Moestuin jaaroverzicht 2021

Het is nu precies een jaar sinds we een paradijsje aan de Vecht in beheer kregen, onder de rook van Slot Zuylen. Ik heb het afgelopen jaar veel foto’s gemaakt, genoeg voor een jaaroverzicht per maand. Zo weinig mogelijk close ups van oogst of van avonden met vuur en vrienden (want de tuin werd mijn favoriete afspreekplek), zoveel mogelijk overzichtsfoto’s. Zodat je het ziet: een zwarte lap die in april en mei maar niet echt wat wil worden. Kleine groene plantjes met veel zand ertussen. Wat in de lucht schiet is vooral heermoes en paardenbloem. Maar dan, ergens in juni, gebeurt het. Het wachten eindigt en het kijken begint. Eerst de lilakleurige phacelia, die de tuin in een zoemende zee verandert. Vanaf juli ook andere bloemen en vanaf augustus is de tuin een oerwoud van groenten en bloemen, waartussen je zelf steeds kleiner wordt. En dan het langzame verval, heel langzaam, tot diep in december. In november bloeien zonnehoed en goudsbloem door, als kleine herfstlichtjes onder een grijze hemel en wintergewassen als knoflook en rammenas komen goed op gang.

Afgelopen nacht was het wormmaan, zoals de volle maan in maart ook wel wordt genoemd, naar de tijd dat de zon de regenwormen naar boven lokt. Ze waren er volop vandaag, de pieren, en ik moest moeite doen ze bij het spitten niet in tweeën te hakken. Uien, bieten, bloemen en dille heb ik gezaaid. Op een zwarte lap waarop het de komende maanden weer een race wordt tussen de ontkiemde groenteplantjes en minder gewenste planten. Ik zal proberen de strijd in het voordeel van de groenteplantjes te beslechten, maar heel veel wieden ga ik niet. Als ik het eerste jaar íets geleerd heb, is het: veel zaaien en veel geduld hebben, voor de rest een beetje aanmoedigen. Niet meer dan 20% ‘terugduwen’. En typisch Nederlandse gewoontes proberen af te leren, zoals constant snoeien, opruimen en rare dingen met de grond doen. Die rivierklei is vruchtbaar zat van zichzelf. Maar toch was het vandaag even slikken toen ik in de tuin kwam. Ik begin écht weer van voor af aan. Elke meter met een klein schepje loswoelen. Er zijn vast efficiëntere methodes, maar het voordeel is dat je zo alle regenwormen persoonlijk kan begroeten. Je moet er toch opnieuw weer een beetje een relatie mee opbouwen, met die grond. Dit jaaroverzicht geeft me vertrouwen: de tijd van overvloed komt terug. Heus.

Maart

De grond was keurig voor ons gefreesd toen we de tuin kregen, maar omdat het zaaigoed in de vensterbank zo langzaam ging, hebben we te lang gewacht en was het eind april weer dicht gegroeid.

Begin mei

Hulp van twee lieve moestuinpro’s (Dirk en Heike): rekken voor de bonen en pootaardappels in de grond. Ook hebben we de tuin (met loeizware tuintegels die mijn zus nog over had) verdeeld in twee delen: Alexis links van de tegels, ik rechts. Kunnen we zonder overleg onze eigen landbouwfilosofietjes praktiseren. Werkt uitstekend.

Eind mei

Het begint langzaam wat te worden, maar nog lang niet overal. Op de voorgrond meiraap, op de achtergrond de appelboom in de bloesem. De thuis gekweekte kolenplantjes gaan in de tunnel, maar een deel plant ik erbuiten om het verschil te onderzoeken.

Juni

De oost-indische kers en de phacelia beginnen te bloeien. De bonenplanten klimmen.

Nog een tweede foto van juni: mediteren in een wolk van phacelia tussen de zoemende bijtjes.

Juli

De phacelia is grotendeels uitgebloeid, maar andere bloemen schieten de lucht in.

De kolenplanten beginnen de tunnel goed op te vullen. Die erbuiten gaan langzamer. Waarschijnlijk houdt het worteldoek meer warmte vast. Het groene net heeft niet zoveel invloed. Beestjes nemen af en toe een hapje buitenblad en dat vind ik prima.

Hangmat tussen appelboom en walnotenboom gespannen. Precies tien minuten in gelegen.

Eind augustus

Augustus was toch wel de mooist maand. Er viel veel te oogsten, van bonen tot aardappels en van komkommers tot koolrabi. En de roze cosmea groeide tot de hemel. Memorabel was het guerilla kampeerfeestje in de boomgaard. In slaap vallen in een hangmat (de rest in tenten op het gras) terwijl de bosuilen roepen en je nagloeit van vuur en whisky.

Oké sorry toch een oogstfoto dan: spitskool! Een mooi moment om dank uit te spreken, want zonder ‘a little help from my friends’ had het moestuinjaar er anders uitgezien. Bij overplanten van vensterbank naar volle grond ging er in die koude april- en meimaand veel verloren. Regelmatig kwamen vrienden en kennissen met leuke stekjes aanzetten, zoals courgette en komkommer. Spitskool en rodekool kreeg ik van een b&b-eigenaar.

Eind september

In september is de tuin nog steeds mooi, maar lonkt een en ander al naar de grond. Neefje en nichtje helpen met het uitgraven van de wortels die zich hebben vastgezogen in de klei. Kleigrond en wortels blijken geen goede combinatie.

We ontdekken zo’n 40 kilo druiven langs de schutting, aan het zicht onttrokken door blad. Sap en jam gemaakt. Wat een gedoe, wat een bende. Alles door een vergiet gedrukt. De jam was wel de moeite waard.

November

We kijken naar het roestkleurige verval onder dat vreemde novemberlicht. De knoflook en de winterrammenas groeien goed (zwarte radijs). We eten er nu nog van.

December

Bijna alles is nu dood, maar we ruimen zo min mogelijk op om de grond een beetje bedekt te houden.

Januari

We doen gewoon alsof het zomer is en vieren het nieuwe jaar met bladerdeeg op een stokkie, yuleblokken verbranden (en in Gina’s geval ook kerstkaarten) en een duik in de Vecht.

Maart 2022

Ennn alles begint weer opnieuw! Hier en daar fleuren narcissen de boel wat op. Het was vandaag zo warm dat ik in een t-shirtje zat te werken. Vorig jaar was de lente koud, dit jaar begint hij al warm. 2022 zou weleens een heel ander moestuinjaar kunnen worden. Ik ben benieuwd. In de vensterbank staan cosmea en koolrabi al te trappelen. Dit jaar ga ik ook wat meerjarige planten proberen, zoals kardoen (een hoge distelachtige plant die lijkt op artisjok). En ik ben bezig met de aanleg van een kruidentuin.

Tuindagboek (III)

Hoewel het al november is, moet ik toch nog even schrijven over de druiven in september. We waren de druif totaal vergeten. Toen ik half september in de moestuin was – een schitterende dag met 21 graden en zon, zag ik een gelig, drilpudding-achtig dingetje naast de waterpomp liggen. Wat op een slakje leek, bleek de binnenkant van een druif. Ik spiekte achter de groene wand van blad die toen de volledige schutting achterin de moestuin bedekte. Overal bleken doffe, diepblauwe trossen te hangen, door het blad totaal aan het zicht onttrokken. Hoe vaak was ik hier de afgelopen maanden wel niet langs gelopen zonder druiven te zien?

Alexis kwam een paar dagen later terug met een wasmand en oogstte zo’n dertig a veertig kilo, terwijl ik in de keuken klaar stond met gigantische kookpannen, flessen en potten. Wijn leek ons wat ingewikkeld, dus werd het sap en jam. Ik schrijf dit beslist niet als tutorial, want het was nogal een worsteling. Sterker; alle tips voor volgend jaar zijn welkom. Overal las ik over het uitlekken van druiven door een zeef nadat de boel gekookt is, maar zelfs met hard duwen kwam er vrij weinig sap doorheen. In totaal konden we vier literflessen vullen, terwijl ik er op basis van mijn optimistische berekening twintig had gekocht. (Die komen nu van pas voor de kombucha van Alexis). Het werd wel zeer eh, intens sap. Kilo’s en kilo’s aan druiven samen in één fles, zonder toevoegingen. Ik vond het lekker, zowel puur als verdund. Elke slok voelde als een vitamineboost (en het wonderstofje resveratrol schijnt in de schil van blauwe druiven te zitten). Maar na ongeveer een maand begon er een beetje prik in het sap te komen. Ook in de ongeopende flessen. Geen idee hoe je die gisting op fles voorkomt.

De weg naar jam bleek nog hobbeliger. Het liefst had ik de boel langzaam laten inkoken en klaar, maar hoe kom je dan van die pitten af? Het ontpitten van zoveel kleine druifjes leek me langdurig en stuntelig werk. Uiteindelijk maakte ik jam van de druiven die in de eerste fase richting sap zaten en die dus alleen nog door een grove zeef waren geperst. Met een lepel probeerde ik zoveel mogelijk pitten er alsnog uit te vissen. Even had ik nog de ijdele hoop dat die vanzelf kwamen bovendrijven tijdens het kookproces, maar dat bleek tijdens het maken van het sap al niet het geval. Ik begrijp eigenlijk nog steeds niet hoe je druivenjam zonder pitten kunt maken, op een efficiënte manier. De volgende dag bleek de jam bovendien nog vloeibaar. Ik kon geen agar agar in de supermarkt vinden, wat volgens blogs met verstand van dit soort dingen een plantaardig verdikkingsmiddel is, en heb de jam toen verdikt met schandalig veel gelatine-bladen, gemaakt van uh…varkenscollageen. Geen goede zet voor een vegetariër.

Toch ben ik blij dat ik heb doorgezet, want het werd de lekkerste jam tot nu toe. Eerder maakte ik bramenjam (lekker door een Italiaanse jamtaart) en pruimenjam van eigen pruimen (die vrij generiek ‘gewoon zoet’ smaakte, ondanks het uitgekiende recept), maar deze druivenjam is mijn favoriet. Het is vooral met dank aan de druiven zelf, die vrij aromatisch smaken. Ook daar begrijp ik niets van, want geen straaltje zon heeft erop kunnen vallen. Ons oog gelukkig wel. Nog net op tijd. Misschien volgend jaar toch eens wijn zonder pitten proberen.

Tuindagboek (II)

21 juli 2021

Ik zit op het bankje in de boomgaard en neem de schade van een week op. Duifkruid heeft haar kleur verloren. Een volledige peulenplant hangt geel in het rek. Het gras heeft kale plekken. Precies op de plek waar ik mijn hangmat wil ophangen, zweven mugjes met lange poten. Het zijn geen hooiwagens en ook geen gewone steekmuggen. Ik weet niet wat het zijn. Als ik in de wolk ga staan, verplaatst de wolk zich. Ik had zoveel zin om naar de tuin te gaan, maar nu voel ik mij op de een of andere manier niet welkom.

Alsof ik de tuin betrap op haar werkelijke leven zodra ik het tuinpad oploop. Haar leven buiten mij. Het sluit niet aan bij het Disneyplaatje dat ik er soms in mijn hoofd van maak. Alleen de mooie dingen blijven dan hangen. Bloeiende bloemen hier, glimmende rijpe groentes daar. Maar afhankelijk van dag, uur, wind, licht en geluiden is de tuin. Zelfstandig en onder invloed en altijd veranderend is de tuin. Misschien wied ik daarom wel onkruid. Gewoon, om mee te blijven doen, te laten zien dat ik er ben. Want echt storend vind ik het niet. Het bloeit vaak mooi en er zijn hier geen tuinschouwingen. Als ik iets wil zaaien, kan ik altijd nog ruimte maken.

Want dat is wat ik kan doen: dingen weghalen. Omdat ik een hand-georiënteerd zoogdier ben dat een schepje vast kan houden, kan ik wroeten, trekken, maaien. Water geven in droge periodes kan ik ook. Maar elk uur, elke dag, elke week dat ik weg ben, kruipt er leven uit alle hoeken. Ik kan dat leven een beetje regisseren, specifieke plantjes aanmoedigen: “Hier heb je een handje compost, groei maar! En daarna pakken we je vruchten af, gooien we je op de composthoop – of pakken eerst nog snel je zaden mee en gooien je dan op de composthoop.”

Dat groenten vaak in de knop gebroken bloemen en struiken zijn, ontdekte ik voor het eerst toen Alexis een krop sla niet oogste. Een prachtige plant van een halve meter hoog is het geworden. Stengels met kraalvormige opbouw en gele bloemetjes, wiegend in de wind. Een woeste eilandstruik. Sla.

Sowieso is moestuinieren een slachtpartij. Veel van de zaailingen die in april trappelend in mijn vensterbank stonden, hebben de selectie voor de volle grond niet gehaald. Of stierven van schrik tijdens de transitie. Daarom zaai ik het liefst rechtstreeks, maar ook dan moet ik soms uitdunnen. Bij de verste braamstruik aan het hek, ligt mijn kerkhof van in de knop gebroken babygroente. Het is een wrede hobby, maar dat zie je niet terug op de websites vol lachende jongens en meisjes met hun stappenplannen.

Bij gebrek aan een foto van doorgeschoten sla, een foto van de gele bloemetjes van doorgeschoten broccoli (31 augustus). Bijen zijn er gek op.

Tuindagboek (I)

Ons Oud-Zuylense paradijsje op 5 september

Opeens was er een tuindagboek. Ik probeerde het nog te voorkomen, de moestuin gewoon als hobby te zien. Beetje aanklooien, proberen, niet documenteren. Maar het heeft zichzelf groot gemaakt. Want ik kan niet meer zonder dat landje en dat landje… dat kan voor het grootste deel van het jaar prima zonder mij. En gedurende twee seizoenen moet ik wat zaaien, aanmoedigen en terugduwen. Maximaal 20% mensenhand in de wildernis. Dat is de verhouding die spontaan ontstond en die me wel bevalt. Ik wil faciliteren, niet regeren. (Toegegeven: als een manager dit roept ben ik gelijk op mijn hoede). Het kan hier ook. Het geluk wil dat ons een moestuin is toegewezen (voor een jaar, hopelijk langer) op het enige anarchistische volkstuinencomplex rond Utrecht. Braam, brandnetel, heermoes en haagwinde tiert welig, hoge coniferen en populieren onttrekken rommelparadijzen aan het zicht en bijna niemand tuiniert er ‘regulier’, dat wil zeggen: met meters zwarte grond en af en toe wat kroppen in rechte rijen. De 20% regel lijkt hier normaal en dat is uniek.

Oké, zoveel werk hoeft het dus niet te zijn, een moestuin. En toch ben ik er, nu het nazomer is, twee keer per week te vinden. Op mijn knieën in de rivierklei, uithijgend met een nul procentbiertje op een stoeltje in de schaduw van de hoogstam appelbomen. Terwijl ooievaars overvliegen en avondmist vanuit de velden langzaam de tuinen in sijpelt. Aan de overkant van het weiland wordt de verlichte poort van Slot Zuylen dan goed zichtbaar. Zwetend onder de zon als een horige boer, heimelijk vuurtjes stokend in een donkere uithoek. Wat is de aantrekkingskracht? Waarom ga ik tintelend van plantkracht weer naar huis? Het geheime leven van planten, misschien. Het zal me niets verbazen wanneer blijkt dat het schimmelnetwerk onder dit complex reusachtig is en honderden jaren oud. De twee historische begraafplaatsen hier vlakbij zullen het ongetwijfeld hebben gevoed. Niet alleen is dit complex anarchistisch; het ligt ook aan een natuurrijke vechtoever, tussen dorp Oud-Zuilen (oud) en dorp Op Buuren (nieuw). Voldoende vogels eten de slakken op, want niet weggejaagd door katten. En het complex wordt niet – zoals meestal – gesmoord in gesuis van ringwegen en treinsporen. Jan Wolkers maakte daar op Amstelglorie een ruisende zee van, maar het is ontzettend fijn om op een zomeravond vooral krekels te horen. En ’s nachts – toen ik er in een hangmat sliep – de bosuilen.

Wat ga ik doen? Op onregelmatige basis stukjes tikken over zaken rond de tuin. Over de planten, de dieren, de mensen. Over wat ik leer. Waar ik me aan stoor. Wat ik bewonder. Ook zal ik af en toe stukjes delen van eerder deze zomer. Want de papieren tuin is net zo onverwacht gaan bloeien als de levende tuin. Vóór april aanbrak en we deze plek in beheer kregen, had ik nog nooit een zaadje laten ontkiemen. Toen de eerste zaailing van koolrabi haar allereerste babyblaadje door het zand duwde in mijn vensterbank, sprong ik een gat in de lucht. Dat mijn bijnaam jarenlang Kamerplant was, had niets te maken met groene vingers. Ik had dan ook niet durven hopen dat de tuin in een paar maanden tijd al zo’n groenten- en bloemenparadijs zou worden. Ik werd ontmoedigd door verschijnsels als moestuinvloggers en de Makkelijke Moestuin-app, die een delicate relatie met een stuk grond en alles wat erin leeft willen reduceren tot werktuiglijke stappen om te volgen. Daarover later meer. Hoe dan ook: sinds er dingen in mijn moestuin groeien is er in mij ook iets gaan groeien en ik ben benieuwd wat het wordt. Daarvan zal ik hier af en toe verslag doen. De titel van deze blog dekt hiervoor wonderwel de lading.