en draaien nu klassieke muziek. Ik ga op de vloer zitten en klap mijn laptop open. Op de website van het Utrechts Archief zoek ik op het gebouw, om een indruk te krijgen van andere periodes. Ik scrol door de foto’s. Onderuitgezakte studenten met lang haar op een bankje omringd door draaiorgels. Doeken met abstracte kunst, doeken met een soort popart. Een foto van de vijftigduizendste bezoeker van het Museum voor Hedendaagse Kunst. Bloemen, bubbels, opening na opening. Lachende mensen voor steeds weer andere doeken tegen steeds dezelfde wanden. Een spandoek met Casper het vriendelijke spookje als onderdeel van een tentoonstelling halverwege de jaren tachtig. Ik vraag me af binnen welk kunsttheoretisch kader dit ooit perfect paste. En of het doek nog ergens bij iemand op zolder ligt. Schilderijen hebben muren nodig om te bestaan, of op z’n minst een digitaal archief, terwijl architectonische versieringen mee mogen naar een nieuwe tijd, ook als de functie van het gebouw allang is veranderd.

Dan vinden we het tijd om de twintigste eeuw achter ons te laten en af te dalen naar de middeleeuwen, toen dit pand uit kloostermoppen werd opgetrokken. We openen een deur en stappen in het donkere gat van de kelder. Het is een heel complex van ruimtes, met een laag plafond en smalle doorgangen naar volgende ruimtes. Beneden is wel licht, maar het knippert en zoemt onaangenaam. In een van de ruimtes staat een stoel, op het zitvlak zie ik vaag de vorm van een kruis. Op de grond ervoor ligt iets wat op gereedschap lijkt. Zie ik wat ik wil zien, of zijn hier de ingrediënten voor een horrorfilm aanwezig? Alexis is al twee ruimtes verder, maar mijn claustrofobie maakt mijn lijf onrustig, fixeert mijn ogen op het rennende witte poppetje op het groene brandganglicht, dat net als in de binnentuin de vluchtroute markeert. Voorzichtig en licht gebogen loop ik verder.

‘Het spookt daar niet hoor!’ De man van het K.F. Hein Fonds was stellig toen ik vanmiddag de sleutel kwam ophalen. Waarom zei hij dat? Nu ik hier ben, weet ik vooral dat ik hier niet te lang wil blijven. Zware stenen trappen lopen dood tegen het kelderdak. Ik vraag me af welke ruimtes de trappen ooit verbonden. Bij terugkeer blijkt de houten trap van waaraf we zijn afgedaald niet opeens te stoppen bij het kelderdak. Er is nog een weg naar boven.

De schrijver en architectuurcriticus Christophe van Gerrewey beschrijft architectuur als denkobject, omdat ons lichaam zich er onafgebroken door ingesloten weet. Architectuur en literatuur ziet hij daarom als tweelingkunsten, omdat ze sferen kunnen oproepen waarin je kunt verblijven. Ook zijn de bouwmaterialen van beide kunsten alledaags – taal of steen, maar bieden ze ook de kans om van hun functionaliteit te worden ontdaan.

Waar de postkantoorarchitecten van de twintigste eeuw volgens hun opdrachtgevers soms de functionaliteit vergaten, leven we nu in een wereld met generieke gebouwen zonder versieringen. We zullen het wel laten om een gestileerd winkelwagentje uit te hakken in de gevel of draagbalk van een supermarkt. Teksten en symbolen moeten elk moment weer losgeschroefd kunnen worden. Bij elke functie moet een gebouw opnieuw beginnen, alsof het zich moet schamen voor de eigen geschiedenis.

Maar hoe goed die geschiedenis soms ook wordt verborgen; wie door een oud gebouw loopt, loopt door een verhaal. En wie een verhaal schrijft, schept ruimtes in hoofden. Een lezer voegt daar de eigen herinneringen aan toe. Dat maakt de gefantaseerde ruimte zo fysiek en particulier; we kunnen alleen uit ruimtes in onze herinneringen putten. Zo zag ik het huis van de oom en tante van Harry Potter altijd voor me als de bungalow waarin ik opgroeide, in een doodlopend hofje in Tubbergen. Ik zag zielzuigende demonische wezens zweven boven de stenen waar nooit wat gebeurde en waar ik al jaren weg was.

Dromen zijn opgebouwd uit hetzelfde materiaal: herinneringen aan fysieke ruimtes. Dromen en gedichten lenen zich bij uitstek voor grote mentale reizen, in weinig woorden of beelden. Ze maken het flitsen van ruimte naar ruimte mogelijk, zonder belemmering door triviale zaken als tijd, wildernissen of infrastructuur. Van de gedroomde ruimte wordt bovendien verwacht dat deze vol zit met symbolen, van de poëtische ruimte eveneens.

In het eerste grote dichtwerk van de veertiende-eeuwse Engelse poëet Geoffrey Chaucer ontwaakt de verteller in een droom, nadat hij met een boek in bed in slaap is gevallen. Hij hoort kleine vogels rinkelend zingen als de mooiste muziek en de ruimte waarin hij wakker wordt heeft wanden vol glas-in-loodramen. Naakt stapt hij uit bed en bekijkt de ramen, die bekende scenes uit de klassieke en Franse literatuur laten zien. Dan voelt hij de zon door de ramen op zijn gezicht vallen, hoort buiten een jachthoorn blazen en besluit de ruimte te verlaten, nog altijd naakt. Buiten komt hij terecht in een locus amoenus; een lieflijke plek waar bloemen groeien. Van daaruit voegt hij zich bij de drijfjacht die gaande is, waarna het verhaal – dat geschreven is om een graaf te troosten die zijn jonge gravin aan de builenpest verloor – eigenlijk pas begint. Het naakt verlaten van de ruimte vol klassieke verhalen wordt in verband gebracht met Chaucers gewaagde keus om literatuur niet in het Frans of Latijn, zoals honderden jaren gebruikelijk was, maar in het Engels te schrijven Zijn naaktheid benadrukt de sprong in het diepe.

Rechtop in mijn slaapzak zit ik. Opgeschrikt door keihard klokkenspel. Hoewel het een vrolijk deuntje is, vraag ik me geërgerd af waarom de Domtoren ’s nachts hele albums moet afspelen. Mijn telefoon zegt dat het vijf uur in de ochtend is. Ooit had ik een vogelklok, die om vijf uur met de wielewaal begon. Na precies één nacht verwijderde ik het geluidsbatterijtje.

Een paar uur later worden we wakker van de zon op onze gezichten. Niet alle ramen hebben hier een luik, dus duister konden we het niet krijgen. Ik kijk de lege ruimte rond, die nu vertrouwder voelt dan gisteren. Je kent een plek pas als je er ontwaakt. Liggend met je hoofd bij de grond, heb je gezien waar het stof zich ophoopt en waar de stopcontacten zitten. Je kent de dominante geluiden, want je bent erdoor in slaap gesust of wakker gehouden. Vaag gezoem uit de stoppenkast hoorden we vannacht, of kwam het uit de kelder?

In tegenstelling tot Chaucer kleden we ons aan, om niet naakt de ruimte te verlaten. We rapen de kaarsen in de hoeken, proppen onze spullen weer in rugzakken en wissen onze sporen alsof we hier nooit zijn geweest.

Nog één keer loop ik een rondje door de lokettenzaal. De communicatierevolutie waardoor dit pand als hoofdpostkantoor veel te klein werd, heeft inmiddels haar voltooiing bereikt, maar postkantoren overbodig gemaakt. Honderd jaar na de grote postkathedralen, zijn ze nu helemaal verdwenen. Wat ooit kantoren waren, zijn nu servicepunten in supermarkten. In 2018 sloot het laatste postkantoor aan het Kerkplein in Den Haag. Dat dit nauwelijks is opgemerkt, zegt genoeg.

Inmiddels zijn we voor het uitwisselen van informatie niet meer afhankelijk van de posterijen. Met telefoon op zak sta ik voortdurend in contact met iedereen die ik ken, maar ook met iedereen die ik niet ken. Mensen waarvan ik geen adres heb, kan ik toch een bericht sturen. Een roodgloeiende centrale ben ik, een wandelend postkantoor. Waarom is mijn gevoel van ruimte en mobiliteit dan niet toegenomen? Een groot deel van mijn tijd breng ik door in een virtuele tussenruimte, gebogen richting beeldschermen. Verwarrende uren, waarin ik vaag iets aan het doen ben, op meerdere plekken in de wereld tegelijk. Elk gesprek is mogelijk en we roepen allemaal door elkaar heen, waardoor er geen gesprek ontstaat. Om mijn gebrek aan verbinding te compenseren, druk ik op hartjes bij opdoemende hoofden, huisdieren en maaltijden. Ik weet niet of er een woord bestaat voor de ruimte tussen het versturen en ontvangen van een brief, maar ik geloof dat ik die ruimte soms mis.

Met enige tegenzin doen we de glazen deur achter ons dicht. De deur naar ruimte om te dansen en de deur naar het verleden. Althans, aanknopingspunten richting het verleden; broodkruimels naar verhalen die soms alleen zijlings iets met dit pand te maken hebben.
De zaterdagochtend schijnt ons lieflijk tegemoet, met zon en gedempt stadsrumoer. Als we richting Domplein lopen, zien we dat ook de nissen in de kerkmuur vol met fijnstralen staan. Met die gietijzeren hekken ervoor tegen wildplassers, lijkt het wel alsof ze speciaal zijn tentoongesteld om het alledaagse bijzonder te maken.

Net als de verteller in het droomgedicht van Chaucer voegen we ons bij een jacht; de jacht op een goed ontbijt. Maar waar hij de oude wereld achter zich laat en kiest voor een nieuw begin in een nieuwe taal, gaan wij schoorvoetend terug naar het heden, naar onze levens als wandelende postkantoren. Waar we onze zielen weer moeten opvouwen, om ze passend te maken voor de kleinere ruimtes waardoor ze worden omringd. Even overweeg ik het Nederlands achter me te laten, terug te grijpen op ouder bouwmateriaal. Anima vagari debet.

Watou

Ik ga op pad om Watou te verkennen. Gele bomen wakkeren als kaarsen in de late middagzon. In iemands tuin eten grote zwarte eenden het onkruid weg. Het is een tuin die in de middeleeuwen ligt, met overal etensresten, gescharrel. Ongeduldig zoek ik naar het varken, maar vind er geen. Dit West-Vlaamse dorp met 1.900 inwoners op de grens met Frankrijk heeft zes restaurants, maar niet één blijkt er doordeweeks geopend. Alleen in het weekend en vooral in het zomerseizoen kun je hier de toerist uithangen. Verlangend kijk ik naar de borden ‘Hommelbier’, die prijken op elk gesloten restaurant.

Misschien is het beter zo. We zijn hier om een paar dagen te schrijven in het Huis van de Dichter. Een groot vrijstaand huis aan de rand van het dorp, dat ooit als onderpastorie dienst deed. Daarna werd het de woning van dichter Gwij Mandelinck, die hier tot 2008 de illustere poëziezomers organiseerde. Alexis en ik waren bij de laatste editie en ik heb goede herinneringen aan de nachtelijke zit onder leiding van Gerrit Komrij in de brouwerij van St. Bernardus. Tegenwoordig is de woning een vakantieverblijf en doordeweeks een schrijfresidentie. Het ligt op nog geen tien stappen van het centrale plein, toch hoor je hier ‘s nachts alleen bosuilen.

De entree naar het Huis van de Dichter in Watou.

Ik verken de zijstraten rond het plein. Eén ervan brengt me langs een opvallende gele deur, waarachter je vanaf eind november volgens het opschrift zelfgemaakte zaken kunt kopen, zoals kerstkaarten. De schoonheid van handenarbeid, seizoenswerk. Het dorp op je stoep omdat je iets moois hebt gemaakt. Verderop staat achter een raam een klein heiligenbeeld met wit gewaad. Boek in de hand, hand bij het hart. In het raam weerspiegelt een geparkeerde witte auto, waardoor het lijkt of de heilige zijn wijsheden deelt met zijn kleurgenoot.

De verhalen van dit dorp geven zich niet gemakkelijk prijs. Overal hoop ik kleine hints te vinden. Beelden en affiches achter de ramen, een buurthuis vol opgestapeld speelgoed en de opsomming van vele soorten vlees in verband met een winterbarbecue. Slagers heten hier beenhouwers en ik heb diepe bewondering voor de vegetariërs in de streek. De vegaschijf lijkt nog niet ontdekt.

De plek net buiten het dorp waar je absoluut geen kippen mag voeren. (Foto genomen op een minder zonnige dag).

Richting Frankrijk loop ik nu, over een asfaltweg die weg van het dorp leidt. De kippen niet meer voeren / Plus nourrir les poules!!! staat er op een houten bord bij een hek waaraan geheimzinnige touwtjes bungelen. Het leed dat hierachter moet schuilen. Een man staat op een ladder en verft zijn keurige witte dakrand nog witter. Het huis ernaast is totaal afgebladderd. De diversiteit van Belgische huizen is fijn. Het eindresultaat is niet altijd even prettig voor het oog, maar de huizen weerspiegelen tenminste de persoonlijkheden van de bewoners. Of in ieder geval de manier waarop ze dingen aanpakken of juist niet aanpakken. In Nederland lees je alleen de smaak van projectontwikkelaars af en zie je elk huis honderden keren opnieuw.

Vanuit een ooghoek zie ik iets vliegen, het lijkt op een parkiet. Dat moet wel een nazaat van een ontsnapte zijn, of misschien wel het voormalige huisdier zelf. Frankrijk ligt onaantrekkelijk in de verte. Een boze bunker in het veld, mestgeur, meeuwen die opvliegen achter een trekker en nog geen dorpskern in zicht. Ik draai weer om en kom langs het schattige grenscafé dat ik op de heenweg ook al passeerde. Ooit moet hier een grens met een café zijn geweest, nu is het café de enige markering die er nog is.

Het grenscafé. Ongeveer voorbij het bruggetje ligt Frankrijk.

Eigenlijk was ik van plan om een heel stuk Frankrijk in te lopen, maar ik vind de vensterbanken in Watou interessanter dan de verdwaalde boerderijen in de verte. Ik loop terug en spiek over de heg van de begraafplaats. 23 jaar, 1921, misschien Spaanse Griep? Vallen ons op eenzelfde manier de coronadoden op als we over honderd jaar een begraafplaats bekijken? Van links komt een klas Vlaamse kindjes me tegemoet, twee aan twee, druk babbelend. Ik wandel de andere kant op, langs de pastorie, de twaalfde-eeuwse kerk en uiteindelijk bereik ik weer de onderpastorie, waar we verblijven.

De oranje zon piept nog precies boven het veld uit in de verte, waar Frankrijk ligt. Het gele blad van de bomen naast het huis lijkt nog feller dan toen ik vertrok. Ik denk na over wat ik heb gezien. Hoe je in het buitenland vooral let op alles wat anders is. Verschil van bouwstijl, verschil van tuinen. Misschien dat die focus mij belet dit dorp werkelijk te lezen. Of misschien heeft een dorp niet één gezicht. Kunnen we niet meer doen dan fragmenten verzamelen en die op een rij zetten. Dat lezen als verhaal.

De ondergaande zon en het Huis van de Dichter rechts.

Project Hildegard

Vorige week woonde ik vijf dagen in de woonwagen van Opium Atelier, pal naast de ingang van het AVROTROS-gebouw. Ik ging erin met een stapel boeken van (en over) Hildegard von Bingen, de twaalfde eeuwse mystica, met als doel er na vijf dagen uit te komen met een gedichtenreeks. Je leest het goed: Hildegard von Bingen op het Mediapark. Hoe dat verliep kun je in woord, beeld en radiofragmenten hier terugvinden. (De uiteindelijke voordracht vind je alleen in de Opium radio-uitzending van 21 februari op ongeveer 1/3).

opiumatelier2

Op zoek naar Arno

(Dit verhaal schreef ik afgelopen december in het kader van een verblijf in de Oostburgse schrijfresidentie van Schrijvers in Sluis).

Na bijna een jaar in het paradijs viel het tegen om weer tussen de Zuilense bakstenen te leven, dus zocht ik naar vluchtwegen. Er bleek een schrijfresidentie te bestaan in het Zeeuws-Vlaamse Oostburg. Een mailtje was genoeg om een huis met een open haard in de buurt van de Noordzee te bemachtigen. Zomaar, omdat mijn geliefde en ik weleens wat letters op papier hadden gezet.

Na drie treinen en een boot kwamen we aan in de haven van Breskens. Bij de Westerschelde had ik me een soort rivier voorgesteld, maar de golven klotsten tegen de ramen. Omdat ik in mijn bloedlijn slechts binnenschippers heb, die met katoen langs mistige provinciesteden gleden, kwam ik misselijk aan land. Via een tunnel liepen we de parkeerplaats op. We hadden onze signalementen doorgegeven (lange zwarte jas, lange bruine jas) en van de organisatie alleen een naam gekregen. Die naam was Arno.

Op de parkeerplaats was niemand te bekennen. Achter ons trok de wind aan een vlaggentouw; een metalig, repetitief getik. Het geluid van verlaten havens. Bij de uitgang van de poort stond alleen een lange man van middelbare leeftijd, die in gesprek was met een jongere man.

Na een belpoging en nog wat wachten (‘hij zit vast achter het stuur’), liepen we toch maar naar de twee mannen bij de poort. “Ben jij misschien Arno?” “Ja”, zei de man van middelbare leeftijd. “Arno!” riep de jongere man die naast hem stond. Hij droeg een dikke witte winterjas en hield een glimmende rolkoffer vast. Hij zag eruit alsof hij uit het Midden-Oosten kwam, of uit Zuid-Amerika misschien. Ouder dan een jaar of drieëntwintig kon hij niet geweest zijn. Samen vormden ze een vreemd duo. De jonge man schudde onze handen zonder zich voor te stellen, wees daarna naar Arno en riep “Arno!” Het enige woord dat hij kende.

Arno vertrouwde ons toe dat hij, toen de boot arriveerde, door de jongen met zijn naam werd aangesproken en sindsdien al een tijdje in een woordeloos gesprek zat opgesloten. Het was vreemd dat de jongen zijn naam kende, misschien was dat de reden dat Arno geen moeite deed hem af te wimpelen. Hij wist dan niet wie de jongen was; de jongen wist wél wie hij was. Met z’n vieren liepen we naar de auto.

Pas toen de jongen ook zijn rolkoffer in de auto van Arno wilde slingeren, grepen we in. In talen die hij niet kon verstaan legden we uit dat Arno twee, niet drie personen bij de boot kwam ophalen. Dat het een vergissing moest zijn, dat het ons speet.

Snel sprongen we in de auto en klapten de portiers dicht. Door de achterruit zag ik zijn gezicht terwijl we uit zicht verdwenen. In puzzelstukjes bleef hij achter op de koude, winderige parkeerplaats. Op een zondagmiddag, op een plek waar geen bussen rijden en waar niemand meer te bekennen was. Het voelde vreemd de zinnen van afwijzing uit te spreken, omdat de ontmoeting in zijn beleving soepel en probleemloos moest zijn verlopen. Wie dacht hij dat wij waren? En vooral: wie was hij?

//

De lucht hing laag en roze boven de kleigronden, die ons in kleine donkere golven omringden. Nog misselijk van de boot, probeerde ik me op de loop van de weg te concentreren. De sfeer in de auto was enigszins bedrukt. Arno stelde voor de toeristische route te rijden.

“Ik begrijp echt niet hoe die jongen aan mijn naam komt”, zei Arno. Ik bezwoer hem dat ik aan niemand onze afspraak had verklapt, dat ik voor de zekerheid het wachtwoord van mijn mailbox zou wijzigen. Maar Arno leek zich daarover niet echt zorgen te maken, zijn uitspraak was niet als beschuldiging bedoeld. Paniekerige gedachten spookten door mijn hoofd. Had een vluchteling mijn mailbox gehackt en naar aanknopingspunten gezocht om zich op een nonchalante, vanzelfsprekende manier in mijn leven te voegen? Om op die manier een veilig thuis te vinden? Ik wist dat het een belachelijke gedachte was, maar kon geen alternatief verhaal verzinnen.

Arno leidde ons de woonkamer binnen. In het huis was alles beige, met boeddhistische details. Vredige boeddha’s boven de haard, in de tuin en op het toilet. Prima. Als je je omringt met heiligen, laat ze dan in ieder geval hun ogen gesloten houden en glimlachen. Eigenaresse Tiny woont een paar maanden per jaar in Thailand en schildert. In de wintermaanden stelt ze moedig haar huis beschikbaar aan vermoeide schrijvers uit de Randstad.

Bij het teruglopen naar de hal viel het schilderij naast de deur van de woonkamer me op. Een zoekende man op het station. Keurig in cognackleurig pak, koffer in de hand, maar om hem heen is het donker. Hoewel zijn pak gedetailleerd geschilderd is, is zijn gezicht een zwart gat, het valt samen met de omgeving. Alsof hij niet alleen de weg, maar ook zijn identiteit kwijt is. Ik voelde me berispt.

//

In de Joodse traditie is het heel normaal om rekening te houden met een ongenode gast. Een lege stoel, een leeg bord en de deur een beetje op een kier. Je weet maar nooit wie er door de koude decembernacht over de velden komt gelopen. Misschien wel profeet Elia, om de terugkeer van God op aarde aan te kondigen.

Tiny had haar hele huis voor ons, onbekenden, opengesteld. Kerst was in aantocht. Het huis heeft een extra eenpersoons slaapkamer, hadden wij echt geen plek voor hem gehad? Worden profeten niet altijd geboren in de stallen van de rijken die een oogje dichtknijpen? Mooi idee; barmhartigheid, maar wat had ik ooit meer gedaan dan geld overmaken naar stichtingen? De liedjes die ik als kind zong in de kerk vond ik prachtig en vol van belofte, maar nooit had ik het echt op mezelf betrokken. De Bijbel was een toneelstuk in een zandbak in een ver verleden. Stond mijn deur wel op een kier, of alleen voor vrienden en familie? Zou ik ooit bereid zijn een vreemdeling in huis te nemen, zonder te weten wat me te wachten staat?

An empty chair and hannging light bulb in a dark room

Ik dacht aan de man die ik een tijdje Nederlandse les had gegeven in Overvecht. Op een gammel bootje was hij de zee overgestoken. Hij spoelde aan op een klein militair eilandje in Griekenland. Ternauwernood in leven, door gebrek aan zoet water, werd hij naar een groot vluchtelingenkamp gebracht. Hij ontsnapte en wist via via in Zwitserland te komen. Daar regelde hij een vals paspoort en pakte de trein naar Nederland. Als hij in de trein gecontroleerd zou worden, was het over; de vervalsing was matig uitgevoerd. Uitgeput van het vluchten sliep hij de hele rit en werd niet gecontroleerd. Nu, twee jaar later, werkten hij en zijn vrouw bij de Rabobank. In Idlib hadden ze ook bij de bank gewerkt, maar die stond er niet meer.

Natuurlijk had de jongen in de witte jas na zijn aankomst in Nederland de trein naar Vlissingen gepakt. In zulke uithoeken was minder politie en immigratiedienst. In Vlissingen kocht hij van zijn spaarzame centen een nieuwe jas en een nieuwe koffer, om zijn nieuwe leven netjes tegemoet te treden. “Arno” luidde de sleutel tot dat leven. Die naam had hij uit mijn mailbox gevist. Of nee, die naam had hij op de boot opgevangen, of nee, die naam had iemand hem getipt. In een huis waar je gratis mag wonen doet men toch niet moeilijk over een huisgenoot meer of minder? Misschien was hij wel een dichter.

//

Het is avond. Arno staat middenin onze woonkamer en zwaait met een afstandsbediening. Hij is overgekomen omdat ons geluid het niet doet. Omdat we thuis geen tv hebben, mogen we hier van onszelf tv kijken. Of hij nog iets over de jongen heeft gehoord. Hij lacht. Natuurlijk; in een dorp blijven raadsels nooit lang raadsels. Dat hij met iemand in het bestuur van een sportclub zit. De tweede en laatste Arno van het dorp. Gek dat hij niet gelijk aan hem had gedacht. Arno Twee heeft een zoon, die over een paar dagen met een Venezolaanse trouwt. De familieleden druppelen Oostburg een voor een binnen. De jongeman was een broer of een neef, hij zou opgepikt worden door Arno Twee. Die kennelijk nog niet in de haven was toen wij aankwamen. Een bizar toeval.

Ik kijk naar het schilderij aan de muur. Naar de man in zijn nette pak, zijn zoekende lichaamshouding. Hij heeft aan alle voorwaarden voldaan, hij is voorbereid op reis gegaan, maar het blijft stil om hem heen. Eén naam, het had genoeg moeten zijn. Maar de naam wees hem af. Heel even was hij voor eeuwig verloren. Even later kwam Arno Twee waarschijnlijk toeterend aangereden. We zijn puzzelstukjes die meestal hun plaats wel vinden. Die jongen zit nu zijn cultuurshock te verwerken, op een bank, naast zijn zus of nicht die hij lang niet heeft gezien. De wind waait om het huis en kolkt door de schoorsteen. Ik denk aan de puzzelstukjes die niet worden gezocht.

Duizendknoop

(Dit verhaal schreef ik in de 2e helft van september tijdens een verblijf in schrijfresidentie De Wolkerstuin, het voormalige tuinhuis van Jan en Karina Wolkers op tuinpark Amstelglorie in Amsterdam).

Hoe ga je geconcentreerd schrijven omringd door een tuin als een regenboog? Als een inbreker in een snoepwinkel sluip ik rond. Ik verzamel de zaaddozen van de Oost-Indische kers, om kappertjes van te maken. De oranje bloemen stop ik in mijn mond. Ze smaken fris en peperig. Ik signaleer basilicum, tijm, selderie, salie. Inspecteer de zware paarse lijven van de aubergines en zie dat Anneke Brassinga alle komkommers heeft opgegeten. Achter het huisje hangen doffe peren tot boven de sloot. Hoewel ik de tuin als een lopend buffet beschouw, wil ik wachten tot ze rijp zijn en makkelijk loslaten. Zonder voelen en proeven is een tuin een ansichtkaart, een plaatje van groen en wat kleuren.

2019-09-19 12.43.53

Binnen tref ik nog een regenboog die mij afleidt van mijn doelen. Het oeuvre van Jan Wolkers schittert me tegemoet in jaren tachtig neontinten. Een verlokking die begon met de boekenkast van mijn ouders. Natuurlijk begin je op je vijftiende met de titels die glimmen. Zijn wereld zoog me naar binnen. Wat ik vond was niet de opwinding, de seks, maar woekering. Zo moest het leven zijn, als een tuin in september: geurig, grillig, groots en romantisch, in verschuivende aardetinten. Een groter contrast tussen kaften en inhoud was niet denkbaar. Hij leerde me dat verval niet gevreesd moet worden, maar met nieuwsgierigheid tegemoet getreden. Elk kadaver een kans om een nieuwe verschijningsvorm van de dood tot op het bot uit te pluizen.

Florence vertelt bij het overhandigen van de sleutel dat er vorig weekend, tijdens Open Monumentendag, een vreemde vrouw naar het huisje kwam. Precies vóór de boekenkast voelde ze een ‘krachtplek’. Florence zegt dat ze normaal gesproken niets heeft met dat soort dingen, maar dit toch wel leuk vond. Het was volgens de vrouw ‘een zeer sterke, maar positieve energie’. Zijn boeken dan toch een soort horcruxes, met een stukje ziel van de schrijver erin? Zo bezien sterft een schrijver pas als zijn boeken niet meer herdrukt worden en zijn laatste aantekening uit de archieven wordt verwijderd.

2019-09-17 16.30.36

Het leuke van september in de Wolkerstuin zijn de stiekeme spinnetjes. Net nog kroop er eentje links van me over de vergeet-me-nietjes-vloer. Ze schieten overal tevoorschijn: voor het raam bij het bed, in de keuken, op de eettafel, op de grond. Ook nu ik even door het raam naar buiten kijk, zie ik een spinnetje tussen de teunisbloemen heen en weer kruipen. Het lijkt wel of hij door de lucht loopt. En vanochtend zag ik tijdens het douchen dat de hooiwagen in de badkamer jonkies heeft gekregen. Zolang ze hoog blijven zitten zullen ze niet in het afvoerputje verdwijnen.

In het tuindagboek lees ik dat Jan zich ergerde aan het gesnoei in september. “Er blijft wat saaie dooie grond achter. Terwijl als je alles laat staan zie je hoe magnifiek droevig een tuin langzaam instort en de grond gaat bedekken.” Het is precies wat ik zie als ik naar buiten kijk. De tuin heeft nog steeds de vrije hand. Veel planten beginnen naar de grond te lonken. Het groot waterhoefblad heeft bruine plekken, hier en daar schemert het geraamte van de bladeren door. Jan zou er vast een metafoor voor weten, dat het op oud kant lijkt, door de motten aangevreten.

De herfst is het ideale seizoen om hier te verblijven. We voelen ons soms net Adam en Eva, omringd door vierhonderd verlaten tuinen. Een volkstuinencomplex is een overzichtelijke wereld van tuinen en huisjes, zonder industrie, winkels en openbare wegen. Als echte kluizenaars fietsen we snel en schichtig over de Rijnstraat naar de Albert Heijn, schieten dan weer ons paradijsje in. We zijn de hele zomer op het platteland van Midden-Zweden geweest en hebben al lang geen stad bezocht. De Rijnstraat is een surrealistische plek van opgedirkte burgers die naar ingewikkelde winkels gaan. Dankzij de regen hebben we geen aanloop en we laten voorlopig niemand langskomen, wat het kluizenaarseffect vergroot. In de schemering maken we vaak een rondje over het complex en zien dan nauwelijks lichten branden. Vleermuizen doen bibberend hun rondes en af en toe schiet er een egeltje weg in een heg. We plukken kruiden voor de thee en appeltjes voor de yoghurt, de bramen die ergens over een schutting hangen zijn keihard geworden.

2019-09-25 16.49.58 (2)

Alexis heeft de gewoonte van het droogdansen weer opgepakt. ‘s Ochtends doucht hij koud af en danst dan alle druppels van zich af op de tegels achter het huisje, op een afspeellijst van 50 Cent, Lill’ Kim en Die Antwoord. Volgens hem een manier om je eigen kachel te stoken. Ik zie hem dansen in een paarse wolk van herfstasters, playbackend op de muziek in zijn oren. De kans dat hij gezien wordt is niet groot en ach, wat zou het? Wie niet vrolijk wordt van een man die naakt door een tuin danst, leeft afgestompt. Gisteren moest hij wel even naar binnen, toen bleek dat de kinderen van de buren opeens in de tuin aan het spelen waren.

Het ruisen van knooppunt Amstel, het denderen van de trams achter de struiken, helikopters van het AMC en vliegtuigen die hoog achter de wolken vanuit Schiphol naar verre oorden trekken. Als dit het paradijs is, vrees ik dat wij eerder de laatste man en vrouw op aarde zijn, dan de eerste. Het is soms net of heel Amsterdam op de vlucht is geslagen, en alleen wij niet zijn ingelicht over een naderend einde. De beschaving als geluid in de verte, de tuinen als oude groene wereld waarin we ons terugtrekken. Het zou een goed begin zijn voor een thriller. Want natuurlijk loopt het woekeren van de tuinen uit de hand, kruipen de wortelvoetjes langzaam via de deuren en het dak ons huisje binnen.

Gelijk moet ik denken aan het bord met berichten van de tuinencommissie, dat vlakbij de parkeerplaats staat:

De Japanse duizendknoop ziet er op de foto aantrekkelijk uit: een mooie wilde plant met een wolk van witte of witroze bloempjes. Maar hoe mooi de plant er ook uitziet, we zullen er de komende jaren alles aan moeten doen de duizendknoop te bestrijden.”

Het woord ‘exoot’ wordt ingezet als argument dat de plant hier niet thuishoort. Beeldend worden de ontwrichtende gevolgen van deze invasie geschetst:

Het is bekend dat de plant onder funderingen van huizen kruipt. Schuurtjes en kweekkastjes worden letterlijk opgetild door de enorme wortelstronken van de duizendknoop.”

In het tuindagboek van Jan lees ik dat hij duizendknoop in de tuin zet en tevreden vaststelt dat de plant het goed doet. Hoe kan een plant die veertig jaar geleden als normale tuinplant werd beschouwd, opeens een ‘invasieve exoot’ zijn die een tuinencomplex ontwricht? Soms schrijven thrillers zichzelf.

Ik was nog zo van plan om alleen het tuindagboek te gaan lezen en me verder op het schrijven te concentreren. Maar na het tuindagboek, lees ik de biografie. En daarna herlees ik Brandende Liefde, omdat ik daar goede herinneringen aan heb. Vooral aan hoofdstuk 13. Er gebeurt helemaal niets. Er wordt een kast met vooroorlogse pruimen geopend, die vlokkig oplossen als de potten worden geschud. Er wordt verlangend naar vrouwenbenen gekeken, net zichtbaar vanuit dat vochtige souterrain waar de hoofdpersoon op kamers woont bij zijn lerares Frans, met die witte kan en die opgezette roerdomp. Het speelt zich af over vier verdiepingen in één statig huis aan de Sarphatistraat. Met op zolder een stervende grijsaard en één verdieping boven de zure lerares een wulpse getrouwde vrouw, die uiteraard in de armen van de student loopt. Een roman als een vanitasschilderij in vier panelen. Nooit heb ik begrepen dat dit niet tot zijn beste werk wordt gerekend.

2019-09-17 12.38.45 (2)

Met moeite ruk ik me weer los uit zijn wereld. Mijn laptop toont een leeg wit vel, de cursor knippert. Het regent zonder remmingen. Aan alle kanten kruipt de woekerende tuin het huisje binnen. Via de ramen, de spiegels. Buiten is binnen en binnen is buiten. Ik kijk naar de tuin als naar een schilderij waarin ik zelf zit opgesloten. Als het weer droog is, sluip ik naar buiten om eindelijk een peertje te plukken. Tot ik zie dat ze allemaal in de struiken zijn verdwenen. Ik pak ze op, maar niet één vertoont er geen rotte plekken.