Watou

Ik ga op pad om Watou te verkennen. Gele bomen wakkeren als kaarsen in de late middagzon. In iemands tuin eten grote zwarte eenden het onkruid weg. Het is een tuin die in de middeleeuwen ligt, met overal etensresten, gescharrel. Ongeduldig zoek ik naar het varken, maar vind er geen. Dit West-Vlaamse dorp met 1.900 inwoners op de grens met Frankrijk heeft zes restaurants, maar niet één blijkt er doordeweeks geopend. Alleen in het weekend en vooral in het zomerseizoen kun je hier de toerist uithangen. Verlangend kijk ik naar de borden ‘Hommelbier’, die prijken op elk gesloten restaurant.

Misschien is het beter zo. We zijn hier om een paar dagen te schrijven in het Huis van de Dichter. Een groot vrijstaand huis aan de rand van het dorp, dat ooit als onderpastorie dienst deed. Daarna werd het de woning van dichter Gwij Mandelinck, die hier tot 2008 de illustere poëziezomers organiseerde. Alexis en ik waren bij de laatste editie en ik heb goede herinneringen aan de nachtelijke zit onder leiding van Gerrit Komrij in de brouwerij van St. Bernardus. Tegenwoordig is de woning een vakantieverblijf en doordeweeks een schrijfresidentie. Het ligt op nog geen tien stappen van het centrale plein, toch hoor je hier ‘s nachts alleen bosuilen.

De entree naar het Huis van de Dichter in Watou.

Ik verken de zijstraten rond het plein. Eén ervan brengt me langs een opvallende gele deur, waarachter je vanaf eind november volgens het opschrift zelfgemaakte zaken kunt kopen, zoals kerstkaarten. De schoonheid van handenarbeid, seizoenswerk. Het dorp op je stoep omdat je iets moois hebt gemaakt. Verderop staat achter een raam een klein heiligenbeeld met wit gewaad. Boek in de hand, hand bij het hart. In het raam weerspiegelt een geparkeerde witte auto, waardoor het lijkt of de heilige zijn wijsheden deelt met zijn kleurgenoot.

De verhalen van dit dorp geven zich niet gemakkelijk prijs. Overal hoop ik kleine hints te vinden. Beelden en affiches achter de ramen, een buurthuis vol opgestapeld speelgoed en de opsomming van vele soorten vlees in verband met een winterbarbecue. Slagers heten hier beenhouwers en ik heb diepe bewondering voor de vegetariërs in de streek. De vegaschijf lijkt nog niet ontdekt.

De plek net buiten het dorp waar je absoluut geen kippen mag voeren. (Foto genomen op een minder zonnige dag).

Richting Frankrijk loop ik nu, over een asfaltweg die weg van het dorp leidt. De kippen niet meer voeren / Plus nourrir les poules!!! staat er op een houten bord bij een hek waaraan geheimzinnige touwtjes bungelen. Het leed dat hierachter moet schuilen. Een man staat op een ladder en verft zijn keurige witte dakrand nog witter. Het huis ernaast is totaal afgebladderd. De diversiteit van Belgische huizen is fijn. Het eindresultaat is niet altijd even prettig voor het oog, maar de huizen weerspiegelen tenminste de persoonlijkheden van de bewoners. Of in ieder geval de manier waarop ze dingen aanpakken of juist niet aanpakken. In Nederland lees je alleen de smaak van projectontwikkelaars af en zie je elk huis honderden keren opnieuw.

Vanuit een ooghoek zie ik iets vliegen, het lijkt op een parkiet. Dat moet wel een nazaat van een ontsnapte zijn, of misschien wel het voormalige huisdier zelf. Frankrijk ligt onaantrekkelijk in de verte. Een boze bunker in het veld, mestgeur, meeuwen die opvliegen achter een trekker en nog geen dorpskern in zicht. Ik draai weer om en kom langs het schattige grenscafé dat ik op de heenweg ook al passeerde. Ooit moet hier een grens met een café zijn geweest, nu is het café de enige markering die er nog is.

Het grenscafé. Ongeveer voorbij het bruggetje ligt Frankrijk.

Eigenlijk was ik van plan om een heel stuk Frankrijk in te lopen, maar ik vind de vensterbanken in Watou interessanter dan de verdwaalde boerderijen in de verte. Ik loop terug en spiek over de heg van de begraafplaats. 23 jaar, 1921, misschien Spaanse Griep? Vallen ons op eenzelfde manier de coronadoden op als we over honderd jaar een begraafplaats bekijken? Van links komt een klas Vlaamse kindjes me tegemoet, twee aan twee, druk babbelend. Ik wandel de andere kant op, langs de pastorie, de twaalfde-eeuwse kerk en uiteindelijk bereik ik weer de onderpastorie, waar we verblijven.

De oranje zon piept nog precies boven het veld uit in de verte, waar Frankrijk ligt. Het gele blad van de bomen naast het huis lijkt nog feller dan toen ik vertrok. Ik denk na over wat ik heb gezien. Hoe je in het buitenland vooral let op alles wat anders is. Verschil van bouwstijl, verschil van tuinen. Misschien dat die focus mij belet dit dorp werkelijk te lezen. Of misschien heeft een dorp niet één gezicht. Kunnen we niet meer doen dan fragmenten verzamelen en die op een rij zetten. Dat lezen als verhaal.

De ondergaande zon en het Huis van de Dichter rechts.

Stuifheuvel

Nu ik aan het bos woon, duik ik er toch vaker in. Vijf stappen en ik ben op weg door het Zeisterbos. Ook op weg is de herfst. Het begint al wat scherper naar schimmel te ruiken, naar verdroogde bessen en naar eeuwigheid. Hier en daar begint blad geel te kleuren. Juist nu de zomer volop weglekt uit tuinen, velden en bossen, valt de helderheid op. Sterrenmos is even groen als de afgelopen maanden en de kleur bruin zit alleen in de stammen. Maar de zon voelt anders, niet meer als een nabije ster die hier iets uit kan richten.

Via heuveltjes met kruisende paden loop ik richting Stuifheuvel; waar het oude loofbos overgaat in het begin van de Heuvelrug. Het is de wissel waarlangs ik altijd loop om bij de heide te komen. Even ben ik omsingeld door honden. Ze springen tegen elkaar op, bijten in elkaars oren. In mijn hoofd speelt zich een sketch af waarin mensen zich als honden gedragen, op elke soortgenoot afrennen, gewoon op twee benen, ertegenop springen, snuffelen, bijten. Hun baasjes, de honden, lopen met een milde glimlach verder.

Lang loop ik langs een hek, over een recht pad, terwijl rechts van mij een veel aanlokkelijker slingerpad loopt. Die mountainbikers krijgen altijd de mooiste paden, maar ze hebben het niet eens door. Het hek snijdt dwars door het bos, maar het is niet duidelijk waarvoor het dient. Een hek maakt wat erachter zit meteen interessant, omdat je er niet kunt komen. Ik speur naar een eenzaam kauwende geit aan een touw. In mijn relatie met hekken is Jurassic Park nooit ver weg. Het enige onheil in de verte is een schuurmachine in Kerkebosch. Nog nooit ben ik om de wijk Kerkebosch heen gelopen zonder een schuurmachine te horen. Het schijnt typisch Nederlands te zijn. Geluid dat opstijgt uit wijken is hier altijd schuurmachine. Klaagzang van de klusser.

Ik nader een jong bos met smalle paadjes, waar ik een beetje probeer te verdwalen. Bij elke nieuwe groene tunnel, wordt mijn hoofd stiller. De laatste dagen leek het wel een op hol geslagen paard, nu raken mijn gedachten uitgeraasd, gaat het paard grazen. Lopen brengt alles in beweging en daardoor tot stilstand. Of eigenlijk: in een rustiger ritme.

De voorheide doemt op in de verte, althans dat noem ik zo. Heide die nog geen heide is maar wel een semi-zandvlakte met hier en daar uitgebloeide heideplantjes en heuvels. Het luchtalarm gaat af. Steeds als het gebeurt vraag ik me af of er dieren en mensen zijn die in paniek schieten, omdat ze het niet kunnen begrijpen. Misschien brengen ze dat geluid dan ook niet in verband met gevaar. Ik vind het best bijzonder, dat de overheid zelfs hier, op de voorheide, mij met harde geluiden om de oren kan slaan. Waar staan die palen dan? Voorheide, overheid, slechts één o en het zijn precies dezelfde letters. Misschien houdt de overheid zich hier wel schuil, op deze zandvlakte bij Zeist. In Den Haag is het orgaan lange tijd niet gezien. Na het alarm sta ik even stil en kijk om me heen voor ik omdraai. De heide ga ik vandaag niet bereiken, want ik ben al lang aan de loop en wil terug via het centrum. Een cappuccino en wat vitamine D opslurpen, met mijn kop in de zon.

Drie kwartier lopen en ik zit op een terras omringd door jaren zestig architectuur. Een smal plein met winkels en woningen erboven. Het doet me denken aan Almelo en aan Almere, maar dankzij het weer, de rustige sfeer en de fontein, is het uitzicht niet louter treurig. Ik verdwaal in een verhaal in een literair tijdschrift dat toevallig in mijn tas zit, doe een sjaal om en sjok een uur later weer naar huis. Niets galoppeert er meer.

Oud-Zuilen

In mijn hoofd is het een volwaardig loofbos, met hoge eiken en een oude galm, maar in de winter schrik ik steeds opnieuw van het postzegelformaat. Een bij elkaar gedreven groepje bomen dat de overgang naar het landgoed inluidt. Van een afstand is het net een ribbenkast. Erdoorheen zie je de weilanden waarlangs je even later weer zult lopen.

Ook het landgoed erachter is postzegelachtig. Wat wandelpaden, weilanden afgewisseld met strookjes boom en hobbyboerderijtjes rond een popperig kasteel. Het is een postzegel die al eeuwen bestaat en een van de weinige stukken natuur die ik met een paar minuten fietsen kan bereiken. Ik klamp me eraan vast.

Sinds deze week is het weer wat drukker. Wandelende thuiskantoren passeren, bespreken luidkeels strategieën met andere thuiskantoren. Het probleem met corona is dat het zich nestelt: in cellen natuurlijk, maar ook in hoofden van ouders, en in mijn pen. Terwijl ik er niets bijzonders over te melden heb. Ik zit nog niet in een medische molen, behoor tot het onbezonnen deel van de bevolking dat ook veel vrijheid te verliezen heeft. De eigen sterfelijkheid ervaart als licht gerommel in de verte. Zonde om daarmee het hoofd dag in dag uit te vullen.

Opeens vraag ik me af hoe het met de onderwereld gaat. Is die ook in lockdown of zijn daar nog goede feesten? Waar kun je nog strooien met biljetten als je net een bank hebt beroofd? En zijn er wel banken open om te beroven?

Ik laat het plechtige postzegelbosje achter me. Boven het weiland naast me duikt een buizerd naar omlaag. In het gras bolt hij zijn vleugels wat naar achteren, waardoor hij wat weg heeft van een kerstengel. Zijn snavel en klauwen blijken leeg.

Een paar weken terug liep ik hier met een vriendin. Een groepje blauwe reigers stond zo mooi in een cirkel in het weiland, dat ze over een laag stuk prikkeldraad stapte en erop af liep. Gewoon, om te kijken wat er zou gebeuren. Ik volgde. Al voor we in de buurt kwamen werd het geheime verbond verbroken. Haar schijnbeweging leverde ons wel iets anders op. Bij onze voeten, tussen het felgroene gras, groeiden grijze madeliefjes. Even dacht ik dat dit heel oude, verdorde madeliefjes waren, maar mijn app leerde ons over het klein mestplooirokje, een piepklein paddenstoeltje dat op mest van herbivoren groeit.

Toen we het weiland beter inspecteerden, zagen we ook overal gaten in de grond. Ik boog me voor de grap naar een gat en tot mijn verbazing werd er terug gekeken door twee zwarte kraaloogjes. Veldmuizen! Ook in andere gaten zaten ze. Ze bleven gewoon zitten terwijl we onze hoofden als zonsverduisteringen langs de gaten bewogen. Sindsdien kan ik niet meer langs dat veld lopen zonder aan de wereld van klein zoogdier eronder te denken. Muisjes die wachten tot de seizoenen verschuiven. Hopen dat geen engel ze de lucht in komt tillen.

Het centrum van dit dorpje bestaat uit een kruispunt met een gesloten hotel, een gesloten restaurant en een gesloten kerk. Naast de deur van de kerk hangt een plakkaat: ‘voormalig hervormde kerk’. Ik vraag me af welke stroming er nu dan in het kerkje huist. Erachter ga ik zitten op een stenen plateau, met uitzicht op de slangenmuur rond het kasteel. Boven me steken takken fel af tegen een blauwe lucht. De winter trekt veel lijnen, maar vult weinig op.

Over de keien langs het kasteel passeert een roze koetsje met een groot zwart paard ervoor. De koets is niet veel meer dan een plastic zeil, gespannen over een rijtuig. Meestal vind ik dit suf, net als de roze limousines die je hier soms de parkeerplaats op ziet rijden. De materialisatie van iemands bijzonderheid. Even met wat erfgoed op de foto en weer terug in je hok. Maar nu is het anders. Nu kijk ik jaloers naar het glunderende gezin dat in het koetsje passeert. Een uitstapje!

Ik sta op en slinger een stukje langs de Vecht voor ik weer langs de velden loop. Aan de overkant van de Vecht, achter de boomgaarden, zie ik het licht van weer een winterdag uitdoven in een ietwat waterige, oranje vlek. Dan word ik weer opgenomen in het postzegelbos.

Hoog tegen de stammen heeft iemand zwarte kasten gespijkerd, met het silhouet van een vleermuis erop. Opeens hoop ik vurig dat ik ooit nog aan vleermuizen kan denken zonder ook aan corona te denken. Niet omdat ik bang voor ze ben, maar omdat hun wereld me interessant lijkt en veel meer omvat dan de virussen die ze dragen. Het ontroert me ergens ook wel, die kasten, hoog boven de hoofden van de coronawandelaars.

Net voor het echt donker wordt glip ik het bos weer uit. In de verte zie ik de flats van Overvecht al gloren. Het ziet er een beetje lachwekkend uit, zulke vierkante, massieve gebouwen, met eindeloos veel raampjes. Ieder zijn eigen lockdownhok. Het laatste stuk naar mijn fiets loop ik wat steviger door, er begint een ritme in te komen. Links van me hoor ik een sliert popmuziek opstijgen vanaf de ijsbaan. Voor me het ruisen van auto’s over de ringweg, als aanspoelende golven. Mijn ontsnapping is voorbij. Ik trap me de wijk in en verdwijn weer in mijn holletje.

Toendra

Mijn fiets zet ik tegen het hek bij de Kerkdijk en al snel sta ik midden in de Westbroekse Zodden. Hier kun je 360 graden in de rondte draaien en alleen twee verre torenspitsen als teken van beschaving zien. Verliefd op alle tinten bruin en geel waarin het riet vervalt, loop ik langs de petgaten. Hier werden in de middeleeuwen dikke pakketten veen afgegraven en nu houden natuurbeheerders de boel opnieuw open. Eindeloze stroken land likken als uitgerolde tongen aan de horizon, worden opgesneden door de watergaten. Waar planten elkaar opnieuw wisten te vinden ontstond er een tussenvorm; het trilveen. Ik zet er één voet op, om te ontdekken of het mij kan dragen. Mijn schoen staat voor de helft onder water. Nog een paar stappen en ik verdwijn uit deze tijd. Goed geconserveerd kom ik als veenlijk de musea van de toekomst ingevlogen.

Het gesluierde zonnetje, de hoge temperatuur en de ijstijdachtige vlakte. En dan die rafelige bruine waterranden met vervallend riet. Het geeft me een vreemd gevoel; apocalyptisch en knus tegelijk. Ook mensenlevens verglijden soms het hardst achter kant omrande ramen boven een kruiswoordpuzzel. Wat je ziet zijn de stoffen, de franjes, de aardetinten. De thermostaat geeft 22 graden aan, de leegte begint vanbinnen. De herfst als lappenpop, meegevoerd op verwarrend warme winden. Als alle lappen op de grond liggen, is er geen pop meer over.

2019-10-14 16.03.10 (2)

Westbroekse Zodden, c Anne Broeksma

Dat ik loop is ook een noodzaak. Twee dagen terug leerde ik houthakken, met een bijl van een meter lang. Het was verslavend om een stuk boom in haardklare blokken uiteen te zien vallen. Bijl recht boven je hoofd tillen en op het hout laten vallen. Gewicht en snelheid zijn werk laten doen. Niet elke zwiep was raak, maar het ging best goed. Zo goed dat ik die avond niet meer op een stoel kon zitten. Lopen is de enige pijnloze modus die ik heb.

Het is hier zo weids, dat mijn oog pas kilometers verder op een donkere sliert bosrand botst. Naast de torenspitsen zijn de enige tekenen van beschaving hier de geluiden in de verte. Zonder onderbreking kunnen ze over de toendra van legakkers schallen. Gerommel van vliegtuigen, helikopters en vrachtwagens; geluiden uit een wereld waaraan ik ben ontsnapt. Wanneer er een helikopter dichterbij komt denk ik: nu komen ze me halen.

Aan het einde van het petgat draai ik me om en kijk uit over de eindeloze strook water. Op zoek naar een teken ben ik, om te bepalen of ik dit landschap moet koesteren of vrezen. Alles wat ik zie is wuivend riet en breed uitlopende ribbels op het water, veroorzaakt door de wind. Misschien komt het door de soundtrack van mijn wandeling. De voertuigen in de verte, het onrustige gegak van een onzichtbare groep ganzen; in combinatie met de warme wind suggereert het een opbouw naar iets wat, vermoed ik, niet zal arriveren.

Misschien is het beter dat ik geen tekenen vind. Een jaar geleden was ik met Alexis en I-ting, onze vriendin uit Taiwan die we in de schubdierenopvang hebben ontmoet, op de Hoge Veluwe. ‘The Dutch wilderness’. We hadden net de moeflons bekeken door onze verrekijkers, die speciaal uit Spanje hier naartoe waren gehaald om het landschap open te houden. Eigenlijk een groep saaie schapen, maar omdat er geen hek of sloot omheen lag, maakte het indruk. Het was een warme zondag in september en we gingen op onze jassen liggen, in een open eikenbosje naast de heide. We doezelden kort weg. Toen ik wakker werd, lag er op mijn buik een klein groen rupsje. Tot mijn verschrikking zag ik dat het twee koppen had, één aan elk uiteinde. Het ding probeerde in twee richtingen aan zichzelf te ontsnappen. Wriemelend bleef het op z’n plek. Vol afschuw slingerde ik het ver bij mij vandaan. De rest van de dag kon ik alleen maar aan dat duivelsgedrocht denken. Als het nog een vlinder moest worden, zou het opstijgen uit de doos van Pandora en hysterisch overal tegenaan fladderen. Hoe is het mogelijk dat op de mooiste plekken op de mooiste dagen nog zoveel klein leed te vinden is.

2019-10-14 16.20.24 (2)

Petgat bij de Westbroekse Zodden, c Anne Broeksma

Met een boog loop ik terug naar waar ik vandaan ben gekomen, via de andere kant van het petgat. Het grenst aan een weiland met een sloot ervoor, waarlangs lisdodden groeien. Vroeger noemde ik die ‘bullenpezen’, omdat ik die bijnaam had onthouden uit een kinderboek over een kikker. Niet zo lang geleden kwam ik erachter dat bullenpees eigenlijk ‘stierenlul’ betekent, en dat die als ‘bullenpezen’ in gedroogde vorm in de dierenwinkel liggen, voor honden om op te kauwen. Het opschrift ‘stierenpenissen’ verkoopt wellicht minder goed. Ik betast een bruine kolf, het voelt aan als het zachtste velours. Achter mij zie ik iemand naderen. Snel laat ik de kolf los en loop door. Hoewel de wandelaar nooit kan weten dat ik iets smerigs aan het doen was, schaam ik me toch.

Een vliegtuigspoor loopt dwars door de zon, waardoor die iets weg heeft van een vallende ster. Vanuit mijn linker ooghoek zie ik iets uit het water van een petgat steken. Wat is dat? Het lijkt wel een hand. Een bruine, gerimpelde hand. Komt hier een verongelukte veengraver uit de middeleeuwen bovendrijven? Misschien is dit dan de apocalyptische wending waarop ik zat te wachten. Als ik een paar stappen richting de zombiehand heb gezet en mijn ogen scherp stel, zie ik dat het een blad is. Een lelieblad, dat door rotting in een vreemde kromme vorm is getrokken.

Het laatste stuk loop ik door een moerasbos en meteen bevind ik me in een andere, meer lieflijke wereld. Het is net of kabouters vanuit de kruinen van de elzen en wilgen geelgroene lichtjes naar beneden hebben gestrooid. Het zijn klimplanten, die hun kans grijpen nu de bomen het eigen blad loslaten. Ze hullen alles in een fris geel licht, het lijkt wel lente. Laag boven de grond hangen rode en zwarte bramen, wat de verwarring over het seizoen compleet maakt. Tijdloos en betoverd loop ik verder. Alleen de verdorde bladeren op de bosvloer tonen de bestemming van dit lichtpaleis.

2019-10-14 15.54.42 (2)

Het moerasbos naast het veengebied, c Anne Broeksma.

Achter de varens naast het pad hoor ik iets hoppen, misschien wel een kikker, of een klein zoogdier. Ik kniel erbij neer, maar het geluid komt niet terug. Dan kijk ik achter me. Er nadert een grote zwarte kat over het pad, haar ogen van hetzelfde oplichtende geel als de klimplanten waarmee dit bos is versierd. De kat nadert met een monter drafje en omdat ik grijs en gehurkt in een bocht zit, ziet ze mij niet meteen. Bewonderend kijk ik naar dat soepele zwarte lijf en voel me een oude eik. Zodra de kat mij ziet draait ze zich om en verdwijnt met hetzelfde drafje uit het zicht. Dit is geen apocalyptische kat, maar een montere poes met plannen. Plannen waar ze mij niet bij wil betrekken.

Als ik het toverbos verlaat en mijn fiets weer bij het hek tref, trap ik mezelf langs lome boerderijen en ritselende knotwilgen weer terug richting stad. Hier geen vreemd geelpaars licht of bruine rafelranden, maar Hollandse blauwheid en koppig groen gras. Alsof er hier nog niets aan het vervallen is. De natuur niet van plan is haar binnenste te tonen. Elke diersoort heeft hier een eigen strook land. Een strook koe, een strook schaap, en ook de ganzen en zwanen zitten keurig in groepjes. Alleen de zilverreigers en blauwe reigers houden zich niet aan de spelregels, staan als ranke observators midden tussen de andere beesten. Eenzame jagers hebben veel loertijd nodig.

Langzaam bereik ik de geluiden die eerst alleen in de verte bestonden. Onzichtbaar ga ik op in het spitsverkeer op de noorderring, voeg ik in op de strook van mijn soort. Alsof ik nooit naar een toendra uit de middeleeuwen ben geweest. Alsof ik nooit het gele licht uit de elzen heb zien vallen.

Voor meer verhalen uit de serie ‘Ontdekkingsreis NL’, zie hier

Geplukt

Zwedendagboek – 12 september

Zit ik al maanden onder de rode kralen van de lijsterbes aan een kampvuurtje, kom ik er nu pas achter dat ze eetbaar zijn. Een beetje bitter, maar met wat vanille of appel schijn je er geweldige jam van te kunnen maken. Als de vorst eroverheen is geweest, neemt het bittere iets af. Maar als je te lang wacht, roven langstrekkende pestvogels de takken leeg. Een nachtje vriezer is een alternatief.

Had ik me maar eerder in de bessen verdiept, want morgen is de laatste dag van ons verblijf in Midden-Zweden. Natuurlijk plukten we zo nu en dan bosbessen. Dit jaar voor het eerst met echte ‘kammen’, die we gewoon in de supermarkt vonden. Winkels die hun klanten zelfvoorzienend maken; ik hou ervan. Met zo’n zeef roetsj je door de struiken en vallen alleen de bessen in de bak eronder. Bosbessen zijn niet moeilijk te vinden, het gerucht gaat dat 17% van Zweden ermee is bedekt. In Värmland moet dat hoger liggen, want er staat in vergelijking met het zuiden nog meer bos. En letterlijk de hele bosvloer bestaat hier uit bosbessenstruiken. We gooien ze door de havermout en een vriendin maakte een bossenbessentaart van amandelmeel.

Sinds een paar weken is ook de vossenbes rijp. Twee uur plukken, met vijf potten intense jam als resultaat. Hij is hier iets minder talrijk dan de bosbes, maar je komt hem nog steeds op elke wandeling tegen. Vaak groeien bosbes en vossenbes gewoon door elkaar. Allebei heideplantjes die van zure bodems houden. In Zweden heet hij ‘lingonbär’ en is het de meest gangbare bes in jams, sauzen en limonade. In het noorden van Europa iets gewoons, waar mensen hun vriezers in september mee volgooien. Voor mij een ontdekking. Als je het zoete van suiker tegenover het bittere van de bes plaatst, krijg je een rijke, licht dramatische smaak die aan kerstmis doet denken. En die geweldig combineert op een donker broodje met roomkaas of geitenkaas.

2019-09-12 13.15.30
Gebukte vossenbessenplukker tussen ’t groen. © Anne Broeksma

Veel bessen dragen namen van dieren. Vossenbessen worden ook wel ‘cowberries’ genoemd, en dan heb je nog de ‘bearberries’ die erop lijken. En de cranberry of veenbes, is in het Engels en Zweeds naar de kraanvogel vernoemd. In de zomer zie je hier af en toe een paartje, maar nu verzamelen grote groepen zich in mistige weilanden, om zich klaar te maken voor de trek naar Azië. Een prachtig gezicht, die grote grijze vogels op hoge poten. Kraanvogels houden net als de veenbes van moerassige gebieden, waar ze naast vissen en kikkers vast ook weleens een zure bes achterover slaan. Ergens anders lees ik weer dat de bloem, die later in de bes verandert, op de kop van een kraanvogel lijkt.

Een aantal weken geleden waren er vrienden op bezoek. We bedachten Zweedse spreekwoorden: Wie bessen koopt, plukt zichzelf. Iets waar we op kwamen door het bord in de tuin van de overburen: Bär köp alla dagar! / Elke dag bessen te koop!. Verlokkelijk, maar nee. We hebben die kammen niet voor niets. Door mijn duik in de wondere wereld van bessen, heb ik er nog een nieuw Zweeds spreekwoord bij. Eentje die echt bestaat: “De är sura”, sa räven om rönnbären. / “Die zijn zuur”, zei de vos over de lijsterbessen. Een mooie allegorie voor de neiging af te kraken wat je niet kunt krijgen. Het is bekend dat vossen soms bessen eten, maar lijsterbessen hangen te hoog.

Het plukken van bessen met zo’n kam is een bevredigende bezigheid, maar je hebt daarna wel een flinke tekencheck nodig. Ik heb al heel wat miniscule vampiertjes van me af moeten trekken. Misschien kan er nog een Zweeds spreekwoord bij: Wie bessen plukt, moet uit de kleren.

Taalmonster

In ben gaan lopen omdat er in mijn hoofd twee slangen zitten: eentje van licht en eentje van letters. De lichtslang is mijn bewustzijn en de letterslang mijn taal. De letterslang is driftig, snakt naar herhaling, botst tegen de wanden van mijn schedel, kronkelt om mijn lichtslang. Het is oppassen geblazen, met dat taalmonster. Maar wanneer ik, zoals nu, zeg dat het oppassen is geblazen met dat taalmonster, spuwt hij die zin uit en komen de woorden tot leven. Dan moet ik pas écht gaan oppassen. Hoemf, klekki, manajeg. Nieuwe woorden zijn vrije woorden, omdat ze geen betekenis dragen.

Opeens krijg ik zin om de bosjes in te duiken, weg van dit uitgesleten pad onder mijn voeten, van de kluwen in mijn hoofd. Maar de eerste paar honderd meter is altijd moeilijk, het gaat erom dat je doorloopt. Je lichaam op gang brengen, de golven in je hoofd laten uitrollen. Tot je een prachtig bosvijvertje bent waar een eland uit kan drinken.

Taal en tijd zijn de afgoden waar ik als dier-plus voor neerkniel. Dat taal een eigen wil heeft vergeet ik regelmatig. Alsof ik dagelijks met vuur speel maar vergeten ben dat het vuur is. Taal is duivels; het vermeerdert zichzelf, gebruikt ons bewustzijn als zuurstof.  Facebook is een grimmige put zonder echo. Iedereen gilt tegen iedereen dat de wereld in brand staat en dat mensen klootzakken zijn. Natuurlijk luistert er niemand. Agressie tegen de eigen soort werkt verlammend.

K9N0B2

The Tower of Babel, Cassell’s History of England, 1898.

Ik probeer elke dag even stil te staan bij de erbarmelijke toestanden waarin mijn voorouders geleefd hebben en waaraan zij zich ontworsteld hebben. Terug willen naar een eenvoudig leven ‘in harmonie met de natuur’, waarbij alle verworvenheden van de afgelopen twee eeuwen worden afgedaan als overbodige luxe, is behoorlijk ondankbaar. Hun zwoegbaantjes in de staal- en textielindustrie hebben veel mogelijk gemaakt. Van knecht tot meesterknecht. Jaar in jaar uit tussen de rondvliegende vonken. Ik wil hier niet licht over doen.

Woorden vreten zich een weg door onze hoofden, nestelen zich. Crisis. Vernietiging. Verdwijnen. Uitsterven. Te Laat. Vijf over Twaalf. Te laat! Maar in alle tijd die ik nodig heb om wekkers kapot te slaan (want dat is de impuls die ik voel na deze woorden), had ik ook iets nuttigs kunnen doen. Iets met waterstofmoleculen in een laboratoriumpje. Ja, ik ben een optimist. Een onhandige eigenschap als je wilt schrijven. Beter wend ik mijn dramatische instincten aan om elke crisis te verzilveren tot literatuur.

Natuurlijk is er actie nodig. De geschiedenis heeft uitgewezen dat we altijd een klein groepje gekken nodig hebben om de wereld te verbeteren. Laten we milieuactivisten dan ook aanzien voor wat ze zijn: gekken. Wat wil een mens? Vreten en veiligheid. Dat we ons nu druk kunnen maken om ongeboren kleinkinderen en leven op andere aardplaten, is fantastisch. Een wonder van empathie, een wonder van welvaart. Iets wat we nooit als vanzelfsprekend moeten zien, maar als iets wat best een beetje gek is. Op een goede manier. Zeker als je erbij stilstaat dat de gemiddelde poolvos zich, vermoed ik, weinig aantrekt van óns lot. Ik wil de letterslang omdraaien en erkennen dat ik gek ben. Dat ik een dier-plus ben. Dat ik iets héél bijzonders kan: geven om de wereld buiten mijn eigen familie- en vriendenkring. Misschien ga ik het dan steeds vaker doen.

Walhalla

De eerste wandeling door de Zweedse zomer. Benen die krakend op gang komen, als een machine die te lang heeft uitgestaan. Bij elke stap, elke ritselende boom, elk bloemenveld, komen er geluksstoffen vrij in mijn hoofd. Het heeft de afgelopen twee dagen niet geregend, toch ligt er modder. Vorig jaar, toen drie maanden droogte alle velden in woestijn had veranderd, was alleen de mosvloer van het bos nog vochtig. Wat een briljante klimaatbeheersing. Als de rest van de wereld op apegapen ligt door droogtes en overstromingen, kunnen de vinkjes in het bos nog drinken.

Ik kom langs een open plek vol hoge distels en fluitenkruid. Volgens een Noorse boer, waarbij we in 2010 een maand verbleven, geloofde men vroeger dat op dit soort plekken het Valhöll is; het Walhalla. De hemel waar de zielen van helden bij Odin mogen komen. Bloemen zo hoog als mensen; dat moet inderdaad het paradijs wel zijn.

Walhalla1

Een ‘Valhöll’, oud-Noors voor Walhalla. © Anne Broeksma

De kerstbomenheuvel heeft er varens bij gekregen. Meestal stop ik hier even, maar nu ik alleen ben wil ik doorlopen. Wanneer ik afdaal, zie ik een grote bruine gestalte tussen de dennen staan, zo’n vijftig meter verderop. De gestalte kijkt me een paar seconden aan en rent dan wat onhandig weg. Een vrouwtjeseland, op klaarlichte dag. Omdat ik over een heuveltje kwam kon ze me niet ruiken. Hier in Värmland wonen ook een paar witte elanden. In 2017 ging er een filmpje de hele wereld over. Het lijkt me magisch er eentje tegen te komen. De associatie van wit met iets heiligs of in ieder geval met de geestenwereld, is zo oud als de mensheid. En toch; als alle elanden wit zouden zijn, zouden we op zoek gaan naar bruine.

Bos wordt afgewisseld met glooiende vergezichten. Een buizerd vliegt heen en weer en krijst doordringend. Er komt hier nooit iemand wandelen, zelfs niet in juli. Zweden wandelen niet. Die rijden auto of quad. Een vrouwelijke ruiter komt uit een zijpad schieten, roept ‘stå till!’ Het is een kleintje, ik denk een IJslander van de manege verderop. Oké, Zweden rijden ook weleens paard.

Walhalla2.jpg

Verlaten veldje tijdens de wandeling. © Anne Broeksma

Ik blijf staan op een splitsing van paden en zie koolmeesjes zenuwachtig heen en weer wippen in het berkenbosje naast me. Dan zie ik waarom. Een klein en pluizig exemplaar zit naar me te piepen vanaf een tak, op nog geen twee meter bij mijn hoofd vandaan. Volgens mij denkt het domme beest dat ik hem ga voeren. De familie is in rep en roer. Ik grinnik.

Wat is het heerlijk om alleen te lopen. Je hoort meer en beleeft alles intenser. Ik eet wat klaverzuring en loop langs grote keien die bedekt zijn met rendiermos. Dan ligt er opeens een akker aan mijn voeten. Als de kleurstrepen op de bomen stoppen en er ligt een veld aan je voeten; gewoon doorlopen. In Zweden is de richting bij twijfel altijd rechtdoor. De bloemen komen tot boven mijn middel. Knoppen en insecten tikken tegen mijn benen en romp, met mijn armen bescherm ik mijn gezicht. Dit Walhalla is wat vol. De hommels en bijen vinden het niet leuk dat ik hun maaltijd verstoor.

Walhalla3

Akkerdistels (Cirsium arvense). © Anne Broeksma

Na een afdaling door het bos kom ik langs een rivierdalletje, over een begroeide wal met veel gekwetter. Dit stuk is anders dan de rest: natter en dichter. Een Zweedse versie van jungle. Als ik twee uur later weer bij het beginbord sta, loop ik door de volle zon over het zandpad naar huis. Dat ik in een bed slaap en toch zomaar door een bos kan dwalen wanneer ik zin heb. Wat een wereld.  Morgen ga ik weer.

Onder het oppervlak

Het is een warme zomeravond in juli, aan een meer in Midden-Zweden. Wilgenroosjes tegen de blauwe lucht, de bosbessenheuvel die heldergroen oplicht in de late zon. Ik word afgeleid door iets kleins en grijzigs, naast mijn slippers in het gras. Een soort kever? Als ik buk maakt het een sprong. Een minuscuul kikkertje. Dan zie ik het pas goed. Overal om me heen springen minuscule bruingrijze kikkertjes. Klein, maar compleet. Het staartje is er al af. Froglets, heten die in het Engels. Een perfecte naam. Je hoort het Kermit liefkozend tegen zijn neefje Robin zeggen: “Come here, you little froglet!” Zijn het bruine kikkers, of heikikkers? Die zijn zelfs in volwassen vorm al nauwelijks te onderscheiden. Af en toe lopen ze een stukje, alsof ze uitvogelen welke manier van verplaatsing het beste werkt. Ze komen uit het water en trekken schuin over het gras richting het bos, in verschillende richtingen. Achter me ligt er eentje op z’n rug, het bolle witte buikje zichtbaar. Oeps. Hij trekt nog één keer z’n knietjes op. Ik durf geen stap meer te verzetten.

Middenin een triomftocht sta ik. Wie heeft het ooit verzonnen. Een stipje in de blubber, aan de rand van een meer. En dat wordt dan een visje. En als het een visje is, moet dat visje alles wat het vis maakt weer kwijtraken. Zijn zuigsnoet, zijn kieuwen, zijn staart. Er zou net zo goed een nieuw ei gedropt kunnen worden. Maar na die transformatie heb je ook wat: het leukste koelbloedige dier op de Ark. Glimogige, teerspringende, kwakende ademhuiden. Hoe dat kikkervisje weet dat het geboren is voor een leven in een andere, groenere dimensie, weet niemand. Nouja; het is een hormoon dat zijn lijf transformeert. En als je de vorm hebt, volgt het gedrag vanzelf. Maar dat is de feitelijke, de gruwelijke uitleg van metamorfose. Van ledematen die plotseling uit buiken groeien en longen die zich uitklappen als parachutes. Alles wat je kunt doen is wachten tot het ophoudt en de schade opnemen. Ik hou het liever bij het kikkervisje dat droomt van een leven op het mos.

Een uur geleden lag ik zelf nog in het water, toen ik uit de sauna kwam. Ik voelde me toen duidelijk zoogdier. Een warm, dampend beest dat net iets teveel lawaai en rimpelingen maakt. Een bezoeker van het meer, hoogstens. Maar mensen groeien ook in het water en weten instinctief dat ze in een andere dimensie horen. De weg wordt altijd gevonden, hoe smal de doorgang ook kan zijn. Worden kikkers eigenlijk twee keer geboren? Stel je voor dat een baby in het eerste of tweede levensjaar opeens in een ander wezen verandert. Iets met kieuwen en een staart. En dat het vóór de transformatie compleet is, het water bereikt moet hebben. Baby’s die ‘s nachts wegkruipen door achtertuinen, plotseling in sloten en vijvers verdwijnen.

frogletcommonfrog

Froglet van een bruine kikker, © Marianne Taylor